De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEZWAREN WEERLEGD

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEZWAREN WEERLEGD

6 minuten leestijd

Een vorig maal werd getracht een schriftuurlijke verklaring te geven van het ambt van regeer-ouderling. In de gouden eeuw hadden sommigen hiertegen wel enige bezwaren. Ik geloof niet, dat deze, bezwaren thans zeer actueel zijn. Ik geloof zelfs, dat zeer velen generlei interesse hebben èn voor de fundering èn voor de bezwaren. Ik meen echter ook, dat dit nu niet zo'n gunstig teken is voor de daarin tot uiting komende geestesgesteldheid. Er werden in de gouden eeuw in de discussie hieromtrent soms toch wel belangrijke opmerkingen gemaakt, die ook voor onze tijd niet geheel zonder enige betekenis zijn. Daarom wagen we het er maar op, een en ander uit deze discussie hier weer te geven.

Hugo de Groot voerde als bezwaar aan, dat zij maar een of twee jaren ouderling waren (zoals toen de gewoonte was). Hierop werd geantwoord, dat men wel wenste, dat er overal mannen waren te vinden, die dit ambt gedurig zouden waarnemen. En Rivet antwoordt, dat het niet nodig is, dat ze gedurig zijn en dat er geen apostolische regelen zijn, die dit voorschrijven. En wanneer er mannen zijn, die hun ambt getrouw en om niet waarnemen, is het billijk, dat er na verloop van tijd anderen in hun plaats komen, opdat zij niet te veel bezwaard worden.

Wij komen hier in aanraking met het vraagstuk van de zittingsduur der ouderlingen. De nieuwe kerkorde heeft hier enige beperking willen aanbrengen door te bepalen, dat iemand ten hoogste tweemaal herkozen mag worden. Blijkbaar had men bezwaar tegen het zitten voor het gehele leven. De, Dordtse Kerkorde schreef in art. 27 voor : De ouderlingen en diakenen zullen twee jaren dienen ; en ieder jaar zal het halve deel veranderd en anderen in de plaats gesteld worden, ten ware de gelegenheid en het belang van enige kerken anders vereiste.

Koelman is van mening, dat de practijk der eerste kerk niet was iemand anders dan voor zijn leven tot kerkelijke bediening te roepen, ten ware hij tot een hoger ambt verhoogd werd. Nergens lezen wij, zegt Koelman, dat iemand voor een tijd alleen tot een kerkelijk ambt geroepen is, en dat hij daarna weer tot zijn oude staat gekomen is.

Essenius heeft echter geen bezwaar tegen de regeling der Dordtse Kerkorde, want het tegendeel is niet in de Heilige Schrift bepaald : de ouderlingen moeten niet te veel bezwaard worden ; de kerkelijke macht moet niet schijnen tot weinigen bepaald te worden.

Voetius wijst er op, dat in de Nederlandse Kerk te Londen de ouderlingen nog voor hun leven zijn ; ook nog in Groningen. Hij voelt er echter niet veel voor, de ingevoerde gewoonte te veranderen ; alleen wil hij wel van de 2 jaar er 3, 4 of 5 maken.

In Schotland plachten de regeerouderlingen voor hun leven verkozen te worden.

Een ander bezwaar was: de ouderlingen zijn voor een deel ongeleerde, eenvoudige mensen, weetnieten.

Daarop werd geantwoord: het is jammer als er zulken gevonden worden ; er zijn ook veel predikanten, die te weinig weten, om hun ambt goed te bekleden. Doch het gaat hier niet om een of andere persoon, maar om het ambt van ouderling. Het is ook onjuist, dat allen zo zijn ; er zijn ook geleerde ouderlingen. En al hebben de meesten geen schoolgeleerdheid, het is genoeg, zo zij in de H. Schrift en de verborgenheden des geloofs wel geoefend zijn, en grondige kennis van de regering der kerk hebben.

