De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ENKELE VRAGEN VAN DE PSYCHIATER NEERGELEGD VOOR DE THEOLOOG

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ENKELE VRAGEN VAN DE PSYCHIATER NEERGELEGD VOOR DE THEOLOOG

10 minuten leestijd

III.

En nu 't pendant, ik zeg 't u maar bij voorbaat, ter bepaling van de gedachten ! Ook daarvoor is een typisch voorbeeld te peuren uit de psychopathologie. Ik doel hier op het wezen van de neurose. En alweer, ik weet als psychiater zeer goed, dat er allerlei soorten van neurosen zijn en dat 't er heel veel toe doet met welk soort van neurose we te maken hebben. Ook weet ik dat, wat de motiveringen betreft, het net is als bij de zondenwaan — motiveringen, als ze er duidelijk zijn, zo zegt de psychiater — kan ook de zielszorger bij „verstandig" optreden veel ten goede bijdragen. En ik noemde u reeds het boek, dat door een theoloog geschreven, erkent, dat er nog veel te leren valt voor de zielszorger en dat hij daarvan ook bij zijn eigen typische werk veel voordeel kan hebben. Maar ik weet ook dat de motiveringen, ook de onbewuste, ook de infantiele belevingen en frustraties, naar de uitspraak van een zeer deskundig psychiatrisch hoogleraar in ons land, in de grond slechts een relatieve waarde hebben. Hij legt de nadruk op de z.g. aanleg van de neuroselijder, op het mijnentwege gedetermineerde in elke neurose aanwezig ten opzichte van alles, wat als z.g. motiveringen naar voren is en nog wordt gebracht.

Voor ons is het nu het belangrijkst, dat we trachten iets gemeenschappelijks aan alle neurosen te onderkennen, zó, dat we er mee kunnen werken in de problemathiek, die ons hier bezig houdt, maar zonder dat we daarbij pretenderen dat we in elk opzicht de neurosen op één noemer brengen. En dat wel noch waar het betreft de therapie, noch vooral waar bet betreft het theologisch aspect van het z.g. neurose-vraagstuk.

Zoals ge weet, wordt van de neurotische mens gezegd, dat hij niet rijp is, hij vastzit in ouder fixaties, kortom, veelal wordt het neurose-probleem gecentreerd om de vraag : , , hoe komt deze mens tot volwassenheid".

Hij is niet vrij innerlijk, hij gevoelt de verantwoordelijkheid te zwaar, hij heeft wat dit betreft z.g. minderwaardigheidsgevoelens hij zoekt liefde en bescherming en hij vindt 't leven te kil en te koud, hij mist de warmte van de moederfiguur.

Nu moeten we ons dus afvragen, hoe staat 't nu met dat z.g. infantiele van de ne.uroselijder, wat betekent het ouderlijke milieu überhaupt voor de volwassen mens. M.a.w. komen alle mensen nu, als ze volwassen zijn geworden, op dezelfde wijze uit dit milieu ; staan alle mensen eventueel als ze in dit milieu blijven leven, bloot aan het niet volwassen kunnen worden.

De bezwaren, die dan worden ingebracht tegen het infantiele van het ouderlijk milieu, zijn dan vaak samen te vatten als één bezwaar : het gebrek aan autonomie. Ergens is dit natuurlijk terecht. De moederfiguur (ik spreek liever van moeder- dan van vader-figuur, omdat de vader-figuur ergens toch ook altijd fungeert als het symbool van de figuur die aanwezig is tegenover zijn in eigen verantwoordelijkheid levende kinderen), de moeder-figuur is in elk opzicht de centrale tegenover het kind. Zij vangt het kind op in zijn liefdebehoefte en geeft daarin ook haar liefde, zij geeft 't kind echter ook identificaties, d.w.z. zowel gelegenheid om zich in zijn bijzonder zo-zijn te toetsen, alsook in haar daden, in haar voorbeelden directe stimulantia tot eigen vorming, ja tot vorming van een eigen zelf überhaupt. Van autonomie van het kind is geen sprake, maar wél van een hechte samenleving in de zin van een geven en ook een nemen. D.w.z. het kind kan zijn liefdebehoefte bevredigen, het kan zijn liefde kwijt, het weet zich bij de moeder geborgen, veilig, het heeft zekerheid, alles dingen, die in een autonomie-verband der samenleving problematisch zijn geworden. En in de identificaties geeft de moeder allerlei van zichzelf, dat vormend werkt op 't kind. Om te beginnen geeft ze in haar voorschriften, in de verboden en geboden, een houvast, maar wat meer is, in de , , wet" is de individualiteit van het kind uitzonderlijk met zoveel woorden gegarandeerd ten opzichte van de opzuigende, de ont-individualiserende krachten, die in de liefderelatie, zoals we die schetsten, stellig ook aanwezig zijn. Daarom beleeft een kind zich dan ook nooit als niet vrij, als gebonden. En wat nu voor de moeder-kind relatie geldt, het geldt evenzeer voor de op oudere leeftijd nog aanwezige dergelijke verhoudingen, zoals die gelden in adatachtige sociale verhoudingen. Typisch nog aanwezig in allerlei streken van ons land, zien we de sporen toch ook nog in menig volwaardig huwelijks verband, en. misschien wel overal, waar sprake is van een samenleving van mensen, die in welk opzicht dan ook, een minder hebben van de één tegenover een , , meer" van de ander.

