HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN
III.
In de derde alinea vanaf het einde, van het vorig artikel, is het werkwoord bereiken uitgevallen : „Dat zouden wij — wie zijn dat ? — niet kunnen bereiken zonder krampachtigheid en onwaarachtigheid", besluit hij dan.
Men zal dat wel begrepen hebben. Was het prof. Kraemer niet, die indertijd sprak van belijdeniskramp en belijdenisvrees? Hij zal dat wel goed bedoeld hebben, maar het komt mij voor dat met deze kramp en vrees in gesprek en pers is geschermd en wel het meest door degenen, die zo weinig op de hoogte zijn met de inhoud der belijdenisgeschriften, dat zowel de kramp als de vrees bij hen slechts imaginaire ziekten konden zijn.
Het zou er met het kerkelijk leven minder ernstig bij staan, als er waarlijk gevallen van belijdeniskramp en belijdenisvrees werden geconstateerd.
Hoe moeten wij het nu begrijpen, als dr. B. spreekt van letterlijke overeenstemming met de belijdenis ?
Is dat zijn kerkelijk ideaal ?
Ziet hij een voorwaarde van gezond kerkelijk leven in de letterlijke overeenstemming met de belijdenis in casu de Drie Formulieren van Enigheid ?
En wie zullen dan volgens hem overeenstemmen met de belijdenis ? Allen, die tot de kerk behoren ? Alle lidmaten ? Alle ambtsdragers ?
Men ziet, hoe vaag en onbepaald door dr. B. van letterlijke overeenstemming gesproken wordt.
, , Wij kunnen m.i. nooit' letterlijke overeenstemming met de belijdenis bereiken zonder. ..."
„Wij". Is dat een algemeen kerkelijk wij ? Of is dit een leidinggevende , , wij"? Letterlijke overeenstemming met de belijdenis stelt voorts een vergelijking tussen wat anders en de belijdenis.
Wat moeten wij daar invullen ?
Overeenstemming kan toch niet minder zijn dan overeenstemming van iets met iets, derhalve van de gaande meningen, van de individuele opvattingen, van het belijden der kerk om met de woorden van de kerkorde te spreken .... met de belijdenis.
Het is alles meer ongerijmd dan duidelijk.
Misschien zijn wij het dichtst bij de gedachtengang, die dr. B. voor de geest zweefde als wij het zó stellen : Letterlijke overeenstemming tussen het belijden der kerk en de belijdenis kunnen wij, volgens het inzicht van dr. B., niet bereiken.
Wij willen dr. B. geen onrecht doen, maar zal deze stelling zin hebben, dan kan hij onze belijdenis niet meer als de belijdenis der kerk beschouwen.
Geen overeenstemming tussen het belijden der kerk en de belijdenis der kerk kan slechts twee dingen betekenen : Het 'belijden der kerk wordt niet meer gedekt door haar belijdenis, zodat deze laatste niet meer als haar belijdenis kan gelden, of, het belijden der kerk is van haar belijdenis afgedwaald, zij is van het geloof der vaderen vervallen.
Dit laatste standpunt is blijkbaar niet dat van dr. B. Volgens zijn inzicht is letterlijke overeenstemming niet te bereiken zonder de befaamde kramp en vrees, en terwille daarvan ziet hij van de overeenstemming af om zich tevreden te stellen met een gemeenschap met de belijdenis der vaderen.
De vraag dringt zich aan ons op, hoe dr. B. komt tot de formulering van die „letterlijke overeenstemming". Wij bedoelen dus de uitdrukking op zich zelf. Wij herinneren ons niet, dat iemand een oplossing van het kerkelijk vraagstuk op de hier in geding gebrachte wijze heeft voorgesteld.
Mogelijk schuilt dit misverstand in de merkwaardige geschiedenis, die de uitdrukking , „in overeenstemming met" in de handelingen met en besprekingen van de kerkorde heeft gehad. Wij hebben te meer aanleiding voor deze onderstelling, omdat dr. B. op de uitdrukking , , gemeenschap" komt. Dat is juist het verband, waarin deze woorden werden gebruikt bij de besprekingen van art. X der kerkorde.
Dit artikel handelt over , , het belijden der kerk" en dit nader bepaald , , in gemeenschap met de belijdenis der vaderen". Van den beginne aan zijn er van gereformeerde zijde stemmen opgegaan om deze woorden vervangen te zien door : in overeenstemming met de belijdenis der vaderen.
Wij herinneren ons nog heel goed, dat in de dagen van de eerste kennismaking van mannen uit de kerk met het ontwerp kerkorde, deze aangelegenheid reeds ter sprake kwam en dat door prof. van Ruler werd opgemerkt, dat „in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" overeenstemming met die belijdenis zou insluiten.
Inderdaad kan men dat zo stellen. Gemeenschap met de belijdenis der vaderen, onderstelt uit kracht van die belijdenis zelf : gemeenschap met het geloof der vaderen, leven uit eenzelfde geloofsgemeenschap met hen en in zoverre zou men er vrede mede kunnen nemen, dat , , gemeenschap met" „overeenstemming met" zou insluiten.
