DE PROEF OP DE SOM
Dr. Berkhof maakt het ons erg gemakkelijk om inzicht te verkrijgen in wat hij verstaan wil hebben onder gemeenschap.
In „In de Waagschaal" van 11 September j.l. schrijft hij een artikel onder de titel: „In gemeenschap met de Dordtse Leerregels".
Die Dordtse Leerregels schijnen voor velen erg bezwaarlijk te zijn. Zoals men weet geven zij een uitwerking van art. 16 der Nederlandse Geloofsbelijdenis, dat over de „eeuwige verkiezing" handelt. Daarom zijn de Dordtse Canones meer uiteenzetting van dat artikel over de verkiezing dan een nieuwe belijdenis, hoewel er heel wat in beleden wordt.
Er behoeft dan ook geen enkel bezwaar gemaakt tegen het feit, dat de kerk de Dordtse leerregels onder haar belijdenisgeschriften telt. Dit zoveel te meer, omdat zij een bestrijding van een aantal ketterijen bevat, die waarlijk niet alleen in de dagen van de Dordtse synode bij de Remonstranten werden gevonden, maar in alle tijden aanhangers hebben gehad en ook in onze dagen rijkelijk heersen over de zuivere leer.
Het meest van een belijdenisgeschrift heeft ook naar de vorm zonder twijfel de Nederlandse geloofsbelijdenis met zijn steeds terugkerende aanhef : „Wij geloven en belijden, wij geloven, wij belijden."
De Catechismus draagt de duidelijke kenmerken van een leerboek der gemeente te zijn en de Dordtse leerregelen hebben iets van een theologische uiteenzetting. De officiële tekst spreekt dan ook van : Oordeel van de Nationale Synode der Gereformeerde Kerken van de Verenigde Nederlanden.
Het een en het ander staat echter niets in de weg aan de waardering, welke de kerk aan deze drie Formulieren geeft, die door haar als belijdenisgeschriften zijn aangenomen.
Trouwens ook de z.g. liturgische formulieren (doop, avondmaal, bevestiging, enz.) gelden als belijdenis der kerk.
, , De Leerregels zijn immers bedoeld", zo schrijft dr. B. , , als uitwerking van één bepaald punt uit de belijdenis n.l. dat van de verkiezing. Terwijl de Catechismus (merkwaardigerwijze) dit onderwerp nauwelijks aanroert, behandelt de Geloofsbelijdenis het scherp en opzettelijk in art. 16. Dit is misschien wel het moeilijkst te verwerken stuk van de N.G.B. (Nederl. Geloofsbelijdenis).
Het is waar, dat de Leerregels een uitwerking van art. 16 der Ned. Geloofsbelijdenis zijn, doch over de bedoeling schrijft de Synode zelf anders : vgl. de voorrede : „opdat door ghemeyn oordeel van soo veel theologanten der Gereformeerde Kercke, de leeringen van Aiminius ende zijne navolgers, in so eene vermaerde Synode rijpelick souden worden ondersocht, ende alleen uyt Godes Woordt gheoordeelt, de ware Leere bevesticht, de valsche verworpen, ende den Nederlandtschen Kercken eendracht, vrede, ende ruste door Godes zeghen wedergebracht".
Dr. B. is wat kwistig met het woord , , bedoeling", want iets verder merkt hij op, dat , , de kernvraag zal moeten zijn : wat bedoelen ze (n.l. de Leerregelen) te belijden !
Wij hebben uit de woorden der Synode gehoord : de ware leer.
Dr. B. wil op de volgende wijze saamvatten, wat zij volgens hem bedoelen te belijden :
„De genade is volstrekt onverdiend.
Zij heeft geen toevoeging van mensenhand nodig.
Ook van ons geloof komt de eer aan God toe.
De genade van het geloof is meer dan een overreding, zij werkt innerlijk.
Deze genade is onveranderlijk en daarom een grote troost voor wie haar ontvangen, omdat zij weten daarbij bewaard te zullen blijven.
Dit kan de gelovigen echter zorgeloos maken. niet
Want in plaats van hun eigen werk weg te schuiven, maakt de genade dit pas mogelijk.
Anderzijds moet de oorzaak van het ongeloof bij de mens zelf gezocht worden.
Het heilsaanbod komt met ernst tot een ieder (III. 8). (Deze plaats spreekt geenszins van een heilsaanbod en van zelf niet, dat het met ernst tot ieder komt. S.).
Wij mogen niemand geestelijk afschrijven of ons boven hem verheffen (III 15), noch nieuwsgierig in het geheim van Gods verkiezing en verwerping trachten door te dringen (in, 7).-
Ziedaar de , , bedoeling", welke dr. B. in de Leerregels ziet en de gemeenschap, welke hij zich zelf toeschrijft.
Geeft men zich rekenschap van deze dingen, dan kan men ontdekken, dat de 7eer der verkiezing en verwerping precies buiten de bedoeling van dr. B. valt.
