De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

7 minuten leestijd

STRIJD (III)

Sedert de dagen der Republiek bestonden in verschillende steden diaconiescholen. Dit waren scholen, opgericht en onderhouden door de Diaconieën (in de regel van de Herv. Kerk) en bestemd voor de kinderen van onen minvermogenden. Indien er nog kans was om bij 't onderwijs het Protestants-Christelijk karakter te, bewaren, dan was het wel op deze scholen. Of dit echter altijd het geval geweest is, is op z'n zachtst uitgedrukt te betwijfelen. We moeten eerlijk erkennen, dat ook deze scholen, die uit de revolutie waren overgebleven, niet ontkomen waren aan de machtige invloed van de tijdgeest. Waren het dan geen Christelijke Scholen meer? Dat hing geheel af van de onderwijzer, die aan het hoofd stond. De Diaconiescholen waren Christelijk voor zover de onderwijzer dit was. En gelukkig er waren er nog, die daardoor grote invloed hebben uitgeoefend in verschillende gemeenten en voor de toekomst baanbrekend werk hebben verricht. Ze hebben als 't ware de vaargeul opengehouden te midden van al de bevrorenheid in 't begin der 19de eeuw en 't daarmee aan anderen toegeroepen : Kom ga met ons en doe als wij !

Was dit dan mogelijk ? Kon men dan overgaan tot het stichten van nieuwe Christelijke scholen onder de wet van 1806 ? Ongetwijfeld was dit mogelijk. Alleen maar, alle stichtingskosten en de gehele exploitatie jaar in jaar uit, kwam voor eigen rekening. Dit was al een punt van enorm belang. Maar bovendien was voor elke schoolstichting autorisatie nodig, d.w.z. men moest de toestemming hebben van de betreffende officiële instanties. Dat viel voor het oprichten van Diaconiescholen in de regel nogal mee, al was de weg wel eens wat lang, maar als particulieren wilden overgaan tot het stichten van een school der 2e of Ie, klasse, dan waren er heel wat voetangels en klemmen en moest dikwijls weigering op weigering geïncasseerd worden.

We willen dit eens bij een paar scholen uit de historische gegevens nagaan.

De eersten, die onder de vigerende wet van 1806 de hand aan de ploeg sloegen, was de kerkeraad der Chr. Afgescheiden Gemeente te Amsterdam, onder voorzitterschap van ds. S. van Velzen. Zij zonden in Februari 1840 een adres aan de Koning, waarin zij verlof vroegen tot oprichting van een Diaconieschool. De kerkeraad dezer gemeente voelde heel sterk de behoefte om de Christelijke opvoeding van de kinderen der gemeente in eigen scholen veilig te stellen. Hoewel ze de noodzakelijkheid inzagen van dit onderwijs voor al hun kinderen, oordeelden ze het toch raadzaam om verlof te vragen, bepaaldelijk voor een Diaconieschool, wijl hiertegen bij de autoriteiten minder bezwaren bestonden dan tegen die Bijz. scholen, die ook voor betalenden toegankelijk waren. Immers zouden deze laatsten gevaarlijke concurrenten kunnen worden voor de bestaande Openbare Scholen, en dat mocht niet.

Deze autorisatie-aanvrage was aan de Koning geadresseerd, maar dat adres was verkeerd. De regering verwees dan ook de kerkeraad naar de Stedelijke regering van Amsterdam, waar nu opnieuw een aanvrage werd ingedierid. En ziet, reeds in Augustus van ditzelfde jaar werd door Amsterdams Stadsbestuur de aanvrage ingewilligd en nlzo de oprichting ener Diaconieschool voor de Chr. Afgescheiden Gemeente toegestaan.

Nu kon men beginnen ; ja, maar nu begonnen de moeilijkheden ook. Er moest een gebouw zijn, meubilair, wat leermiddelen en er moest ook personeel komen, en dat moest betaald worden. In de behoefte aan een gebouw werd voorzien door een pakhuis, dat achter de kerk stond. De kosten van verbouwing zouden ongeveer ƒ 600.— bedragen en men kon slechts rekenen op toezeggingen tot een bedrag van ƒ 261.—. Daarom werd besloten ook betalende leerlingen toe te laten, die ƒ 16.— per jaar aan schoolgeld moesten bijdragen, indien namelijk de Stedelijke regering er zich niet tegen verzette. En eigenaardig, hoewel dit in strijd was met de wettelijke bepalingen voor de Diaconiescholen, de regering heeft er zich niet tegen verzet. Dat kwam dus in orde.