Ik denk hier aan de vakverenigingsleider, ik denk hier aan de werkbaas in de fabriek, aan de voorwerker op het land, aan z.g. leiders in allerlei politieke en staatkundige verbanden. En deze verbanden laten zich toch wel bij uitstek voorstaan op 't vrije, het autonome, het democratische ook wel van dergelijke vormen van samenleving.

In elk geval kan men zeggen, dat 't in de meeste opzichten een zeer goed mogelijk en zelfs toe te juichen leven is in een dergelijk, laten we nu maar zeggen adat-milieu. Nergens kan men in elk geval zeggen, dat een ouder mens, levende in zulk een verband, daarmede minder volwassen, infantiel of neurotisch is.

De verantwoordelijkheid is in een adat-milieu evengoed aanwezig als in een samenleving van mensen met een eigen volle verantwoordelijkheid, maar verantwoordelijkheid in het adat-verband is een z.g. gedelegeerde. En het is daarom begrijpelijk dat bij velen, samen met het volwassen worden, de roep naar vollere verantwoordelijkheid ontstaat, niet alleen omdat de ouders op de duur weg vallen, maar omdat het kind in situaties komt waarin de ouders geen rol meer spelen, denk b.v. alleen maar aan het naar school gaan en de identificerende invloeden, uitgaande van dit milieu. En dat geldt van alle andere milieu's, waarin de opgroeiende mens komt te verkeren. Maar niet alleen door de milieu's, stellig door een in de individu zelf levende tendens ontstaat deze neiging naar het autonome, het zelf willen bepalen van de keuze, van de eigen levensweg. Oneindig veel moeilijker, riskanter ook is de verhouding in dit autonome verband echter ten opzichte van de ander, van de naaste eventueel. Want was in het adat-milieu het over en weer in zekere zin in de verhoudingen gegarandeerd, hier in het autonomie-milieu moet alles veel meer worden opgebouwd op goed vertrouwen. De mens mag zelf alles doen, de volle verantwoordelijkheid dragen, maar hij moet maar geloven dat de ander dit alles waardeert, hij moet maar vertrouwen, dat een ander hem ook iets terug zal schenken. Zijn liefde kan de autonome mens niet meer kwijt, hij moet nu leren liefhebben, zó, dat deze liefde nergens meer te omschrijven is met zich opofferen, zich geven, e.d. Dit is het grote probleem van de moderne tijd, van de mens, levend in een sfeer van gelijkheid, vrijheid en broederschap. Het over en weer is niet vastgelegd in de verhouding. Het zou alleen gegarandeerd zijn als alle mensen te vertrouwen waren, als — misschien beter gezegd — alle mensen engelen waren. Toch hier wordt door velen wél geleerd wat liefde eigenlijk wil zeggen. Het is nergens iets wat af te zetten is tegen handhaving, in welke vorm dan ook.

Pascal heeft ergens gezegd, dat liefde alleen geleerd kan worden in en door het feit dat men bemind wórdt. Hoe dit alles zij en hoe partieel zelfs in de meest volmaakte, meest volwassen levens gerealiseerd, de liefde, al is het dan maar in de vorm van vertrouwen, behoort bij de samenleving in autonomie-verband. En is dit vertrouwen aanwezig, dan is het over en weer evengoed gegarandeerd, als in het adat-milieu. Bovendien, wij mogen terugziende vanuit onze tijd, de indruk krijgen, dat het adat-milieu bezig is te verdwijnen, zo goed als ik u toonde hoe dit adatmilieu telkens weer aanwezig blijkt tezijn, ook in de meest moderne verhoudingen, het streven naar autonomie is zo oud als de mens zelve.

