LAAT ONS OP ONZE WOORDEN LETTEN!
I.
Reeds enige tijd ligt er op mijn bureau een blaadje met enkele bijbelse uitdrukkingen, waarvan ik gemerkt heb, dat ze in de pers en in de prediking onder ons in een onbijbelse zin gebruikt werden. Het zijn er drie : het , , ik ellendig mens" van Rom. 7, het „niet willen ontkleed, maar overkleed worden" van 2 Kor. 5 en , , het hebben van de eerstelingen des Geestes" van Rom. 8. Overigens drie zeer bekende uitdrukkingen, waarvan het gebruik in een verkeerde zin ook wel zeer bekend is (naar ik althans veronderstel). Maar daarom trof het mij des te meer, dat ik toch maar weer in één onzer bladen het „ik ellendig mens" van Rom. 7 aantrof als de klacht van de bekommerde zondaar, die voor de kennis der verlossing in Christus staat; dat ik vernam, hoe één der onzen op de kansel in het gebed er van had gewaagd, dat we niet willen ontkleed, maar overkleed worden ; en dat ik van de eerstelingen des Geestes las in verband met de werkingen des Geestes voor Pinksteren.
Is dit eigenlijk niet iets ernstigs ? Wij begeren te spreken naar Schrift en Belijdenis. Goed. Maar moeten we dan niet met grote zorgvuldigheid ons er op toeleggen om werkelijk bijbelse taal te spreken ? Ik bedoel geenszins, dat we biblicist moeten zijn, als zouden we geen andere woorden mogen gebruiken dan alleen die, welke letterlijk in de bijbel voorkomen. Neen, we mogen en moeten ons bedienen van woorden en uitdrukkingen, die de ernstige bezinning op het getuigenis der Schriften ons bijbrengt. Zo wandelen we ook in het voetspoor van Calvijn, die b.v. zo oordeelt betreffende de term „Triniteit" of „Drieëenheid", welk woord in de Schrift immers niet gevonden wordt. Maar hier gaat het juist om uitdrukkingen, die wel in de Heilige Schrift voorkomen. En daarvan moet voor ons m.i. in absolute zin gelden, dat we ze steeds gebruiken in de zin, die ze in de Heilige Schrift hebben.
Ik weet wel, dat het mogelijk is, dat we ons bedienen van bepaalde uitdrukkingen, zonder dat we eigenlijk er ooit aan gedacht hebben, of we ze wel bezigen in de rechte bijbelse zin. We zijn van jongsaf met die bepaalde standaarduitdrukkingen vergroeid. Ze komen vanzelf bij die bepaalde gedachte op onze lippen. Dan kan het best zijn, en het zal ook wel zo zijn, dat die gedachte op zichzelf niet onschriftuurlijk is, maar dat alleen maar die bijbelse uitdrukking, die we bezigen om die bepaalde gedachte onder woorden te brengen, hier niet naar haar oorspronkelijke zin wordt gebruikt. Toch inag dit m.i. niet voorkomen. Het helpt er aan mede de rechte zin der Schriften te verdoezelen, en het legt nu juist niet bewijs af van een zich recht en grondig bezinnen op het getuigenis der Schriften.
Toch willen we graag aangezien worden voor degenen, die zich door de Schriften laten onderwijzen, niet waar ?
Welnu, laat dat dan ook in ons woordgebruik uitkomen. Daar is niemand, die niet struikelt, maar het maakt een groot verschil uit, of we ons er aan gewennen onszelf ook hierin onder controle te houden, of dat we zo goed als geen aandacht daaraan besteden.
De drie bovengenoemde uitdrukkingen kunnen wel met verscheidene andere vermeerderd worden, doch laat ons ons voorlopig mogen beperken tot deze drie, als we de aandacht willen vestigen op de bijbelse zin dezer uitdrukkingen.
Het , , ik ellendig mens" komt voor in het bekende Rom. 7, waarin Paulus op een aangrijpende wijze het leven van de christen beschrijft in een persoonlijk getuigenis aangaande de strijd tussen vlees en geest. Hier wordt de Christen als twee-mens ten voete uit getekend. Niet twee mensen komen er aan het woord, maar de mens, die in Christus is, die der Wet gedood is door het lichaam van Christus. De mens, die dus vrij van de Wet is als de Wet tot verdoemenis en nu eens Anderen geworden is, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat hij Gode vruchten dragen zoude. Die mens bestaat niet uit twee mensen, de oude en de nieuwe mens, maar is een tweemens, die naar de inwendige mens een vermaak in de Wet Gods heeft (geheel en volkomen), maar een andere wet in zijn leden ziet, die strijdt tegen de wet zijns gemoeds en hem gevangen neemt onder de wet der zonden, die in zijn leden is, zodat hij wel met het gemoed dient de Wet Gods, maar met het vlees de wet der zonde. We staan hier voor de diepe en rijke geloofsinleving der gemeenschap met Christus, Die geschonken is tot rechtvaardigheid en heiligmaking. Daar is enerzijds de betrekking tot de eerste Adam, waardoor de wet der zonde in de leden woelt en er niets van de gelovige naar zijn eigen weten te verwachten is dan het kwade, maar anderzijds is daar de betrekking tot en levensgemeenschap met de Tweede Adam, welke toch de diepste wortel van zijn leven is geworden ens immer blijft. Hij is geheel de oude mens in zijn betrekking tot de eerste Adam, maar hij is geheel de nieuwe mens in zijn betrekking tot en gemeenschap met Christus. Op zichzelf genomen zijn daar bij hem slechts de vruchten van de eerste Adam. Doch dat is een abstractie. Hij kan niet meer op zichzelf genomen worden, want hij is in Christus. En dat , , in Christus" besluit niet slechts in zich het gerekend zijn in Hem en dus een in Hem tot een rechtvaardige gesteld zijn, maar ook het in levensgemeenschap gesteld zijn met Hem, waardoor de diepste levenswortel dier gemeenschap is : de eenheid van de rank met de wijnstok. Dat drukt toch vers 4 uit in de woorden : opdat gij zoudt worden eens Anderen, namelijk Desgenen, Die van de doden opgewekt is, opdat wij Gode vruchten dragen zouden. Zo alleen, van uit deze mystieke unie (verborgen gemeenschap) kan gezegd worden : Want hetgeen ik doe, dat ken ik niet, d.w.z. wat ik waarneem in mijn denken en doen, dat opkomt uit mijn oude levensbron, daar sta ik in mijn diepste wezen, mijn zijn in Christus, vreemd tegenover: ik kan het niet erkennen en er geen compromis mee sluiten, zoals blijkbaar bij zovelen mogelijk is. Want hetgeen ik wil, dat doe ik niet, maar hetgeen ik haat, dat doe ik.
