De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN

9 minuten leestijd

V.

Geen juridisch gezag der belijdenisgeschriften.

't Is waar, dat de belijdenis geen wet is, en uit dit oogpunt ook geen juridisch gezag kan hebben. Dat weet trouwens iedereen. Om echter te kunnen spreken van juridisch gezag, moet er toch een zekere rechtsverhouding zijn. Er moet een lichaam zijn, dat rechten heeft en die rechten ook handhaaft, zowel ten behoeve van haar leden en organen als tot welstand van het geheel.

Is dat dan met de kerk ook het geval?

Met de kerk in haar openbaringsgestalte op aarde — dus als instituut — ongetwijfeld.

Met deze vraag raken wij, zoals men ziet, onmiddellijk reeds aan de belijdenis zelf.

Wat bedoelen wij als wij „kerk" zeggen, en wat betekent het woord „kerk" in dit verband ?

Zo is de vraag eigenlijk niet goed gesteld. Allerlei subjectieve opvattingen kunnen hier dooreen gehaald worden.

Maar, wat bedoelt de belijdenis, als zij , , kerk" zegt en in welke betekenis  spreekt zij van de „kerk" ?

Als wij de zaak zó stellen, kan iemand zeggen, dat hij het al of niet met de confessie aangaande de kerk eens is, maar dan weten wij, waaraan wij toe zijn.

De situatie is nu eenmaal zodanig verward, dat men in de discussie onder woorden als kerk, geloof, belijdenis e.a. waarlijk niet zeker is, wat men er mede bedoelt.

Onderschrijven wij de confessie aangaande de kerk, dan kunnen wij van uit onze gemeenschappelijke belijdenis omtrent de kerk de bovenstaande vraag over , , juridisch" gezag of , , juridische" gelding van het gezag nader onder het oog zien en tot een punt van discussie maken.

Is dat echter niet het geval, en houdt men er andere opvattingen omtrent de kerk op na, dan kan men over de vraag van het gezag der belijdenis — hetzij juridisch of niet — niet discussiëren, om de eenvoudige reden, dat de wijze, waarop men over het gezag der kerk denkt, afhankelijk is van het aanzien en de waardigheid, welke men aan de kerk toeschrijft.

Wie immers zijn individuele opvatting boven de belijdenis stelt, heeft zich daarmede duidelijk uitgesproken omtrent het gezag der belijdenis, want hij acht het gezag van zijn eigen mening hoger dan dat van de belijdenis der kerk in een van haar machtigste openbaringen.

In ieder geval is het een onbetwistbaar feit, dat zij, die het gezag der belijdenis in discussie stellen, met de belijdenis zelf overhoop liggen, en op gespannen voet staan met het geloof, dat in de confessie aan het woord is.

Daarom is zulk een discussie veel ernstiger van aard dan men uit de veelal gemakkelijke toon in de kerkelijke pers zou opmaken. Er is aanleiding voor de vraag, gaat het inderdaad over hetzelfde geloof, gaat het om het geloof van de gemeente van Christus, of mengt zich hierin een geest, die met dat waar­ achtig geloof in de Christus der Schriften geen gemeenschap heeft?

Immers het gezag der belijdenis — wij hebben daarop reeds gewezen — hangt innerlijk zeer nauw samen met het gezag, dat men aan de Heilige Schrift toekent — en ten aanzien daarvan ontmoeten wij dezelfde redeneringen van twijfel en ongeloof. Het is waarlijk niet alleen van gereformeerde zijde opgemerkt, dat de man, die artt. 3—7 van de Ned. Geloofsbelijdenis onderschrijft, geen ernstige gravamina tegen de overige artikelen zal kunnen inbrengen.

Schrift en belijdenis hangen nauwer samen dan vele theologen, die zich in allerlei discussie mengen, schijnen te vermoeden.