En als dr. B. de bedoeling zo juist getekend zou hebben en wij hierin de uitwerking van art. 16 der Ned. Geloofsbelijdenis zouden hebben, dan zou het er op neerkomen, dat art, 16 naar zijn voornaamste inhoud weggeredeneerd zou zijn, want art. 16 leert heel scherp en opzettelijk de verkiezing, zoals dr. B. opmerkt.
Dr. B. is dan ook van oordeel, dat de bedoeling der Leerregels, zoals hij die opvat en zoeven heeft getekend, ook bij velen leeft, die met Dordrecht niets te maken hebben. (Methodist, Rooms-katholiek, of Remonstrant).
Merkwaardige wending ! Welke kerk heeft nu eigenlijk met Dordrecht niets te maken ? In de Roomse Kerk is de leer der verkiezing en verwerping sedert de dagen van Augustinus telkens en telkens weer aan de orde geweest. De reformatoren allen, Luther, Zwingli en Calvijn leerden de praedestinatie, zodat deze en de daarmede samenhangende leerstukken volkomen terecht protestantse , , centraaldogmen" zijn geheten.
De Synode van Dordrecht — en zij is niet de laatste Synode geweest, die dit deed, — is voor de protestantse centraaldogmen opgekomen !
Hoe kan dr. B. nu spreken van velen, die met Dordrecht niets te maken hebben ? In positieve of negatieve zin heeft Rooms en niet Rooms met Dordt te maken.
Met name ook in de laatste jaren is het duidelijk, dat velen, die zich van de leer van Dordt willen losmaken met de Protestantse centraaldogmen overhoop liggen. Of blijken niet allen, die zich stoten aan het „Calvinistische standpunt" — om een uitdrukking van dr. B. te gebruiken — met Dordrecht toch wel iets te maken te hebben ?
Daarom mogen allen, die zich gaarne onder de protestanten scharen, en die zich een protestantisme voorstellen zonder de zoeven genoemde centraaldogmen, waarvan de leer der praedestinatie het hart is, wel bedenken, wat zij doen.
Zij nemen het hart er uit en houden slechts een schijn-protestantisme over, dat tegen voortgaande verroomsing niet bestand kan zijn.
Het ligt dan ook geheel in die lijn, als dr. B. de door hem uitgespaarde, , (bedoeling" van de Dordtse leerregels als gemeenschappelijk goed van methodist, Rooms-Katholiek en remonstrant aanprijst. Maar dat gemeenschappelijk goed gaat dan ook buiten het hart van de protestantse kerk om.
Dat is zoveel als de proef op de som dat het, , calvinistische standpunt" er uit is gehouden. Wij willen dat niet nader kwalificeren, doch welk een spel ! De Dordtse Synode van de Gereformeerde Kerken der Verenigde Nederlanden heeft, — als wij deze scribent willen volgen —, in de Leerregelen een uiteenzetting gegeven over art. 16 der Ned. Geloofsbelijdenis, welke zou bedoeld hebben dit artikel krachteloos te maken.
Het is maar, hoe je de dingen voorstelt. In feite is het zó, dat dr. B. de Leerregels op zodanige wijze zou willen interpreteren, dat de leer der praedestinatie er uit was.
De Dordtse vaderen hebben echter bedoeld die leer te handhaven !
Dr. B. spreekt zijn bezwaar uit tegen zekere theologische gedachtengangen, „waarmede de opstellers hun belijden meenden te moeten steunen". „Dat geldt vooral", zegt hij, „van art. 16 der Nederlandse Geloofsbelijdenis, die wel is gevuld en verwijd met diepe en vruchtbare inzichten, maar niet is doorbroken".
Men kan de Dordtse vaderen dus niet van doorbraak-gedachtengangen verdenken.
Volgens het oordeel van dr. B. hebben de Leerregelen daardoor weinig vrucht gedragen, want wat is het geval?
„Ook achter de Leerregels staat, uitdrukkelijk beleden, een God, die jegens een groep streng rechtvaardig is en jegens de andere barmhartig." (I. 6 e.a.).
Zo staat het er eigenlijk niet, maar wij willen niet muggen ziften.
Dit is echter wel een al te populaire voorstelling: jegens de éne groep rechtvaardig en jegens de andere barmhartig. Zo iets van willekeur ! Het wordt wel enigszins anders, als men spreekt van uitverkorenen en niet meer van een groep. Jegens Zijn uitverkorenen barmhartig. Dan zit de verkiezing er in.
Dr. B. spreekt van een gedeelde God, een God, die hier rechtvaardig en daar barmhartig is.
De gedeeldheid moet dus in het hier en daar schuilen, doch Gods rechtvaardigheid en barmhartigheid hangt niet aan een hier en daar en Zijn gerechtigheid wordt niet gebroken door Zijn barmhartigheid.
Alsof het heus zo ware, beweert dr. B. verder, , , dat deze gedeelde God de projectie in de eeuwigheid zou zijn van de dubbele uitwerking, die de heilsboodschap op aarde op de mensen blijkt te hebben".
