ENKELE VRAGEN VAN DE PSYCHIATER NEERGELEGD VOOR DE THEOLOOG
II.
Om te beginnen dan nodig ik u uit om het probleem van de z.g. zondenwaan nogeens onder de ogen te zien. Zoals u bekend zal zijn, spreken wij van zondenwaan, omdat het hier denkbeelden betreft, die niet corrigeerbaar zijn. Enerzijds is de patiënt niet toegankelijk voor correctie, waar het de motivering van zijn zondendenkbeelden betreft, anderzijds maakt de eventueel voorgestelde mogelijkheid van vergeving van zijn zonden niet de minste indruk op de patiënt.
Ik herinner me wat 't eerste betreft een patiënte, die haar zondenwaan motiveerde met 't feit, dat zij haar nu overleden vader niet vaak, maar wel eens een lepeltje suiker te weinig in zijn koffie had gegeven. Zij had haar eenzame vader altijd trouw opgepast, ook anderen gaven dit aan, er was nooit de minste onenigheid van ernstige aard geweest en nu na 't overlijden van de vader deze eigenaardige reactie. Want een reactie is het natuurlijk, tenzij men de uitbrekende ziekte ziet als een autochtoon kwaad, tenzij men, want dat doet men dan, dit kwaad als iets ziet, dat zinloos is.
Een reactie b.v. op al of niet bewuste, misschien beter gezegd op half of helemaal vergeten strijd, strijd b.v. over de opdracht de oude vader te verzorgen, strijd en natuurlijk bedoel ik nu innerlijke strijd, over 't al of niet er uit trekken, een eigen en dan een ander levensdoel najagen.
Over deze dingen echter wil ik 't nu niet hebben, vooral omdat ik geloof dat de meeste zielszorgers deze overwegingen stellig bij zich voelen opkomen, en er ook wel degelijk rekening mee houden. Dit is althans mijn ervaring. Vele psychiaters menen wel van niet, maar zo naïef, of moet ik zeggen geborneerd zijn zielszorgers, zijn predikanten niet.
Wij keren terug tot 't vreemde aan de waan. Dat iemand zegt, dat iemand er heilig van overtuigd is, onvergeeflijk gezondigd te hebben, ja verloren te zullen gaan met een dergelijke futiele motivering, is natuurlijk absurd. Wanneer men hier echter bij blijft stilstaan. spreekt 't vanzelf, dat men de zielszorger als 't ware zegt „blijf daar nu maar vanaf", want al uw argumenten baten niet, de patiënt blijft in zijn waan, ja ge versterkt die waan alleen maar door uw tegenspreken, door uw goedbedoelde tornen aan zijn motiveringen. Hoe meer reëel de motiveringen zijn bij een bestaand zondendenkbeeld, hoe meer de zielszorger competent wordt geacht de patiënt ten goede te kunnen benaderen. Beide meningen zijn naar mijn mening „fraglich" ; in elk geval de zielszorger zal daarover zijn eigen mening hebben en er naar doen.
Nu begrijpe men mij goed, ik ontken geenszins het belang, de waarde van het reëel bestaande verband tussen een foutieve, zeg slechte, zeg zondige daad en de geestelijke reactie hierop. Dit zijn vragen van sociaal, van ethisch belang ook van de eerste orde, maar daarover gaat het hier niet.
Het probleem is veelmeer : als ik dan zo'n reëel verband niet vind, als zo'n verband er eventueel in 't geheel niet is, wat betekent die zondewaan dan toch wél ? Die vraag wordt alleen maar scherper, wanneer we ervaren, dat zo'n zondenwaan door een electroshockbehandeling verdwijnt. Want 't is wel een gemakkelijke en ten dele ook terecht bestaande mening : dus het is lichamelijk en alles wat lichamelijk is, is voor de dokter, maar bevredigen doet deze overweging eigenlijk niemand en zeker niet in de moderne tijd.
Ik nodig u uit de koe nu bij de horens te pakken en dan vinden we 't volgende :
Er bestaan ten eerste depressies, die geen zondenwaan vertonen, dat is waar. Dat is belangrijk uit klinisch-psychiatrisch gezichtspunt. Die depressies zijn meer toegankelijk voor zielszorgelijke beschouwingen over zonde en genade, dat is ook waar. Maar daar gaat 't hier niet over.
Er bestaan, en dat nu ten tweede dus, kennelijk depressies, geestesstoornissen, die gepaard gaan met zondewaandenkbeelden. Daarbij bestaan verschillen wat de motiveerbaarheid betreft. Vaak treft de wanverhouding tussen motief en zondenwaan-bewering.
Wat is nu de betekenis van deze zondenwaan. Uit phaenomenologischanthropologische onderzoekingen is gebleken, dat al deze mensen tot een zeer bepaalde groep, een zeer bepaald type behoren. Zij hebben wat hun karakterstructuur betreft de z.g. zelfhandhaving primair, de z.g. zelfovergave secundair. D.w.z. zij kennen liefde, zij kennen verbondenheidsgevoelens ten opzichte van anderen zeer wezenlijk en ook zeer gaaf, hun liefde is m.a.w. nergens te zien als egoïstisch, maar zij kennen de verbondenheid in de grond alleen maar als een negativum ten opzichte van de handhaving. Altijd bij verbondenheidsgevoelens spreekt 't register jezelf-offeren aan, altijd bij gestoorde relatie ten opzichte van iets of iemand anders spreekt dus een tekortgeschoten zijn aan. En 't herstel wordt altijd gezocht en gevonden in de boete, in het op een of andere wijze offeren van, verminderen van de handhavingszij de van het karakter.