Achter heel deze discussie ligt, wat men noemt, het , , Schriftprobleem". Wij maken geen bezwaar tegen deze spreekwijze als verstandelijk vraagstuk, of wil men, als litterair-wetenschappelijk vraagstuk. De Heilige Schrift moet voor de wetenschappelijke onderzoeker een probleem zijn vanwege haar werking in de wereld als orgaan van Godsopenbaring, niet minder als het leven der schepping een probleem is voor de natuuronderzoeker.

Beide problemen zijn even onoplosbaar voor de mens, omdat zij beide stuiten op de verborgenheid van het werk Gods.

Ook de Schriftgelovige vroomheid kan deze problemen niet doorgronden met het verstand, maar het geloof leeft uit de verborgenheid Gods en is zich daarvan levend bewust. Vgl. Job 29 : 4: Toen Gods verborgenheid over mijn tent was. Psalm 25 : 14 : De verborgenheid des Heeren is voor degenen, die hem vrezen. Spr. 3 : 32 : Want de afwijker is den Heere een gruwel; maar Zijn verborgenheid is met den oprechte.

Men mocht bij de behandeling der kerkelijke vragen en der belijdenis wel wat meer oog hebben voor deze waarlijk critische onderscheiding. Vragen van geloof en verstand worden dooreengemengd en hoezeer dat ook menselijk en verklaarbaar is, behoorde men zich toch meer bewust te maken, dat de menselijke rede over de diepste levensrelaties niet kan oordelen en geen rechter kan zijn over de verborgenheid Gods en over het geloof, dat in zijn oorsprong en werking ook een verborgenheid Gods is.

Met name in onze dagen worden de penvoerende geesten op het gebied der diepere levensvragen vermaand om het leven te beschermen tegen de greep van een overmoedig intellectualisme.

Dr. B. handelende over het gezag der belijdenis, laat niet na zijn sceptische of wellicht critische houding jegens de belijdenis te verraden, reeds door een zinsnede als deze : „want op de wijze" — n.l. juridisch gezag laten gelden — „wordt het vragen naar de bedoeling der belijdenis onderdrukt".

Ik hoor iemand opmerken, dat wij over dat , , juridisch" gezag zijn begonnen en daarover nog geen nadere uiteenzetting hebben gegeven.

Dat is ook zo, maar dat kon ook nog niet, omdat eerst de vraag van de waardering van de belijdenis als geheel en inzonderheid op aangelegen punten als die betreffende de Schrift en de kerk, om nadere opheldering vroegen.

Eerst de belijdenis als geheel. Die vraag wordt aan de orde gesteld door de zinsnede : „Vragen naar de bedoeling der belijdenis onderdrukt", n.b. door haar juridische of z.g. juridische, gelding ! En het gezag der belijdenis verlamd.

Laat nu de 19e eeuw spreken. Onder de kerkorde van 1816. Geen sprake van iets, dat men juridische gelding zou kunnen noemen. Nog eens geen sprake van. En in geen eeuw werd het gezag der belijdenis zo verlamd als in die eeuw. Dr. B. grijpt naar het bewijs der historie in zijn artikel — zij het dan ook uit de Duitse kerkstrijd — welnu het resultaat van de algehele afwezigheid van juridische of niet-juridische handhaving der belijdenis in de Hervormde Kerk is geweest, dat de kerk met zich zelf en met haar belijdenis verlegen zit.

Zelfs de vraag naar de bedoeling der belijdenis getuigt daarvan. Zulk een vraag kan trouwens alleen opkomen bij iemand, die van het geloof, dat in de belijdenis aan het woord is, vervreemd is.

Dat blijkt ook uit de volgende zinsnede : , , en wil men met haar (de belijdenis) omgaan met volkomen negatie van de problematiek herhaling — antwoord, statisch-dynamisch, objectiefsubjectief, bedoeling-vormgeving, of hoe we haar willen betitelen. Maar niet door deze problematiek te negeren, alleen door haar te erkennen en op te, nemen, kan een kerk haar belijdenis laten gelden. Dan staat ze echter juridisch machteloos. Men kan de belijdenis alleen handhaven, als men telkens opnieuw haar bedoeling herhaalt".