Zo is het echter geenszins door allen, die het hoorden, genomen en hoe zou dat ook kunnen? De vrijzinnigheid b.v. kan het zeker niet zo nemen en zou moeten protesteren tegen de gevolgen daarvan.
Prof. van Ruler veroorlooft zich op verschillende punten intussen een vrijheid ten aanzien van de belijdenis der vaderen, klaarblijkelijk tot geruststelling van dissenters ten aanzien van die overeenstemming, daar zij nog al ruim genomen blijkt te worden.
Dr. B. vindt het althans nodig om van „letterlijke overeenstemming" te spreken. Dat is weer wat klemmender.
Hoe het zij, de gereformeerden in de Hervormde kerk hebben gepleit, zij het ook zonder resultaat, voor de woorden: , , in overeenstemming met". Het belijden der kerk zij in overeenstemming met de belijdenis der vaderen, enz.
Dat zal waarschijnlijk wel de aanleiding zijn geweest Voor de wijze, waarop dr. B. zich uitdrukt in de meer aangehaalde zinsnede en de gedachtengang is wellicht als volgt: Van de rechterzijde is voor de uitdrukking , , in overeenstemming met" gepleit, zij bedoelt dus, dat de kerk belijdt in overeenstemming met de belijdenis der vaderen, — maar als wij aan dat standpunt zouden tegemoet komen, zouden wij zulk een overeenstemming niet kunnen bereiken zonder krampachtigheid en onwaarachtigheid.
Dat is werkelijk een heel vriendelijke manier om te zeggen, wat men van die zijde zou wensen, is ten enenmale onmogelijk en dat doen wij ook niet. Gij, gereformeerden, moet met „gemeenschap" maar tevreden zijn — en dat niet in de zin, , zoals gij dat wilt verstaan hebben, maar zoals wij, mannen van de nieuwe koers, dat opvatten.
Het woord „onwaarachtig" is wel eens in de mond genomen door iemand van gereformeerde zijde, en men heeft dat zeer kwalijk genomen, zodat wij die uitdrukking zullen vermijden, — maar moet men zulke beschouwingen en redeneringen dan aan argeloze onnozelheid en onwetendheid toeschrijven?
Want wat artikel X aangaat, heel dat artikel behoort niet in de kerkorde thuis en het is vandaag heus niet de eerste keer, dat dit dezerzijds wordt opgemerkt.
En, indien men iets van de belijdenis in de kerkorde zou willen opnemen, zou het alleen — hoezeer overbodig, wijl vanzelfsprekend — de nadrukkelijke binding van alle kerkelijk en kerkordelijk handelen aan de belijdenis kunnen zijn, enkel en alleen, omdat zij de belijdenis der kerk is. Dat heeft men zeer nadrukkelijk juist niet gewild en daarmede heeft men openlijk aangetoond, dat men een politiek spel dreef met de woorden , , in gemeenschap met" en de z.g. inclusieve zin van , , in overeenstemming met".
Het heeft er alle schijn van, dat men een niet-gebonden-zijn aan de belijdenis der vaderen veeleer heeft willen uitdrukken dan een wèl-gebonden-zijn, en dat in een schoonklinkende, doch inderdaad misleidende uitdrukking : in gemeenschap met.
Degenen, die daarvan het meest gediend willen zijn, spreken dan, als ware dit de meest gewone zaak, van de kerkorde als compromis-voorstel. Dat compromis schijnt dan de coalitie : middenorthodox en vrijzinnig te gelden. Deze liggen intussen niet zover uit elkander, als wij de opvatting van dr. B. laten gelden, die de midden-orthodoxie doet afstammen van de leer van Arminius.
Als dr. B. voorts beweert, dat wij, , genoeg hebben aan de gemeenschap met de belijdenis", welke gemeenschap derhalve zeer duidelijk uitgesproken overeenstemming niet insluit, dan is dat een veroordeling van de mening dergenen, die dat wel zo verstaan. , , Alles wat meer is, is in werkelijkheid minder", zegt de schrijver verder. Overeenstemming is dus volgens hem meer dan gemeenschap. Dat onderstelt alzo, dat men gemeenschap kan hebben met het geloot der vaderen — wat anders moet men onder gemeenschap met de belijdenis verstaan? — zonder overeen te stemmen in de belijdenis van dat geloof. Uit één en hetzelfde geloof leven met de vaderen en toch niet overeenstemmen in belijdenis van dat geloof !? Het begrip gemeenschap dat hier wordt voorgesteld, schijnt dan toch weer buiten de betrekking gelooi der vaderen te liggen.
Wij spreken — of liever : de' kerk der eeuwen spreekt — van een algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof, dus van het Christelijk geloof, van het geloof der Schriften.
Als wij ons bepalen bij wat de Heilige Schrift van dat geloof zegt, dan komen wij tot de ontdekking dat het geloof een objectieve grootheid is. Het is een gave Gods, het wordt gewerkt door de Heilige Geest. Niemand kan zeggen Jezus de Heere te zijn, dan door de Heilige Geest. (1 Cor. 12 vs. 3).