Dit ligt bij de zondenwaan netzo. De ziekte, het negatieve, het malum is de verbroken beleefde verbondenheid, de zondenwaan is het herstel van deze verbondenheid. Klinisch zien we dat ook. Een zondenwaan kan verdwijnen bij genezing, maar 't kan ook een teken zijn van verergering. Dan ontstaat de z.g. Existenz im Leere, de existentie in de leegte, alles is vervreemd, eigen wereld, eigen lichaam, de eigen naaste. Gevoelens van mateloze kilte, van eindeloze eenzaamheid overheersen.
Nu mag men weliswaar niet met het existentialisme zeggen, daar waar deze mens geheel op was aangelegd, daar is hij nu eindelijk gekomen, hij is nu in deze absolute verlatenheid eerst eigenlijk zichzelf geworden. Want dan zou hij niet tevens ziek moeten zijn, niet moeten lijden, niet hoogst dankbaar zijn met alles wat aan deze baarlijke hel een einde maakt. Maar wél moeten wij inzien, dat hier, in deze anthropologische beschouwing een laatste waarheid ligt. En wel in tweeërlei opzicht. Deze mensensoort komt typisch daar waar het mogelijkheden voor heeft, het kan goed eenzaam zijn, de verbondenheid is van secundair belang, maar tevens en dat is de tweede laatste waarheid, kennelijk kan zelfs deze geperfectioneerde eenzaamheidsmens toch niet buiten verbondenheid, want anders zou hij niet ziek-zijn, anders zou hij zijn herstel niet zoeken in de richting van het zonden „zoeken".
Het herstel is alleen doorgeschoten in de richting van het teveel, zoals wij medisch zo vaak zien bij genezingspogingen. Daarvandaan dat de patiënt rust heeft in zijn waan, meer dan in zijn Existenz im Leere, daarvandaan dat hij zoekt naar, volgens ons dwaze, motiveringen.
De moeilijkheid, die blijft, is de altijd matige toegankelijkheid bij deze patiënten van de aangeboden vergeving. En hier zitten we nu eindelijk in 't kernprobleem, ook wat de oordeelsprediking betreft. Voor zover deze een appèl betekent in de zin van een verwijt over 't verbreken der gestelde orde, schiet deze prediking bij dit soort mensen heel licht het doel voorbij. Het is voor deze mensen een betrekkelijk klein kunstje eigen zonden te zoeken, te bekennen ook, maar 't is een reuzentoer voor hen om met David in de 51e Psalm te zeggen „Tegen U o God heb ik gezondigd, tegen U alleen" !
Of er dus al of niet motiveringen zijn, is niet 't belangrijkste, wat bij de herkenning belangrijk is, is wel dit, dat men vindt mensen, bij wie alles draait om 't begrip „willen", het werkwoord willen. Dat men b.v. iets niet zou kunnen, komt niet bij hen op en is zeer moeilijk ter sprake te brengen. En toch zou dit stellig de eerste schrede zijn in de richting van een normaal, van een adaequaat, van een echt zondenbesèf!
De oordeelsprediking bevat echter ook nog een heel ander accent en m.i. moet hierop de nadruk vallen bij dit soort mensen, willen zij ooit komen uit de duivelskring in hun denken, die dat werkwoord willen betekent, maar nog veel meer, wil 't oordeel naar zijn wezenlijke betekenis ook gepredikt worden bij deze mensen. Dat accent is dan niet te leggen op 't verwijt over het verstoren van de terecht bestaande orde, maar het moet gelegd worden op "het einde dezer wereld is nabij gekomen" of „bekeert u want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". D.w.z. men zal moeten aantonen, dat de mens met heel zijn zondenwaan, met heel zijn strijd om als 't ware in de orde te blijven, mis is, omdat deze wereld voorbij gaat, omdat de Heere toch kennelijk iets heel anders nog bereid heeft voor die Hem kennen, omdat deze wereld alleen in dat licht „in orde" en , , als orde" mag en kan worden gezien.
Natuurlijk — ik zeide het reeds herhaaldelijk — ik wil hier geen zielszorgelijke adviezen geven, nog minder wil ik zeggen, dat 't laatste woord hiermee gezegd zou zijn over oordeelsprediking bij dit soort mensen, maar wel kan ik bevestigen, dat een accentlegging als ik bedoelde toch vaak wel , .aanslaat". Dit is een eenvoudig ervaringsfeit. De moeilijkheid blijft, dat deze mensen 't best aanspreekbaar zijn in 't oordeel in de zin van „gij hebt de orde verstoord", maar het oordeel is nooit écht óórdeel, als hen niet wordt bijgebracht, dat deze wereld, eveneens terecht, voorbijgaat.
(Wordt voortgezet).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 september 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's