En nu terug naar de neurotische mens. Het merkwaardige van deze mens is nu dit. Terwijl er twee mogelijkheden van samenleving zijn, het adat-milieu en 't autonomie-milieu, kiest hij geen van beiden. Is hij aan het autonomie-milieu nog niet helemaal, maar toch bijna toe, waarom probeert hij het dan maar niet alvast daarmee. En is hij nog te onrijp, nog niet volwassen genoeg, waarom blijft hij dan niet in het adat-milieu. De uitwendige omstandigheden mogen hier als motiveringen natuurlijk van belang zijn, ze zijn blijkens de ervaring in de grond net zo min doorslaggevend als de motiveringen, die wij vonden bij de z.g. zondenwaan. De neurotische mens maakt het zich ook heus niet gemakkelijk, want hij kiest als het ware een sisyphus-arbeid, hij kiest 't moeilijkste uit het autonomie-verband, d. w. z. hij wil alles, doen, echt de geboden volbrengen en hij kiest eveneens het moeilijkste uit het adat-verband, d. w. z. hij wil steeds verantwoording doen over wat hij doet tegenover de instantie, die de moeder-figuur representeert in dit adat-verband. Maar men spreekt toch in oneigenlijke zin over de neuroselijder als over atlas-drager, als men hem in deze neiging tot teveel op eigen schouders willen nemen, zou willen bewonderen, evenals men hem ten onrechte zou brandmerken als een lafaard, als één, die op de vlucht gaat, als men te zeer de nadruk legt op het niet willen aanvaarden van welke vorm van samenleving dan ook.

En nu kom ik weer op de oordeelsprediking. Deze stuit menigmaal af — ook dit zeg ik uit ervaring — op het feit, dat deze oordeelsprediking in haar appèl op een niet tevreden zijn mogen van de mens met de wereld waarin hij leeft en hij zich wél bevindt, bij de neurotische 'mens haar doel voorbij schiet. Want zij het op een zieke wijze, de neurotische mens heeft heel bepaald neen gezegd tegen wat voor vele normalen geldt als vanzelfsprekend, onverschillig of zij zich nu wél bevinden in hun leven in het adat-milieu of in dat van het autonomie-milieu. En de volle z.g. oordeelsprediking komt alleen tot haar recht, wanneer zij de neurotische mens. weet te treffen in datgene, wat hij in 't geheel niet ziet, dat is het gewone leven, wanneer zij 't appèl weet te doen horen zoals de 37e Psalm dat doet: , , Maar gij, bewoon gij de aarde, en voed u met getrouwheid".

Ik ben aan 't einde van mijn voordracht gekomen.

En nu tenslotte eens te meer breng ik u en mijzelf de opmerking in herinnering, waarmede wij zijn begonnen : „ieder zijn eigen terrein". De apartheid van de terreinen wordt te meer gemarkeerd in de overweging dat de oordeelsprediking stellig niet compleet is in het feit, dat ze zowel rekening houdt met 't appèl in de richting van het , , terug", n.l. naar de goede orde, naar de in elk geval dan toch door God geschapen wereld, naar de mogelijkheden, die Hij gaf voor het gewone leven, als met 't appèl „eruit", want hoe goed ook, deze wereld gaat voorbij. Neen, dan zijn we misschien verder van huis dan bij het begin, want als mogelijkheid blijft nu helaas nog over een philosofische wereld- en levensbeschouwing, waarin beide appèls gedragen worden door welke neiging tot monisme dan ook. Bovenal echter ik heb geen andere bedoeling dan u als theologen deze mijn vragen vóór te leggen. Gij moet weten wat ge er mee doet, vooral gij moet weten hoe ge uw zielszorg hiernaar inricht.

Intussen vlei ik mij wel met deze hoop, dat mijn vragen er toe zullen bijdragen, dat uw oordeelsprediking ook ga over die oordeelsprediking zelve. Deze vindt evenmin haar zekerheid in zichzelve. Zij is een onafwijsbare eis van Gods Gerechtigheid, maar tenslotte van Gods vriendelijk aangezicht, van Zijn genade ook.

Wellicht vinden wij elkaar het gemakkelijkst in het Woord, dat mij tijdens de voorbereiding van deze voordracht voor ogen kwam : „Want wij hebben deze schat in aarden vaten".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ENKELE VRAGEN VAN DE PSYCHIATER NEERGELEGD VOOR DE THEOLOOG

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's