RONDOM DE RECHTVAARDIGING
III.
Het geloof. Welke plaats heeft dit dan, zo kan men zich afvragen, in het stuk der gerechtigheid.
De reformatorische belijdenis aangaande het geloof luidt, dat het een instrument is en dat het door het geheimnisvolle werk van de Heilige Geest, door de verkondiging des Evangelies, in de harten gewerkt wordt.
De Nederlandse geloofsbelijdenis zegt, dat het geloof een instrument is, waarmede wij Christus, onze rechtvaardigheid, omhelzen. Het geloof zelf rechtvaardigt dus niet, het is geen factor dat in de rechtvaardiging enig gewicht in de schaal legt. Het geloof leeft zelf geheel en al van de genade en daarop richt het zich. Instrument is het, meer niet en minder niet. Jezus Christus alleen en Jezus Christus uitsluitend, zo belijdt de kerk des Heeren, is onze Rechtvaardiging.
Toch, en dit is niet tegenstrijdig met hetgeen we zo juist opmerkten, toch kan er van een rechtvaardigend geloof gesproken worden, evengoed als van een zaligmakend geloof.
, , Het geloof rechtvaardigt", zo zegt Calvijn in zijn Institutie, , , omdat het de in het Evangelie aangeboden rechtvaardiging aanvaardt en omhelst". En zo getuigt hij elders : , , Wij zijn alleen dan geschikt om de genade Gods aan te grijpen en te behouden, wanneer we het vertrouwen op onszelf geheel en al weggeworpen hebben en alleen vertrouwen op de gewisheid Zijner goedheid".
Gods rechtvaardiging draagt een souverein karakter, is een souvereine daad Gods. Als zodanig wordt het door het geloof aanvaard. Het sola-fide, door het geloof alleen, is onlosmakelijk met het sola gratia, door Genade alleen, verbonden. Alle menselijke hoogten, hoe vroom ze ook mogen schijnen, worden temeer geworpen en alleen blijft over de volle rijkdom van het Evangelie van Gods genade in Christus Jezus. Het ware geloof begint met boetvaardigheid en zonder boetvaardigheid zal het geloof nimmer zijn. In de vrijspraak der rechtvaardiging staat Gods kind niet als iemand die boven het gericht uit wil komen, doch hij erkent, door Gods geest overtuigd, de rechtmatigheid van het gericht. Zo leert hij zich dan voor Gods rechterstoel als een goddeloze kennen, om te ervaren dat God de goddeloze rechtvaardigt.
Maar — en laten we dit nooit vergeten — het geloof is geen onverschillige zaak. Het blijft noodzakelijk, 'omdat de Heere in de weg van geloof en in de weg van boete de mens rechtvaardigt. De roeping tot geloof gaat uit. Hoe nadrukkelijk wijst de Heilige Schrift er ons op, dat het zonder geloof onmogelijk is Gode te behagen. „Indien gijlieden niet gelooft, zekerlijk, gij zult niet bevestigd worden". Met zoveel klem bepaalt Gods Woord ons bij de, noodzakelijkheid van het geloof, alsof alles alleen op het geloof schijnt aan te komen. „Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, die zal het leven niet zien in der eeuwigheid". En Paulus getuigt dat het God behaagd heeft door de dwaasheid der prediking, zalig te maken die geloven.
Hebben de aarts-vaders niet gewandeld door het geloof? En is het de verhoogde Middelaar niet, Die voor al de Zijnen bidt dat hun geloof niet ophoude? En wie zal van het geloof de kracht, de mogelijkheden en de waardij in woorden kunnen uitdrukken? Hierin komt vooral de waarde van het echte geloof uit, dat het eigen waarde uitsluit en ten volle erkent en eerbiedigt de souvereine genade Gods.
Is het daarom wonder, dat de gelovigen steeds weer door Gods Woord opgewekt worden om zichzelf op te bouwen in het allerheiligst geloof?
Het ware gejoof is uitsluitend op Jezus Christus gericht, op Zijn genade en openbaart zich in een totale overgave en een zich verlaten op de Heere. Daarom spreken de Dordtse Leerregels niettegenstaande ze zich zo scherp verzetten tegen het remonstrantisme, toch zonder enige terughouding van het rechtvaardigend geloof.