Een onderwijzer werd gevonden, die tegenover z'n medesollicitanten vooral uitmuntte in schrijven, zingen en lezen. Hij had een gezin, bestaande uit z'n vrouw en vier kinderen, en zou als salaris ƒ 200.— per jaar ontvangen, of zoveel meer, als uit de eventuele opbrengst der schoolgelden zou kunnen worden bijgepast. Daarvoor moest de meester onderwijs geven in spellen, lezen, rekenen, zingen, de beginselen van geschiedenis en aardrijkskunde ; ook moest hij met de kinderen catechiseren uit Catechismus en Kort Begrip, en dat alles dagelijks van 9—1 en van 3—7, behalve Woensdag en Zaterdag, wanneer er alleen 's morgens school werd gehouden. De vacanties zouden in totaal niet meer dan 4 weken per jaar mogen bedragen. Uit de instructie stippen we nog aan : , , De tucht moet zodanig gehandhaafd worden, dat de kinderen, die niet naar de vermaning des meesters willen luisteren, zullen gestraft worden met te staan onder een praatbord, vervolgens te staan onder een schandbord, ten derde door slagen met een mattenstok. Indien een kind in het geheel niet zou willen horen, dan moest de meester hetzelve met wegzending uit de school bedreigen".

De 23 Aug. 1841 werd de school reeds geopend — en hoewel men slechts verlof gevraagd en gekregen had voor de oprichting van een Diaconieschool, werden alle kinderen der gemeente toegelaten, óok dus diegenen, voor welke schoolgeld betaald kon worden. Deze overtreding heeft echter nooit inmenging van de zijde der regering of van de inspectie tengevolge gehad. De Amsterdamse heren waren blijkbaar nogal liberaal in hun opvatting betreffende de uitvoering van de Onderwijswet.

Een en ander had tot gunstig gevolg voor de meester, dat hem al spoedig 7 gld. per week salaris kon worden uitbetaald en na enkele weken zelfs 9 gld., eohter onder voorwaarde, , , dat hij ook de overige werkzaamheden in de gemeente, die met het schoolmeesterschap kunnen verbonden worden, zou waarnemen". Deze clausule was nogal ruim gesteld. Ik weet niet, of er ooit moeilijkheden door zijn ontstaan. Een ander punt was dat de onderwijzer weldra ook vergunning kreeg om voor eigen rekening avondschool te houden, mits alle onkosten, zoals vuur en licht, door hem zelf hetaald werden. Reeds aan het einde van 1841 kon de kerkeraad zeggen : De Heere heeft het ons aan niets laten ontbreken. „Mocht de Heere ook Zijn Geest in ruime mate uitstorten, opdat wij in de vrede en de gemeenschap Gods tot Zijn eer mogen leven !" Dat was de bede, die aan de danktoon werd toegevoegd.

Hoezeer wij ook bewondering hebben voor de geloofsmoed en het doorzettingsvermogen dezer broeders, we mogen toch ook het oog niet sluiten voor de ernstige bezwaren, die er tegen dit schooltype werden ingebracht. Men wilde er mee doen herleven de school uit de 17e en 18e eeuw en men hield er weinig rekening mee, dat er in een paar eeuwen, ook op onderwijsgebied, wel één en ander was gebeurd. Bij het indragen der geloofswaarheden in de school, verviel men in zijn ijver tegen de dogma-vijandige geest bij het onderwijs door reactie in de tegenovergestelde fout: het dogmatisme.

Mr. Groen van Prinsterer waarschuwde zeer ernstig. — De verkiezing bijv. werd geleerd in leesboekjes voor het spellen ; de praedestinatieleer kwam voor in het boekje, waarbij de kinderen voor het eerst in aanraking kwamen met woorden van 4 lettergrepen, 't Was ongetwijfeld goed bedoeld, maar Groen beklaagde in het tijdschrift , , De Vereniging" van Oct. 1848 , , het lot der kinderkens, waaraan men de verborgenheden der H. Schrift in leeslesjes opdiste, als ware het de onvervalste melk, waarvan de Apostel de toediening begeert". Groen's grote bezwaar was, dat de verborgenheden der Heilige Schrift in theologische vorm aan kleine kinderen werden meegedeeld.

Groen was helemaal niet tegen leerstellig onderwijs, ook niet tegen de Catechismus, hoewel hij van mening was, dat - dit onderricht beter in een afzonderlijk uur onder meer rechtstreeks toezicht van de predikant moest gegeven worden. Ook was hij niet tegen de vermelding van het leerstuk der verkiezing aan kinderen, dit was immers onafscheidelijk van de leer der vrije genade. , , Maar" — zo schreef hij — „men moet niet de terminologie der kerkvergaderingen met het woordenboek der kleinen verwarren. Als de leerling nog geen 10 kan tellen, zullen wij het theorema van Pythagoras, hoe belangrijk ook, laten rusten".

Toch heeft deze school en zovele andere, ondanks de genoemde bezwaren, met grote zegen gewerkt en mede de weg gebaand voor de grote bloei van het Christelijk Onderwijs, die eenmaal komen zou.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's