De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

7 minuten leestijd

STRIJD (II)

Al waren na 1813 de Fransen uit ons land verdreven, daarna was helaas de Franse geest nog niet weg. En die geest was de geest van het ongeloof. „De predikanten" zo zegt Lankamp in z'n Leerplan der Vaderlandse Geschiedenis „de predikanten waren liberaal en bleven met de menigte, die hen volgde, staan bij het algemeen godsdienstige. Van een inwendig Christelijk leven was geen sprake ; men haatte alle overdrijving, men moest het zo nauw niet nemen ; op de zuivere belijdenis der waarheid kwam het minder aan, als men maar deugdzaam leefde — het deed er minder toe, of men rechtzinnig was, als men maar , , rechtgesind" was en in dit geval kon men het best vinden zelfs met de verloochenaars van Christus".

Gelukkig was het echter ook nu als in de dagen van Elia ; toen had God nog z'n zeven duizend, die de knie niet voor Baal gebogen hadden en die zijn mond niet gekust hadden. Zo was er ook in 't begin der 19de eeuw nog een overblijfsel, dat leefde bij het Woord, 't Waren maar kleine mensen, mensen van de smalle gemeente, wat fabrieksarbeiders, landarbeiders, kleine schippers, boertjes en dergelijke. Ze werden echter niet alleen gelaten. Het behaagde de Heere om mannen te, verwekken, mannen van naam en wetenschap, die hen zouden aanvuren en aanvoeren in de strijd tegen de geest der eeuw, op 't gebied van de staat, van de kerk en van de school.

Daar was in de eerste plaats mr. Willem Bilderdijk (1756—1831), een beroemd Ned. Taalgeleerde, taaikenner, geschiedschrijver en dichter. In de tijd van de Bataafse republiek werd hij verbannen, maar keerde onder de regering van Lodewijk Napoleon (1806—1810) in 't vaderland terug. Hoewel overtuigd van z'n buitengewone bekwaamheid heeft men hem echter nooit voor enig hoog ambt in aanmerking laten komen, hij werd altijd gepasseerd. Zelfs toen Koning Willem I hem de aangewezen man achtte als hoogleraar aan het Amsterdamse athenaeum, om taal en geschiedenis te doceren, was de Amsterdamse stadsregering zo bang om dit , , gevaarlijk sujet" te benoemen, dat ze hem links lieten liggen en in de vacature iemand kozen, die nooit enig bewijs had geleverd van bizondere belangstelling in onze taal of in onze geschiedenis.

In 1817 ging hij naar Leiden en daar verzamelde zich een kleine kring van studenten om hem heen, die hem verzochten hun les te geven in de Nederlandse geschiedenis. Daaraan heeft hij gaarne gehoor gegeven. Zo kreeg hij gelegenheid om aan zijn leerlingen de aloude beginselen in te prenten. En zijn lessen werden met grote geestdrift ontvangen. Met kracht viel hij de dwalingen aan, die heersten in kerk en school en staat. Ja, ook in de school. Het neutrale onderwijs was hem een ergernis. Niemand kan immers op het stuk der beginselen neutraal zijn ; de neutrale school moet noodwendig worden een anti-christelijke school. , , Men spreekt" zo schreef en sprak hij, „tegen het kind van de schandelijkheid van het bijgeloof en tekent hem rechtstreeks of van terzijde het Christendom als zodanig en hij leert het belachen en haten, eer hij weet wat het is en alleen om niet zelf belachelijk te zijn. Men praat hem van oordelen en leert hem niets kennen, omdat men hem God niet leert kennen en slechts relatieve waarheid als wezenlijk aanbiedt en men verdierlijkt aldus de geestelijke vatbaarheid tot lichamelijk misbruik. Ziedaar de gevolgen, waar de godsdienst 't beginsel der kennis niet is".

Deze taal was duidelijk genoeg. Echter kwam het niet tot een algemeen ontwaken van ons volk. Wel hebben vele kleine luiden hem gedankt, voor wat hij deed tegen de machten van het ongeloof. Uit zijn Leidse kring zijn echter de mannen voortgekomen, die later het werk van Bilderdijk hebben voortgezet, zij hebben het ontwaken van het volksgeweten beleefd.

