MOZES IN SCHEUR
„Dies Hij zeide, dat Hij hen verdelgen zou, ten ware Mozes, Zijn uitverkorene, in de scheur voor Zijn aangezicht gestaan had, om Zijn grimmigheid af te keren, dat Hij hen niet verdierve". Psalm 106 vs. 23.
Een scheur is iets, dat erg is. Denk aan een scheur in uw nieuwe pak ! Wat is het erg als de wereld, de kerk, een gezin verscheurd wordt, 't Is erg, als de muren van uw huis gaan scheuren ; wel heel erg als we iemands hart scheuren. Nu lezen we dat Mozes stond in een scheur voor het aangezicht des Heeren.
Om dit te verstaan moeten we letten op het tekstverband. De Heere was Israël tot een Heiland door Zijn wondere, verlossende daden. Het behaagde Hem dit volk, dat in niets zich gunstig onderscheidde van andere volken, genadig te zijn.
Daarom sloot Hij met hen een verbond, gaf Hij hun Zijn wet als regel van dat genadeverbond. Als we het over de berg Horeb hebben, waar de Heere die wet gaf, dan denken we daar misschien niet zo aan, dat het de Heere hier behaagt genadig te zijn. De Heere is heilig ! Daar spreken donder en bliksem van, en dat is ook zo, maar het één is van het ander niet te scheiden. Gods genade, waardoor Hij Zich ontfermt over hetgeen niets is, is een heilige genade, maar in die heiligheid is ze dan ook volop genade. Gods genade een heilige genade ! Hoe blijkt dat, als Mozes na veertig dagen afdaalt van de berg.
Het volk heeft een gouden kalf gemaakt, afgoderij gepleegd, het heeft het Verbond gebroken, het Verbond, waarin de Heere ze belooft een Heiland te zijn. Dat is nu de scheur, waarvan in onze tekstwoorden gesproken wordt.
Israël heeft het verzondigd. De Heere is daarom toornig op het volk. Hij heeft gezegd tot Mozes : , , En nu, laat Mij toe dat Mijn toorn tegen hen ontsteke, en hen vertere". Dat is de scheur ! Een vreselijke scheur ! Een scheur tussen God en het volk, door de zonde, door eigen schuld ! Dat is ook de scheur van de wereld, die van God afgevallen, naar het woord van Paulus verdoemelijk voor God is, m.a.w. ze ligt onder het oordeel van God. En dat is de scheur ook van ons leven, dat we kinderen des toorns zijn. Welnu, het is in die scheur, als het over het volk Israël gaat, dat Mozes gaat staan.
Zoals een dapper soldaat zich stelt in de bres van een doorgebroken muur, zo plaatst Mozes zich in de breuk, die Israël zelf geslagen heeft. Welk een liefde, welk een zelfverloochening. De Heere heeft Mozes beloofd tot een groot volk te maken, inplaats van Israël, en aan zijn zaad het land Kanaan te geven.
Maar Mozes wil dat niet. Wat hij wél wil dat is, dat de breuk genezen worde. Daarom gaat hij als een voorbidder voor het volk in de scheur staan voor Gods aangezicht. We kunnen dat in het boek Exodus nagaan en dan zien we, dat hij in die voorbede tenslotte zover komt, dat bij bidt:
, , Nu dan, indien Gij hun zonden vergeven zult" — O, Mozes is zo overstelpt, dat hij hier als in zijn woorden blijft steken, hij maakte de zin niet af, maar wil zeggen : dan zal het goed zijn —, , , maar zo niet" — en o, dan zien we Mozes daar staan in de scheur voor Gods aangezicht in de plaats van zijn volk — „och, Heere, voltrek dan Uw oordeel aan mij, wil mij dan straffen".
En Mozes weet wat voor straf dat is, want Mozes weet wat het boek des levens is : „Zo delg mij nu uit Uw boek, hetwelk Gij geschreven hebt". Zoals Paulus later wel wenste van Christus verbannen te zijn voor zijn broeders, die zijn maagschap zijn naar het vlees, zo wil Mozes de plaats van zijn schuldige volk innemen onder het oordeel Gods.