Het gaat hier dus niet om een „half om half", maar om een totaliteit tegenover een totaliteit. Maar daarbij moet het toch de eerste totaliteit (n.l. vanuit de eerste Adam), die in zijn diepten steeds meer gekend en onderkend wordt, afleggen tegen de tweede totaliteit, die van het in-zijn in Christus, naarmate de gelovige meer ondergaat in het bloed van Christus in de beoefening des geloofs en in de gemeenschap Zijns Geestes wandelt, tot de ure, dat het volmaakte zal gekomen zijn.
Als dan de apostel komt tot de uitroep : Ik, ellendig mens ! wie zal mij verlossen uit het lichaam dezes doods? , dan horen we daarin niet een zekere toegefelijkheid aan het zondig bestaan, de oude Adam, het vlees, of hoe ge het noemen wil, maar een absolute afwijzing ervan, welke afwijzing alleen maar mogelijk en werkelijk kan zijn door de daartegenoverstaaride absolute toewending naar het Bloed en de Geest van Jezus Christus : Ik dank God, door Jezus Christus, onze Heere.
Het , , ik ellendig mens" kan dus niet in de zin, die het hier heeft in vers 24, verstaan en gebruikt worden zonder de keerzijde, zonder het , , ik dank God " Wie het tóch doet gebruikt noodzakelijk de uitdrukking in een verkeerde zin. Alleen in de absolute toewending naar Christus, in het in-zijn in Christus derhalve in de Geest des geloofs, kan de absolute afwijzing, die hier gevonden wordt in het „ik, ellendig mens"^ haar beslag hebben.
Achter vers 24 kan derhalve geen afsluitende punt worden gezet, ook niet een voorlopig afsluitende comma-punt.
Het verband wijst dat toch ook duidelijk aan. In Rom. 4 en 5 heeft de apostel gehandeld over de rechtvaardigheid des geloofs en de verzoening met God. En vandaar uit komt hij tot de heiliging des levens in gemeenschap met Christus, om dan in hfdst. 7 te handelen in verband hiermede over de verhouding van de christen tot de wet en de strijd, die hier gevoerd wordt. Het gaat dus om de strijd, die gestreden wordt en als zodanig alleen maar gekend wordt in het leven der heiligmaking, dat zijn grondslag en voedingsbodem vindt in Rom. 5 vs. 1: , , Wij dan, gerechtvaardigd zijnde uit het geloof, hebben vrede bij God, door onze Heere Jezus Christus ; door Welken wij ook de toeleiding hebben door het geloof tot deze genade, in welke wij staan, en roemen in de hoop der heerlijkheid Gods". Zonder rechtvaardigmaking kan er van heiligmaking in Schriftuurlijke zin geen sprake zijn en kunnen ook vs. 24 en 25 niet functionneren.
Als het ons waarlijk een nood is geworden om al worstelend Zondag aan Zondag dat besef de gemeente bij te brengen, zullen we zoet loon ontvangen en vanzelf de gemeente en onszelf opvoeden tot het verstaan van de rechte zin van het „ik ellendig mens". En natuurlijk, we mogen dan weer niet in een ander euvel vervallen, n.l. dat we over de rechtvaardiging gaan spreken op een wijze, die eigenlijk de zaak der rechtvaardiging door het geloof in Christus verdoezelt en nevelachtig maakt, maar we hebben de rechtvaardiging van de goddeloze te leren naar Rom. 5 VS. 1 als vrijmakende daad Gods in toepassing des Heiligen Geestes. Zo wordt de mens vernederd en ontledigd. God in Zijn deugden verheerlijkt, den arme wordt het Evangelie verkondigd, de rijke wordt ledig heengezonden of arm gemaakt, de troosteloze wordt hoop gegeven ten leven en Gods Kerk wordt gebouwd in de kennis van haar Drieënige God.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 27 augustus 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's