Dit schijnt wel heel erg naief, doch het naieve is er af, als wij vernemen van dr. B., dat de God van de Bijbel een andere is dan die in art. 16 Ned. Geloofsbelijdenis en in de Leerregelen beleden wordt.
Wij mogen niet aannemen, dat dr. B. de Bijbel niet kent en dat hij de belijdenisgeschriften niet lezen kan of niet gelezen heeft. Maar dan blijft er ook geen andere conclusie over dan dat hij welbewust het Schriftgeloof der gereformeerde belijdenis afwijst om niet te zeggen doorbreekt.
En dan staan wij voor de vraag, of zulk een doorbreken van het Schriftgeloof der vaderen niet een doorbreken van de Schrift zelf wil zijn, omdat de Schrift zo heel erg duidelijk is op het stuk der verkiezing.
Dan dringt zich nog een andere vraag op : n.l. of hij, die zulks doet niet in conflict komt met de Christus der Schriften, die zegt, dat de Schrift niet gebroken kan worden ?
De Dordtse vaderen hebben waarlijk geen leer der verkiezing en van de God der verkiezing geprojecteerd uit de dubbele uitwerking der prediking, hoewel dit op zich zelf ook iets te zeggen zou hebben.
Als dr. B. nog eens I, 6 en de volgende punten over de verkiezing opslaat en zijn aandacht geeft aan de aangevoerde getuigenissen der Schrift, waarop de belijdenis der verkiezing is gegrond, zal hij moeten toegeven, dat het hier niet gaat om een al of niet geprojecteerd zijn uit de ervaring, maar om het Schriftgeloof.
Wat dr. B. , , de zondeval van het gereformeerd-protestantisme" zou willen noemen, raakt het Schriftgeloof. Hij meent, , , dat telkens weer de neiging opkomt om Gods werken niet alleen in een dankbaar persoonlijk geloof te ontvangen, maar ook om ze van bovenaf, vanaf Gods standpunt, te beschermen. Men wil achter de schermen van het Goddelijk raadsbesluit kijken".
In zoverre dr. B. de ondeugden ener protestantse scholastiek op het oog heeft, heeft hij gelijk, maar hij vergete niet, dat de Schrift zelf spreekt over de verkiezing in Christus van voor de grondlegging der wereld. Dat is geen scolastiek en dat te geloven is geen zondeval, maar niet te geloven, wat ons geopenbaard is, kan moeilijk vrijgepleit worden van zonde.
In geen geval doet hij aan de belijdenis recht door te beweren, dat zij in het stuk der verkiezing en van de verkiezende God uit de ervaring projecteert.
Als hij hier van theorie en , , van als God willen zijn" gaat spreken, waagt hij zich aan een oordeel, waarvoor hij zich diende te wachten, want zij belijden slechts, wat God zelf in de Schrift heeft geopenbaard.
Bovendien zou er aanleiding voor kunnen zijn te vragen aan dr. B. : Gij, die zegt, dat men niet stelen mag, steelt gij ? Waarlijk, die abstracte en gedeelde God, over welke dr. B. spreekt, en het verkeren bij deze , , God" in een starre eeuwigheid, en wat hij daaraan verder aanknoopt, zweeft klaarblijkelijk in zijn hersenen rond, doch de belijdenis der verkiezing is waarlijk uit het geloof in de levende God der Schriften geboren.
Omdat er zorgeloze mensen, zijn, die hun ongeloof achter deze leer, zoals zij die menen te verstaan, willen verbergen, kan men de waarheid toch niet verdonkeremanen.
, , Er zijn nu immers groepen van voor eeuwig verworpenen en verkorenen", concludeert dr. B. Die conclusie wordt meer getrokken en zoals reeds gezegd : er zijn er, die daarachter schuilen en God de schuld geven van hun ongeloof.
De belijdenis zegt dat echter niet. Zij zegt, dat alle mensen in zonde gevallen en schuldig voor God zijn en dat God naar Zijn eeuwig welbehagen uit het menselijk geslacht in Christus een volk heeft verkoren.
De zonde en het oordeel over de zonde nemen de verantwoordelijkheid niet weg en maken die ook niet dubieus, maar bevestigen die.
Het is ook niet juist, , dat Christus uit het centrum wordt weggehaald, omdat verkiezing en verwerping achter Hem om in een abstracte eeuwigheid plaats vinden. Zo iets leert de Schrift niet en ook de leer der verkiezing leert zo iets niet.
De Schrift leert een drieënige God : Vader, Zoon en Heilige Geest. De Zoon en de Geest hebben deel aan alle werken Gods. En dat leert de belijdenis ook. Men vergelijke slechts de betreffende artikelen.
Van een abstracte eeuwigheid achter Christus weet de Schrift niet, maar zij leert een Christus, die heeft gesproken van de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, eer de wereld was,
(Wordt voortgezet),
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 1 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's