De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Om't eeuwig Welbehagen

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

Om't eeuwig Welbehagen

6 minuten leestijd

„Maar Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk; die zullen op de naam des Heeren betrouwen". Zefanja 3 vs. 12.

In hoofdstuk 3 richt de profetie van Zefanja zich vooral tot Jeruzalem, om haar zonden en afval van de Heere bloot te leggen en het Godsgericht, dat daarover gewisselijk zal komen, te voorzeggen.

Volk en geestelijke leidslieden worden gelijkelijk de gerichten Gods aangezegd. En als een ontzaglijke Goddelijke bedreiging klinkt het : , , Wee der ijselijke en der bevlekte, der verdrukkende stad".

Echter ziet, —dan komt daar in onze tekst die lichtende keerzijde voor het overblijfsel der genade. , , Maar" — zo doet de Heere Zefanja zeggen — „Ik zal in het midden van u doen overblijven een ellendig en arm volk".

Daar is dus ook in het goddeloze en afvallige Jeruzalem een volk Gods — dat zai overblijven en betrouwen op de naam des Heeren. Een volk Gods, dat op de naam des Heeren zal betrouwen, ja, dat was er tóén en dat is er nü, en dat zal er blijven, zolang de wereld er zijn zal.

En nu is dat niet vanzelfsprekend, maar veeleer een nooit te begrijpen wonder, dat er zulk een volk is.

Weet ge, wat vanzelfsprekend zou zijn? Dat de ganse mensheid, een iegelijk mens, van een vrouw geboren, naar Adams beeld en Adams gelijkenis, zou rijpen voor het eeuwig verderf.

Heeft Gods stem niet eenmaal tot de mens, tot Adam gesproken: , , Ten dage als gij daarvan eet, zult gij de dood sterven"? En is Adam toen niet gevallen en heeft hij zich toen niet als ons aller bondshoofd door moedwillige ongehoorzaamheid losgescheurd van de levende God?

En delen wij allen, de ganse mensheid, dan nu niet in die val?

Ja, inderdaad, wij allen, zonder uitzondering, mensen, die in ongerechtigheid worden geboren en in zonden ontvangen, in zonden en misdaden dood.

En daarom nu nóg eens : Weet ge, wat vanzelfsprekend zou zijn?

Wèl, dat wij bleven van die dood en die dood van óns.

Immers die dood, en dan in z'n volle betekenis van tijdelijke, geestelijke en eeuwige dood, dat is het enige, het droeve enige, waar we recht op hebben, recht krachtens onze verdienste. Leert de apostel Paulus het ons zo ook niet in Rom. 6, waar hij zegt : , , De bezoldiging (het soldij) van de zonde is de dood". En zegt dezelfde apostel elders niet, dat wij allen, zonder uitzondering, hebben gezondigd en dies derven de heerlijkheid Gods?

En hoe duidelijker we dit nu leren verstaan en dit recht Gods leren billijken, hoe gróter wordt ons het wonder, dat er nochtans een volk Gods is, een volk dat zal overblijven, telkens weer zal overblijven, tot in het eeuwige leven toe. Hoe dit dan kan, hoe het dan mogelijk is dat er onder deze verloren mensenmassa nog een volk des Heeren was en is en zijn zal?

Och, alléén omdat nog mogelijk is bij God, wat bij de mens onmogelijk is.

De Almachtige zegt dan ook in onze tekst: , , IK zal in het midden van u doen overblijven een volk...."

, , IK", zegt de Heere, , , 1K zal het doen".

Dus het grote, nooit te begrijpen wonder dat er een volk Gods is, hebben we énkel en alléén te danken aan het souvereine welbehagen Gods. Enkel en alleen aan de vrije gunst van diezelfde God, die reeds direct na de val de mogelijkheid van een volk Gods temidden van een verloren mensheid in het uitzicht stelde door te zeggen : , , Ik zal vijandschap zetten tussen u en deze vrouw, tussen uw zaad en haar zaad".