Hoe zien we hier zichtbaar worden een vrucht van die liefde, welke het offer brengt van eigen leven, een liefde welke nooit te verklaren is uit Mozes zelf, want wie was hij, een zondig mens, maar alleen uit de liefde van God, welke uitgestort was in zijn hart en daarin krachtig werkte door de verdienste van Hem, Die in de volheid des tijds in de scheur van onze zonde ging staan voor Gods aangezicht, als schuldbetalende Borg.
Denk hier bijzonder aan Gethsémané en Golgotha : Hij voor ons, daar wij anders de eeuwige dood hadden moeten sterven !
Want wie zijn wij?
Hebben we het leren verstaan door ontdekkende genade?
We hebben de dood verdiend. En hoor Hem nu in Gethsémané: Doch niet gelijk Ik wil, maar gelijk Gij wilt! Hij laat zich binden, wegvoeren, schuldig verklaren, omdat Hij wil staan in de scheur, in de plaats van Zijn schuldig volk. En de Vader wil het ook. Dit offer kan Hem behagen, want het is een rein offer.
Mozes kon de plaats van Israël niet innemen. Hij was ook zelf een zondaar, kon Gods recht niet bevredigen. Maar Christus kon het wél. Hij was zonder zonde en bovendien ook waarachtig God, maar in ons vlees geopenbaard als de tweede van God gegeven Adam, om onze plaatsvervanger te zijn voor Zijn aangezicht in de scheur, en als zodanig heeft Hij zó volledig voldoening geschonken aan de eis van Gods recht, dat de Heere niet meer toornig is.
Aan die Christus is het te danken dat Mozes bidt, niet ophoudt te bidden, dat Mozes verhoord wordt, dat God op Mozes' bede het volk genadig is. Aan die Christus is het te danken dat er ook nu nog een genadige God is voor een arm zondaar. Maar dan in de weg van Mozes ! Dat we in de scheur terecht komen !
Verstaan we het?
De zonde heeft een diepe scheur getrokken tussen God en ons. Dat heeft z'n gevolgen naar buiten in allerlei scheuren, in ons leven, in de kerk, in de wereld, in de samenleving. Is ons dat tot schuld geworden? Dat is nodig voor de wereld van vandaag, voor de kerk van vandaag en voor ieder onzer persoonlijk.
Zo was het niet alleen met Mozes, maar ook met de dichter van Psalm 106. Hij staat zo echt in de scheur van het volk, voor Gods aangezicht, als hij belijdt : „Wij hebben gezondigd, mitsgaders onze vaders". God brengt Zijn volk in de scheur ; op de plaats waar de zonde, bedreven is, wordt ze beleden en bestreden. Maar dan doet Hij ons ook roemen in Zijn genade met de woorden van de Psalmdichter : „Hallelujah, loof de Heere, want Hij is goed, want Zijn goedertierenheid is in eeuwigheid !"
Ja, in eeuwigheid, in Jezus Christus Zijn Zoon, door Hem als Middelaar !
Let daar wèl op ! Buiten Hem is geen leven, gaan we verloren onder het rechtvaardig oordeel Gods. De Heere zegt het ons, opdat we ons zouden verootmoedigen. Wat draagt dat een heilrijke vruchten, want waar we in de scheur voor Zijn aangezicht niet kunnen bestaan, daar bewijst de Heere genade, daar laat Hij Zich verbidden, daar geeft Hij Zijn Heiige Geest, Die Christus verheerlijkt, Die ons in Hem doet geloven en volharden als een Mozes. Nooit kunnen we de Heere daar genoeg voor danken. Want alleen in Christus, door het geloof, weten we ons uitverkoren, in Hem alleen zijn we rechtvaardig voor God, is de scheur geheeld en de breuk genezen, in Hem alleen leren we wat liefde is, de liefde van Christus die ons dringt om als een Mozes te bidden ook voor anderen. Dan weten we óók wat het is om anderen op te wekken. „Geloofd zij de Heere, dé God van Israël, van eeuwigheid en tot in eeuwigheid ; en al het volk zegge : Amen, , , Hallelujah".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's