Wij erkennen met nadruk de Christelijke religie als religie der persoonlijkheid en bepleiten de noodzakelijkheid van persoonlijk geloof, maar daarin is nog in het minst geen grond om de objectieve kracht en betekenis des geloofs te miskennen, of zelfs geheel te negeren, alsof een iegelijk op zijn wijze zou kunnen geloven en op zijn eigen wijze zalig worden. Een dergelijk individualisme kan in de Heilige Schrift geen steun vinden. Deze spreekt van het geloof. Door het geloof gerechtvaardigd. (Rom. 3 VS. 28 e.a.p.) Paulus verkondigt : het geloof. (Gal. 1 vs. 23). Blijven in het geloof. (Col. 1 vs. 23). Die uit het geloof van Jezus is. (Rom. 3 VS. 26). Christus woont door het geloof in de harten. (Ef. 3 vs. 17). Naar het geloof der uitverkorenen Gods. (Titus 1 VS. 1).
Kracht, sterkte en omvang des geloofs kunnen individueel verschillen, de gave des geloofs kan al of niet gepaard gaan met andere gaven des Heiligen Geestes, b.v. de gave der uitlegging, maar het geloof, dat het Evangelie als een kracht Gods tot zaligheid verstaat en beleeft, het geloof der uitverkorenen, draagt in het gave-Godszijn en in de werkingen van de Heilige Geest een objectieve, grond en zekerheid, welke ook aan de belijdenis der kerk, die naar de Heilige Schrift is, 'haar gezag en normerende betekenis geven. Eén geloof, één doop, één Heere.
In het licht van deze en dergelijke uitspraken der Heilige Schrift, wordt het toch wel erg moeilijk een gemeenschap met de belijdenis der vaderen aan te nemen, die tegelijkertijd vrij staat tegenover die belijdenis. Hier wordt dan de eigenlijke binding der gemeenschap, het geloof, opgeheven.
En toch is de kerk in de eerste plaats een gemeenschap des 'geloofs, zijnde n.l. openbaring van Christus' lichaam, oefenende de gemeenschap met Christus door het geloof. Wat moet men nu denken van een gemeenschap des geloofs zonder gemeenschappelijke belijdenis van dat geloof?
Wie zo iets stelt kan, óf de kerk niet als geloofsgemeenschap zien, óf hij moet onder het geloof iets verstaan, dat is losgemaakt van de objectieve grond, die het in de Heilige Schrift heeft.
In beide gevallen worden wij voor gedachten geplaatst, die aan de huidige kerkelijke situatie eer zijn ontleend dan aan de Heilige Schrift. Vandaar dan ook een geheel andere waardering der belijdenis.
Dr. B. schrijft : , , Als wij in de belijdenis de saamvatting horen van dat, waarmee ook ons geloof staat en valt, dan is die gemeenschap werkelijkheid".
Het zou wel wat duidelijker geweest zijn, als dr. B. zich wat nader had uitgedrukt.
Wat bedoelt hij n.l. met datgene, waarmee ook ons geloof staat en valt?
Er is iets in de belijdenis der vaderen, waarmede ook ons geloof staat of valt. („Ons geloof" is dan het geloof van dr. B. en de zijnen). Dat , , iets" in de belijdenis der vaderen is dan het gemeenschappelijke en dat in de belijdenis der vaderen te horen, zou de werkelijkheid der gemeenschap zijn.
Met dat iets is er dus geloof en zonder dat is er geen geloof.
Wat kan dat iets met ernst anders zijn dan openbaring? Geloof staat en valt met openbaring. Geen openbaring, geen geloof. Derhalve als wij in de belijdenis der vaderen een saamvatting horen van openbaring — daar komt weer de hoofdsom ! — is de gemeenschap met de belijdenis der vaderen werkelijkheid.
Het merkwaardige nu is, dat het geloof alleen de Godsopenbaring verstaat, aangezien het er uit leeft.
Het geloof is de levende resonans der Godsopenbaring, om het zo eens uit te drukken. Doch ook alleen het geloof verstaat die resonans als zodanig.
In zoverre die resonans wordt gehoord, is er gemeenschap des geloofs, zou men kunnen zeggen. Men kan dus meer of minder gemeenschap met de belijdenis (het geloof) der vaderen hebben. Het geloof der vaderen kan rijker en rijper zijn, b.v. dan het onze, terwijl het onze nog slechts ten dele gemeenschap heeft.
Of, men kan het standpunt innemen, dat de vaderen zich vergist hebben(!), in zoverre men geen gemeenschap met hun belijdenis heeft, en dat zijn eigen geloof b.v. dieper wordt geacht te zijn.
Dr. B. kiest naar het schijnt niet tussen deze beide standpunten. De resonans klinkt voor hem slechts in de saamvatting, de hoofdsom, het wezen der openbaring of wat hij daarvoor houdt. Met deze gemeenschap moet men volgens zijn inzicht volstaan. Dit is alzo een nieuwe vertolking van
, , geest en hoofdzaak".
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 20 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's