, , 't Volk Gods", van tóén, van nu, ja van alle tijden ; het is het wonder Gods, van die God, Die in Zijn vrije genade spreekt : Tot Lo-Ammi (tot niet Mijn volk) zal Ik zeggen : Gij zijt Mijn volk, en over Lo-Ruchama (de niet ontfermde) zal Ik Mij ontfermen.

De profeet, als wilde hij het wonderlijke van het feit dat er een volk Gods is, nog duidelijker doen uitkomen, zegt er in onze tekst nog bij, dat het is , , een ellendig en arm volk".

Arm en ellendig, zeker, hier óók naar het uitwendige, geen machtig of rijk volk, maar een armelijke groep. En niet alleen hier in onze tekst, maar oök de apostel Paulus zegt er van : Niet vele edelen, niet vele rijken, al is de Heere vrij om ook een rijke Nicodemus bij Zijn volk te vergaderen.

Maar veel méér zullen wij dit , , ellendig en arm" geestelijk moeten verstaan, en dan in dié zin, dat ze niet alleen ellendig en arm zijn, maar zich óók in zichzelf ellendig en arm wéten, zichzelf als zodanig kennen.

Dat het ook aldus in onze tekst bedoeld wordt, komt wel héél duidelijk hierin uit, — dat deze ellendigen en armen hun toevlucht zoeken bij de Heere.

Immers dat doet een mens alléén als hij niet slechts een ellendige en arme is, maar het zich ook wéét, zichzelf als zodanig óók leert kennen.

Want arm, ja, doodarm zijn we van nature allemaal, daar we alles wat ons rijk kon maken zijn kwijt geraakt door de zonde. En ellendigen, d.w.z. uitlandigen, odh, dat zijn we immers van nature óók allemaal, daar we vanwege onze opstand tegen God als ballingen moeten verkeren in een land, vol distelen en doornen.

Maar we willen het niet zijn ; we bedanken er voor het te zijn, ja, zelfs beelden we het ons ook in dat we het niet zijn. In ieder natuurlijk mensenhart leeft een Laodiceër, die het uitspreekt en ook meent, wat hij uitspreekt: , , Wij zijn rijk en verrijkt en hebben geens dings gebrek". Niet wetende dat hij arm is en blind en naakt.

Maar nu spreekt onze tekst van een „volk Gods", dat zich als ellendig en arm heeft leren kennen en nu de toevlucht zoekt bij de Heere.

Dat is dus een volk, dat bij ontdekkend Geesteslicht heeft leren hongeren en dorsten naar de gerechtigheid en als armen van geest de handen heeft leren uitstrekken naar de Verlosser.

Zulk een volk zal de Heere nu in het midden van Jeruzalem doen overblijven als „volk Gods".

Ja, zulk een volk mag op de Naam des Heeren betrouwen, neen, niet alleen mógen ze dat, maar ze zullen het doen, zegt onze tekst; ook daar zal de Heere zelf voor zorgen.

En gelukkig maar, anders durfden ze het en kónden het nog niet eens.

O, welzalig dat volk, , , Gods volk", dat ellendig en arm in zichzelf, doch rijk en verrijkt in de Heere, zo geheel voor Gods rekening mag staan, zodat in de grootste smarten hun harten nog in de Heere gerust kunnen blijven.

Moge het woord, gesproken door de mond van Zefanja, nog heilige jaloersheid verwekken, opdat onbekeerden, nog rijken in zichzelf, mogen leren bidden : Heere, bekeer mij, opdat ik als een arme van geest op Uw Naam zal betrouwen, en opdat een ellendig en arm volk, door de Heere verkoren, Gods vrije genade verheerlijken zal door met de dichter té zingen en te ervaren :

„Wij steken 't hoofd omhoog En zullen d' eerkroon dragen. Door U, door U alleen, Om 't eeuwig welbehagen".

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Om't eeuwig Welbehagen

Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's