Als derde bezwaar werd genoemd : de ouderlingen zijn dikwijls de geringsten van het volk, van het eenvoudigste slag : kleermakers enz.

Geantwoord werd : dat er soms geen groten, geen edelen, geen geleerden verkozen worden, maar handwerkslieden, huislieden enz., daarvan is dit de oorzaak, omdat er onder de eerste soort geen stof is van lieden, die de waarheid belijdende, de gewone lieden evengelijk zijn in geestelijke kennis, voorbeeldige vroomheid en ijver. De apostelen en de 70 discipelen waren maar van het eenvoudigste slag ; doch daarom was hun ambt niet verachtelijk.

Een vierde bezwaar: de regeer - ouderlingen zijn onnut, dewijl toch de leraars alles doen of doen kunnen.

In onze tijd zal dit bezwaar niet zo snel meer geopperd worden. Toen werd geantwoord : De Heere heeft ze niet onnut geoordeeld en de ervaring leert het tegendeel. Voetius acht ze zeer nuttig en voor het welwezen der kerk noodzakelijk. Ik sta wel toe, zegt hij, dat zij voor niemand onnutter schijnen, dan die weinig zorg dragen voor de volkomenheid der kerk, of die wat nieuws in de zin hebben, of die ongeregeld van leven zijn. Maar alle vrome predikanten, alle kerken erkennen gaarne de goddelijke zegen, die op deze regering overvloedig is uitgestort.

Dan wordt er gezegd, dat de ouderlingen staan naar overheersing en meesterschap, zelfs over de leraars, en dat is onverdragelijk. Zowel toen als nu kan geantwoord worden, dat goede ouderlingen dat niet doen en dat goede predikanten daar niet voor vrezen, zo zij maar zelf het geloof en een goed geweten zoeken te behouden. De ouderlingen dienen als het bekwaamste middel om te hinderen en te stuiten de pogingen van die leraars, die de eerste willen zijn, en tirannie in de kerk willen oefenen. Voetius zegt: Ik heb tot nu toe niet kunnen zien, hoe zonder deze orde van ouderlingen, op een andere wijze de heerschappijvoering en tirannie kan voorkomen worden. Want van die tijd af, dat die ouderlingen hebben opgehouden te zijn, heeft het alles in vlam gestaan door enkele twistingen en ondermijningen, om de hoogste stoel, te bezitten, door jaloeziën en eigenzinnigheden van bisschoppen en leraren, en zo eindelijk door ongeregeldheden en nieuwigheden in het geloof, de zeden en tucht.

Tegenover de twijfel of de regeerouderlingen wel in staat zijn om te regeren, wordt, wederom het oordeel van Voetius in herinnering gebracht: Het is er zoverre vandaan, dat er verwarring en verbreking van alle regering door komt, dat in tegendeel nergens meer de zuiverheid der leer, de oprechtheid des levens en der zeden, de oefening der tucht, de voortzetting van het Evangelie, de vergadering en toeneming van de kerk in zwang gaat ; nergens meer zijn ware herders, die op het Woord, op zichzelven en op de gemeente acht nemen, dan waar de orde en autoriteit der ouderlingen meest ongeschonden gehouden wordt. Ik doe er bij, dat ook nergens mindere nieuwigheden, veranderingen, opschuddingen, onrechtzinnigheden, scheuringen, twisten en ergernissen zijn. Ik zoude durven zeggen, dat in de Nederlandse kerken nooit enige beroerten, nieuwsdrijvingen, ongeregeldheden, verdeeldheden zijn ontstaan, dan nadat de wettige autoriteit van de ouderlingen kleingeacht of verminderd of weggenomen was. Zolang als Arminius te Amsterdam was, werd hij door de Voorzienigheid en het gezag van de kerkeraad zo binnen de palen gehouden, dat zijne nieuwigheden niet openlijk uitbraken, of immers niet zo in zwang gingen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BEZWAREN WEERLEGD

Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 september 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's