Onder hen noemen we mr. I. da Costa, een zoon van Israël, die 18 October 1822 in de Pieterskerk te Leiden werd gedoopt. In 1823 zag een geschrift van zijn hand het licht onder de titel : „Bezwaren tegen de geest der eeuw". Dat was voor het overgrote deel van het Nederlandse volk toch iets onbegrijpelijks. Hoe kon iemand nu toch in alle ernst bezwaren hebben tegen de manier waarop alles reilde en zeilde. Alles ging immers best. Leven en laten leven! Verdraagzaamheid vóór alles. Daar komt nu zo'n onbekende schrijver en die heeft nu letterlijk bezwaren tegen alles. Tegen de godsdienst, tegen de zedelijkheid, tegen de verdraagzaamheid en menselijkheid, tegen de schone kunsten, tegen de wetenschappen, tegen het onderwijs. Ja, tegen wat niet al.

Hoe durft hij het bestaan ! Toen men echter hoorde, dat hij een leerling was van Bilderdijk was dit voldoende om hem ook in de algemene verachting van Bilderdijk te doen delen. , , Het zal een weldaad zijn voor de heer Da Costa", zo oordeelde een recensent, zo de Natie dit boekje vergeet". En een ander verklaarde : „We hebben ons reeds te lang met dit ellendige uitbroeiseltje opgehouden, hetwelk te bespottelijk is, om er ernstig, maar omdat het nu eenmaal zo veel opspraak heeft gemaakt, tevens van een te gevaarlijke strekking is, om er slechts in een vrolijke luim van te gewagen".

In het zelfde jaar 1823 schreef Bilderdijk een vlugschrift, waarin hij Da Costa's , , Bezwaren" toelichtte en op het titelblad daarvan stonden deze bemoedigende woorden : , , Vrees niet, want die bij ons zijn, zijn meerder dan die bij hen zijn".

Hoor wat Da Costa antwoordde :

Neen Bilderdijk, wij siddren niet, Schoon hel en wereld woede! Schoon Satan knarsetande van ons lied. Wij zingen 't in Gods hoede! O welk een glorie, welk een heil! De kruisvaan mag ik dragen.

'k Heb alles voor mijn Heiland veil. Ik durf de aanval wagen Ik plant het vaandel op het slot, Dat d' Eeuwgeest dorst bezetten .'

't Is niet te zeggen hoevelen door Da Costa's woord tot wederkeer zijn gebracht. Naast al de smaad en verguizing die hem van het , , verlichte" Nederland ten deel viel kwam de liefde en de dankbaarheid van zovelen onder de kleine luiden, voor wie hij het middel werd om hen te bemoedigen en te sterken, of om hun de ogen te openen voor de geest der eeuw, maar ook voor de Waarheid naar de Schriften.

In zijn bezwaren tegen het onderwijs kiest hij onomwonden partij tegen de geest, die het onderwijs beheerst. Hij herinnert aan het beginsel, waarvan de vaderen uitgingen bij het onderwijs aan hun kinderen en in dat zelfde beginsel ziet hij ook nu het enige heil voor de opvoeding van de jeugd.

„Bouwt scholen, waar het Evangeliezout van on- en bijgeloof een dierbre jeugd behoudt!"

Er waren nog anderen uit de „school" van Bilderdijk.

Dr. A. Capadose, ook een Israëliet, en vriend van Da Costa, die tegelijk met hem gedoopt werd. Ook hü wijdde zijn aandacht aan de kerk, onder het Synodale juk van 1816, aan de Zondagsscholen, aan de Evangelisatie, aan de strijd voor de Scholen met de Bijbel.

Dan Willem de Clercq, maar waartoe nog meer.

Eén mag echter niet onvermeld blijven : de grote Christenstaatsman mr. G. Groen van Prinsterer (1801—1876). Hij was wel een van de voornaamsten, die een kloek en fier getuigenis uitgaven van Christus hun Koning, wier geloof werd bespot of.... benijd, maar wier hart van liefde gloeide voor een verloren wereld en die in de kracht des Heeren alles hebben gedaan, om te trachten die wereld te brengen aan de voet van het kruis, het kruis van Christus.

„Tegen de revolutie het Evangelie", dat werd Groen's lijfspreuk. En dan 't woord revolutie niet beperkt tot de omwenteling in Frankrijk in 1789, maar als het geheel der satanische, machten die de afval van God en het vertreden der heilige orde in hun vaandel hadden geschreven. En het woord Evangelie niet opgevat in de zin van de Groninger school, van vrede en verbroedering in Staat en Kerk, maar als de prediking des heils voor een van God afgevallen wereld, als prediking des heils in en door de Heere, Jezus Christus, de Middelaar Gods en der mensen.

Die prediking gold ook de kinderen. Daarom was Groen ook de man van de School met de Bijbel.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's