Sola fide — door het geloof alleen. Sola gratia — uit genade alleen. Soli Deo Gloria — Gode alleen de eer. Zijn Naam alleen moet ook in het stuk der rechtvaardiging, eeuwig eer ontvangen, omdat alles, maar dan ook alles, uit Hem is.
Wanneer we met de belijdenis van de rechtvaardiging door het geloof nog even midden in onze tijd gaan staan, dan moeten we helaas constateren, dat er in onze dagen schier geen besef van schuld en geen bewustzijn van de schrikkelijke toom des Heeren over de zonde, gevonden wordt. De Romeinen, hoewel een heidens volk, hadden het bekende gezegde ; , , Dat de gerechtigheid haar loop hebbe, al zou de wereld er bij ten onder gaan". Maar in onze dag struikelt de gerechtigheid op de straten, ook helaas op de kerkpaden, tot in het Huis des Heeren toe. Om gerechtigheid bekommert men zich niet meer, óok niet om de gerechtigheid Gods. Vandaar dat er ook zo weinig behoefte is aan verzoening.
Een kenmerk van onze, tijd is, dat men ontkent Gods strafvorderende gerechtigheid. „Sion wordt door recht verlost", blijkt men vergeten te zijn. Men raakt steeds verder, ook onder kerkelijke mensen, van de Schrift vervreemd.
En in het gunstigste geval blijft het meestal nog maar bij een verstandelijk aannemen van bepaalde waarheden. Doch waar het op aankomt is, dat men deel heeft aan de troostvolle werkelijkheid die in de belijdenis van de rechtvaardiging door het geloof alleen, ligt opgesloten.
In de na-reformatorische tijd is dit leerstuk helaas meer op de achtergrond gekomen. Doordat het leven des geloofs was gaan verdorren en daarvoor in de plaats kwam een dorre verstandelijke kennis, ging men de nadruk leggen op de noodzakelijkheid van het bevindelijke leven. Volkomen overeenkomstig de Schrift. Maar in de practijk kwam het langzamerhand zover, dat het geloof de centrale plaats ging verliezen, dat de geloofsbetrekking tot Christus niet meer als het voornaamste werd beschouwd, doch de leer der wedergeboorte eigenlijk de rechtvaardiging door het geloof ging verdringen. De nadruk werd meer gelegd op het „anders" moeten worden, inplaats van dat men van een , , Ander" moet worden, n.l. het eigendom van Christus. Alle lijnen van het geestelijke leven dreigden daardoor samen te gaan komen in het ene centrum : het wedergeboren leven, dus een gericht zijn op de begenadigde mens, inplaats van op het enige Steunpunt en Rustpunt des geloofs : Jezus Christus.
Zonder wedergeboorte zal het niet gaan.
Zonder bevindelijk leven evenmin. Maar wedergeboorte en bevindelijk leven zullen, wanneer het geestelijk leven welgesteld is, zich hoe langer hoe meer gaan richten op de volheid van genade in Christus Jezus geopenbaard, zodat het waar gaat worden : de rechtvaardige zal uit het geloof leven. Of zoals er elders staat geschreven : Gij staat door het geloof. Zulk een geloof zal ook niet ledig of onvruchtbaar laten, doch Godverheerlijkende vruchten voortbrengen.
