HET GEZAG DER BELIJDENISGESCHRIFTEN
VII.
Telkens opnieuw belijden.
Heel erg duidelijk is men in het algemeen op dit punt niet.
Het enige, wat valt op te merken, schijnt wel de verwachting, dat als de kerk opnieuw zou formuleren, wat zij gelooft...
Neen, dat gaat niet ! Het zit al weer vast op de 'belijdenis zelf, op het gebruik van het woord , , kerk". Welke kerk ? Waar is de kerk, die in staat is „opnieuw" te belijden ?
Zó kunnen wij dus niet spreken, zonder de verwarring nog groter te maken. Wat zal de tegenwoordige vergadering van groepen, wier geloof mijlen ver uit elkander kan liggen en ligt, wat zal de tegenwoordige vergadering, die men met de naam , , kerk" aanduidt, , , opnieuw belijden ? "
Gesprekssamenkomsten kunnen daarop een antwoord geven. Het waarachtig geloof is trouwens geen zaak van overreding.
Welk een vreemdsoortige , , belijdenis" zou er voor de dag komen, als al die mensen uitdrukking zouden geven aan wat zij geloven, b.v. aangaande het goddelijk gezag der Heilige Schrift, aangaande de heilsfeiten, enz. Het zou waarlijk een Babylonische spraakverwarring zijn.
Dat voelt trouwens iedereen die oog heeft voor het verband van kerk en belijdenis. Wie kerk zegt, zegt geloofsgemeenschap, en wie geloofsgemeenschap zegt, zegt belijdenis. Hoe anders zal men weten, dat men uit een gemeenschappelijk geloof leeft ? Hoe anders kan men in dat gemeenschappelijk geloof aan elkander verbonden zijn als leden van Christus' lichaam? Hoe anders zou de gemeenschap der heiligen een levende werkelijkheid kunnen zijn ?
De belijdenis is wel eens accoord van gemeenschap genoemd. Wij ontkennen niet, dat daarin ook iets van een functie der belijdenis is gegeven, mits men dit niet verklare als een contract. Het accoord is namelijk met de gemeenschap des geloofs gegeven. Men ontdekt eenzelfde geloof deelachtig te zijn. Het accoord wordt niet gemaakt, maar het is er !
Heel dicht daarbij ligt een nieuwe functie der belijdenis. Zij heeft met name als uitdrukking van het gemeenschappelijk geloof een normatieve betekenis. Als uitdrukking van het geloof der gemeente functioneert de confessie als norma. Aan de leden der gemeente wordt door de belijdenis het geloof der kerk voorgesteld en voorgehouden, opdat zij hun persoonlijk geloof daarop richten.
Zo brengt de belijdenis spanningen in het geloofsleven van de gemeenteleden. De belijdenis immers beweegt zich op een hoog niveau van geloof. In verschillende punten zo hoog, dat kinderen en nieuwelingen in het geloof er niet bij kunnen, zodat zij door de belijdenis worden aangedreven tot oefening in het geloof.
Wie deze functie voor ogen houdt, zal begrijpen, dat de belijdenis een objectieve waarde en een objectief gezag heeft. Een objectieve waarde als uitdrukking van het Christelijk geloof, gelijk dat in de gemeenschap der kerk, waartoe men behoort, leeft. En een objectief gezag, omdat men in dat gemeenschappelijk geloof terugvindt het geloof, dat ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld en — omdat het derhalve overeenkomt met het onderricht van Woord en Geest.
Op grond van de functiën, welke de belijdenis uitoefent, en van het gezag, dat haar eigen behoort te zijn, — en aan de gereformeerde belijdenis ook toekomt, ligt het voor de hand, dat kerk en belijdenis bij elkander behoren als één levende zaak.
Wie kerk zegt, zegt belijdenis — en wel gemeenschappelijke belijdenis.
Als dr. B. nu opmerkt, dat „opnieuw belijden" een daad van de kerk moet zijn, heeft hij zeker gelijk. In zeker opzicht belijdt de kerk altijd opnieuw.
En als de kerk „kerk" mag heten en voorzover zij recht kan doen gelden op die, titel, belijdt zij en belijdt zij gemeenschappelijk.
Het zal wellicht duidelijk geworden zijn, dat men — gelet op de situatie, waarin de kerk verkeert, al heel weinig vei-wachting kan hebben van een , , opnieuw belijden".
En hoe moet het daartoe komen ?
Dr B. denkt aan punten en een periode, waarop en waarin , , de nood dringt".
Zonder dr. B. daarvan te beschuldigen, moet ik toch opmerken, dat het woord „nood" door vele scribenten erg gemakkeijlk en goedkoop wordt gebruikt.
Dr. B. gaat op die nood niet nader in, althans hier niet, voor zover wij kunnen beoordelen.