Het vragen naar de bedoeling van de belijdenis — de vragende en de antwoord zoekende houding — verdwijnt hier min of meer komisch achter het scherm ener opdringerige , , problematiek".

De woorden , , probleem" en „problematiek" hebben in de huidige taal van discussie en referaat iets gewilds, iets opdringerigs, omdat men overal problemen stelt of ziet, ook waar zij niet zijn. Ik wil daarmede niet beweren, dat de zo even aangehaalde zinsnede van dr. B, slechts aan phantasie-problemen raakt, maar hij wil de belijdenis geconfronteerd hebben aan wat hij noemt een „problematiek", welke uit de belijdenis als zodanig niet opkomt. Met dat woord problematiek wordt een gedachtenwereld aangeduid, waarin de Heilige Schrift, de kerk en haar belijdenis een plaats en een functie vervullen, welke ook naar het gevoelen van haar verdedigers met, wat de confessie daaromtrent belijdt, niet wel te verenigen is. In die gedachtenwereld hebben de termen herhaling-antwoord, statisch—dynamisch, objectief-subjectief, bedoeling-vormgeving een betekenis verkregen naar gelang van de voorstelling omtrent de gang van kerkelijk en geloofsleven, welke men daaraan verbindt.

Het eigenlijke probleem, waarvoor men staat, is hierin gelegen, dat men zich beweegt in een modern-theologische gedachtenwereld van zeer gemengd karakter, waarin Schriftcritische en godsdiensthist'orische beschouwingen met wijsgerig-humanistische en christelijke gedachtengangen tot een heterogeen conglomeraat bijeen gebracht zijn, terwijl men worstelt met de spanningen, die daarin werkzaam zijn.

Van uit deze wereld stuit men op de gereformeerde belijdenis der kerk als op een vreemd monument, een monument van andere orde, dat tegelijkertijd aantrekt en afstoot in zijn klassieke stabliliteit. En toch men kan daaraan bij het licht der historie geen machtige levenskracht ontzeggen — en, wat de mensen boos kan maken, — die belijdenis leeft nog, weliswaar met veel gebreken en onder veel critiek, maar de gereformeerde gezindheid leeft nog in de Oude en de Nieuwe Wereld in vele kerken en groepen en secten voort. Die belijdenis is niet maar een historisch gedenkteken als een oud kasteel of iets van die aard, neen zij is nog altijd een getuigenis van geloofsleven, dat temidden van de bewegingen der geesten zijn eigen karakter handhaaft. Zij spreekt uit een geestelijke werkelijkheid, welke sommige raakpunten schijnt te hebben met die modern-theologische gedachtenwereld en die misschien ook wel heeft, maar als geheel staat zij er vreemd tegenover. ^

Het probleem ligt o.i. hierin, dat deze moderne mentaliteit het geloof der belijdenis, althans wat zijn verborgen kracht betreft, zou willen opnemen in het conglomeraat, maar dat het leven der belijdenis zulks niet toelaat. De belijdenis laat zich om het zo uit te drukken niet moderniseren. Daarom en in zoverre zijn wij het eens met dr. B.'s woord : , , Het gravamen biedt geen uitweg" n.l. om aan het streven van modernisering tegemoet te komen. Daartegen strijdt de geest van de gereformeerde belijdenis.

Het is eenmaal niet anders om het even, of men zijn oog daarvoor wil sluiten, vergeefse pogingen doet om te verenigen, wat zich niet verenigen laat, dan wel zijn kracht zoekt in een smadelijke bejegening.

De problematiek, waarover dr. B. schrijft, is niet de problematiek van het Christelijk geloof. Daarom kan het zich deze ook niet laten opdringen ! Het is de problematiek van de moderne geest, die het geheel eigen karakter van het Christelijk geloof, dat rein geestelijk is, en zijn het ganse leven beheersende kracht niet wil erkennen, of zich daaraan niet wil onderwerpen, maar slechts plaats zou willen bieden aan een aangepast en gemoderniseerd Christendom.

De, openlijke uitspraken daaromtrent zijn duidelijk genoeg en waarlijk niet zeldzaam.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's