Het kan niet dik genoeg onderstreept worden, hetgeen ds. v. Sliedregt in ons blad daarover schreef, n.l. dit o.a. : „Als de rechtvaardiging centraal staat, dan wordt de souvereiniteit en vrijheid Gods juist het meest geëerbiedigd in de heenwijzing naar Christus, opdat de ziel daar moge komen, opdat zij God vrij late en toch niet los kan laten. Daar zal Christus worden verheerlijkt. Immers, wie God waarlijk vrij leert laten, die wordt gezaligd. God heeft Zich met eerbied gesproken in Zijn vrijheid gebonden aan Zijn Woord, dat Hij de goddeloze rechtvaardigt. Dat bij het centraal stellen van de rechtvaardiging de bekommerden op niet genoegzaam tere en vertroostende wijze zouden worden geleid, moet ten sterkste worden ontkend. Deze gedachte kan alleen opkomen vanuit een te centraal stellen van de wedergeboorte. Ja, het leven, spreken en de zielszorg vanuit de rechtvaardiging, is wel een dodelijke ergernis voor ieder, die op zijn eigen krukken wil blijven voortstrompelen en zichzelf zo in het leven zoekt te behouden, doch de waarlijk bekommerde van hart wordt er door onderwezen, geleid en ook vertroost, want zijn hart wordt van zichzelf af gericht op Christus, in Wie alleen Gods deugden verheerlijkt worden. Dat leert hem zichzelf veroordelen, doch ook uitzicht krijgen op Gods heil en werkzaam zijn met de belofte naar Christus heen, opdat de gerechtigheid des geloofs de grondslag des harten worde voor God. Er zijn overvloedig rijke en lokkende heilstoezeggingen, die vanuit Christus de bekommerde vanwege zijn zonde en het naar heil, dorstende hart tegemoet komen. Hoe kan men dan zeggen, dat de bekommerden niet genoegzaam vertroostend geleid worden ? Juist zo worden ze waarlijk geleid en ontvangen ze vaak veel vertroosting uit Christus, waardoor ze des te meer in hun verlegenheid naar God in Christus gaan dorsten, hun gemis verstaan en onderhandelingen met Jezus aanknopen om door de Deur in de stal der schapen gebracht te worden. Want, zo verstaan ze, wie door Hem ingaat, die zal behouden worden.
Wij menen, dat het ook voor het geestelijk leven in onze gemeenten grote winst zou brengen, als dit leven, denken en spreken vanuit de rechtvaardiging, hetwelk toch zo bijzonder het kenmerkende is van het reformatorisch getuigenis, meer onder ons gevonden werd."
Tot zover ds. v. Sliedregt. Woorden om ter harte te, nemen en tot leiddraad te dienen voor ons geestelijk leven.
We gaan eindigen, ofschoon we er ons van bewust zijn dat we eigenlijk nog maar iets gezegd hebben over de rechtvaardiging door het geloof, omdat hier zulk een wijd veld voor ons ligt. Moge dit weinige echter dienstbaar zijn, om ons er van te doordringen dat de belijdenis van de rechtvaardiging door het geloof van zulk een grote betekenis is voor het welzijn van het leven des geloofs. Dit leerstuk nam dan ook bij de reformatoren en bij de beste van onze oud-vaderen een centrale plaats in. Niet om aan het geloof op zichzelf enige waarde toe te schrijven. Calvijn zegt immers zo terecht in zijn institutie : , , Want wat de rechtvaardigmaking betreft, het geloof is een zuivere passieve zaak, niets aanbrengend van onszelf tot het verwerven van Gods genade, maar van Christus ontvangende, wat ons ontbreekt."
En op een andere plaats zegt hij : „Maar God wil toch dat we altijd zien op de genadige verkiezing, die de bron en het begin is."
Zo blijft, juist wanneer we de rechtvaardiging door het geloof centraal stellen, alleen dit getuigenis over: het is alles uit Hem. God stapelt genadegiften op genadegiften.
Het leven des geloofs is een leven in en uit Christus, in gebondenheid aan Gods Woord.
In de toepassing des heils hebben we te belijden het eenzijdige genadewerk des Heeren. Maar dit neemt niet weg dat wij persoonlijk ons steeds weer voor Gods Aangezicht de vraag hebben te stellen : hoe staat het met ons geloof in Christus, de verzoening met God en de vergeving onzer zonden ?
Welzalig hij, wiens zonden zijn vergeven
Welzalig hij, die met Paulus in mag stemmen : Die Geest getuigt met onze geest, dat we kinderen Gods zijn.
In deze weg toch wordt gesmaakt zielevrede, zieleweelde, blijdschap des geloofs en de overweldigend rijke troost van de rechtvaardiging door het geloof alleen.
Is het te verwonderen dat de psalmdichter dezulken opwekt : ;
Rechtvaardig volk, verheft uw blijde klanken, Verheugd in God, naar waar de nooit te danken, Zingt vrolijk, roemt Zijn deugden t' allen tijd, Gij die oprecht van hart en wandel zijt.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's