Men kan het echter een noodtoestand noemen, dat zo groot gedeelte van de kerk en zovele woordvoerders in de kerk de kerkelijke belijdenis niet meer blijken te kennen en dat zovelen van de confessie gekend of ongekend niets willen weten, laat staan haar als norm van het Christelijk geloof erkennen en waarderen.
Het is een noodtoestand, dat vele ambtsdragers het goddelijk gezag der Heilige Schrift niet erkennen willen of naar hun oordeel niet erkennen kunnen gelijk de confessie der kerk dat belijdt.
Wel spreekt men van haar als bron der prediking en regel des geloofs, maar wat blijft er over van de objectieve en gemeente-opbouwende kracht, als ieder dat op zijn wijze verstaat ?
Nood kan het met recht worden genoemd, dat het waarachtig Christelijk geloof in de kerk zo weinig krachtig weïkt en in zijn saambindende en wereldoverwinnende kracht wordt belemmerd. In die nood ligt een aanklacht aan allen, die bij de kerk betrokken zijn van ongeloof, traagheid des harten, eigengereidheid en zelfzucht.
Ja, ook aan allen, die de belijdenis roemen, maar volstrekt niet minder aan hen, die van de belijdenis niet willen weten, haar als verouderd beschouwen, moderne Schriftopvattingen er op na houden, voor haar goddelijk gezag niet 'buigen, en de mond vol hebben van een opnieuw belijden, terwijl de kerk, waarvan zij dat opnieuw belijden verwachten, niet meer dan een hersenschim is.
Het „opnieuw belijden", waarvan men spreekt, heeft daar trouwens ook véél van. Met belijden heeft het eigenlijk niets meer te maken.
En nu de conclusie van dr. B. : , , Wij kunnen dus geen Kuyperianen uitwerpen, omdat zij bezwaren hebben tegen art. 36 van de belijdenis.
Dr. B. schijnt niet te weten, dat zulke Kuyperianen in de Hervormde Kerk uiterst schaars zijn. Ook de Hervormden, die waardering hebben voor dr. Kuyper en zijn werken, achten het onjuist, dat de Gereformeerde Kerken op eigen gelegenheid artikel 36 hebben besnoeid, nog afgezien, hoe zij over die besnoeiing op zich zelf denken. Bovendien werpt een gereformeerde kerk iemand nog niet uit, omdat hij bezwaar heeft tegen enig artikel der belijdenis of een onderdeel daarvan. Dat weet dr. B. ook wel. Het bezwaar zou ook gegrond kunnen zijn.
Geen Barthianen, zo gaat hij verder, omdat zij de formulering van art. 2 afwijzen.
Het heeft de schijn, alsof de Barthianen alleen maar bezwaar hebben tegen de formulering van art. 2 der Nederlandse Geloofsbelijdenis. Het zou dus mogelijk zijn, dat iemand het zakelijk eens is met de belijdenis b.v. van art. 2, doch bezwaar heeft tegen de formulering en daarom zou hij uitgeworpen worden.
Het is dan ook wel erg zachtzinnig uitgedrukt. Men zou haast geloven, dat het alleen maar om de formulering ging.
Inderdaad is het heus wel wat erger. Ook het Schriftgezag komt hier in het geding.
Geen Luthersgezinden, omdat ze de sacramentsleer anders zouden willen - , zo vervolgt dr. B. Het wordt er niet beter op. Alsof het om het even is, of men de Lutherse sacramentsleer aanhangt, of de Gereformeerde. Bovendien staan de Lutherse gezindheid en de Lutherse sacramentsleer niet los van elkander, maar in innerlijk verband. De Lutherse gezindheid, voorzover die althans in de theologie uitdrukking verkreeg was omstreeks de Dordtse Synode zo na tot de Remonstrantse genaderd, dat zij zich evenals deze laatste te Dordrecht veroordeeld achtte.
De Dordtse vaderen hebben het dan toch wel averechts verkeerd gedaan door de Arminiaanse leer te veroordelen, als wij deze redenering geloven zouden.
Ook geen „Hervormd Catholieken", omdat ze een andere ambtsopvatting hebben, wordt er door dr. B. nog aan toegevoegd.
Men ziet, dat deze „doctor ecclesiae" ruim van opvatting en zeer tolerant is. Ook hier wordt onschuldig van andere ambtsopvatting gesproken, terwijl deze opvatting, indien ze juist ware, n.b. de reformatie tot een volkomen ijdele zaak zou maken en Rome in het gelijk zou stellen.
Het is immers slechts telkens opnieuw de vraag, of en in hoeverre deze bezwaren, de bedoeling der belijdenisgeschriften, n.l. om de zin der Schrift door te geven, werkelijk aantasten, zoals dr. B. het uitdrukt.
De bedoeling der belijdenisgeschriften is volgens dr. B. dus de zin der Schrift doorgeven. Wij kunnen niet nalaten dit te weerspreken. God, de Heere houdt Zijn kerk in stand. Hij trekt de Zijnen tot de uitnemende kennis van Christus. Niemand komt tot de Zoon, tenzij de Vader hem trekke. En God zelf opent de Schrift door Zijn Geest, doet de Zijnen de Schrift verstaan in het geloof.
Zo wordt de gemeente geboren uit het Woord, als een geestelijke grootheid, die ook leeft uit het Woord, gemeenschap oefent en van haar leven getuigt in haar belijdenis. De belijdenis is dan ook veelmeer levensuiting des geloofs dan bedoeling. Maar als er van bedoeling sprake kan zijn, dan is het de onderhouding en oefening van het gemeenschappelijk geloof.
Het gaat dan ook niet aan, zoals reeds een en ander maal werd opgemerkt, de bedoeling der belijdenisgeschriften te omschrijven als de zin der Schrift in kort begrip door te geven. Nergens staat zulk een taak der kerk in de Heilige Schrift. Trouwens ook het woord doorgeven komt uit een andere gedachtenwereld en als het iets met de Schrift te maken heeft, typeert het de luidende schel en het klinkend metaal.
God zelf zorgt immers, dat Zijn Woord doet, waartoe Hij het zendt, zodat de mens geen doorgeef dienst heeft in te stellen, maar aan Zijn kerk gebiedt God te getuigen en dat doet zij in haar belijdenis.
Als men de dingen zo intellectualistisch opvat als dr. B. heeft de belijdenis feitelijk niets met getuigen te maken en dan komt het er blijkbaar weinig op aan, of men Arminiaan, Luthers, heel of half Rooms is.
De, zin der Schrift schijnt juist getroffen te kunnen worden ook al verschilt men onderling in verschillende geloofsstukken, die zo ver van elkander verwijderd kunnen zijn, als Rome en de Reformatie. Het gaat er waarlijk op lijken, dat de zin der Schrift op het niveau ligt van een Christendom boven geloofsverdeelheid.
Het is trouwens ook nog de vraag, of men van de zin der Schrift kan spreken. Is Christus de zin der Schrift, of de Godsopenbaring, de zaligheid van de mens, de ere Gods en zo kan men voortgaan om dan weer verder te vragen. De Schrift en haar zin stelt een dualisme tussen de Schrift en wat zij naar iemands inzicht in een greep of hoofdsom te zeggen heeft.
De Schrift zelf spreekt niet van het verstaan van haar zin. Maar de Schrift zelf spreekt bepaaldelijk over bepaalde werken Gods, over Zijn geboden en inzettingen, enz. En zij verstonden nog de Schriften niet, dat Hij moest opstaan. De Schrift zegt...... en een andere Schrift zegt Altijd gaat het over bepaalde Godspraken, bepaalde feiten en bepaalde verbanden, over geestelijke dingen, die ook een plaats innemen-in het geloof der kerk en in de belijdenis uitdrukking verkrijgen.
Ik vrees, dat die zin van de Schrift, waarop dr. B. doelt, heel hoog boven die bepaaldheid der geestelijke dingen uit gaat zweven en dat een ieder, die het in deze met dr. B. eens is n.l. dat het op de zin van de Schrift neerkomt, zich het recht wil voorbehouden op zijn eigen wijze over die zin te denken.
Het zou ook kunnen zijn, zegt dr. B. veelbetekenend, dat ze (de belijdenisgeschriften) deze bedoeling juist bevestigen. Het zou kunnen zijn ! De kans is waarlijk niet zo heel groot en het komt mij voor, dat zich daarover niet al te bezorgd zal maken, die van zulke opvattingen uitgaat.
Daarom, n.l. omdat het ook wel zou kunnen, dat de belijdenisgeschriften, de bedoeling juist bevestigen, zijn „handhaving der belijdenis" en „telkens opnieuw belijden" geen tegenstellingen zo besluit dr. B. verder.
Moet daaruit verstaan worden, dat de Drie Formulieren volgens hem de bedoeling juist weergeven, en dat het nieuw belijden, waaraan hij denkt, deze bedoeling bevestigt.
Zo ja, dan kunnen wij ophouden met te praten over richtingen en modaliteiten en eindelijk eens aanvangen de belijdenis te handhaven, zoals deze belijdenis dat zelf wil.
Gelet op het ganse betoog echter kunnen wij moeilijk aannemen, dat dr. B. zulk een opvatting huldigt. Veeleej moeten wij het tegendeel onderstellen.
Maar nu de handhaving in de geest der belijdenis zelf ? Daarover een volgende keer.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 17 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's