CHRISTUS UIT HET CENTRUM
Dr. B. meent, dat door de belijdenis, of wat hij de achtergrond der belijdenis acht te zijn, Christus uit het centrum wordt weggehaald.
Dit is een onjuiste conclusie, omdat de onderstelling, waarvan dr. B. uitgaat, onjuist is. Hij zegt n.l. dat verkiezing en verwerping achter Christus om in een abstracte eeuwigheid plaats vinden.
Dit echter leert de confessie niet, maar geheel in overeenstemming m.et de Heilige Schrift, leert zij, dat de verkiezing in Christus heeft plaats gevonden. (I. 7.). Reeds daarom kan zij niet buiten de Christus om gaan. Trouwens alle werken Gods zijn werken van de Drieënige en Christus is de Uitvoerder van de werken Gods, terwijl de Heilige Geest Hem is geschonken niet met mate. Calvijn noemt de Zoon en de Geest treffend de handen Gods.
Christus wordt derhalve niet uit het centrum weggehaald, en de dingen worden ook niet in Christus gezet. Maar .overeenkomstig de leer der Schriften wordt heieden, dat de gemeente in Christus verkoren is.
Dr. B. geeft alzo een interpretatie, welke hij aan degenen, die hem geloven willen, opdringt, maar welke intussen als onjuist moet worden afgewezen.
De daarop volgende zinsnede verdient ook nadere beschouwing : „En vooral : de mens kan nu dus niet meer eenvoudigweg naar het oprecht geloof in Christus worden verwezen, om van zijn verkiezing zeker te zijn." (Wij cursiveren, S.).
Drie dingen vragen onze aandacht: de uitdrukking eenvoudigweg, het oprechte geloof en de zekerheid der verkiezing.
Dr. B. zegt n.l. : Want, wie uit de abstracte eeuwigheid omlaag kijkt, gaat vragen, hoe weet ik, of mijn geloof echt is ? Hoe weet ik, of ik tot de uitverkorenen behoor ?
De eenvoudigheid moet dus in de gedachten van dr. B. weggevallen zijn door dat, wat hij noemt, , , uit de abstracte eeuwigheid omlaag kijken".
Nu is dat inderdaad niet eenvoudig, want geen mens is bij machte van de abstracte eeuwigheid omlaag te kijken. Doch hier wordt dr. B. toch in zijn eigen garen gevangen, want hij is het, die van de abstracte eeuwigheid spreekt.
Verder ligt in de bovenaangehaalde volzin de conclusie, dat de zekerheid zijner verkiezing voor iemand ligt in hei oprecht geloof. Hier schijnt dus een treffende overeenkomst met de Leerregels, die een waar geloof in Christus een vrucht der verkiezing noemen, waardoor de uitverkorenen daarvan worden verzekerd.
Het oprecht geloof in Christus, waarvan dr. B. spreekt, schijnt dus moeilijk iets anders te kunnen bedoelen dan het waar geloof van de belijdenis, temeer, waar beide uitdrukkingen de zekerheid der verkiezing op het oog hebben.
En toch moet hij iets anders bedoelen, want als hij zo spreekt van het oprecht geloof, zou men ook zonder die abstracte eeuwigheid geneigd zijn te vragen : Hoe weet ik, dat ik het oprecht geloof heb ?
Het is misschien wat te veel gevergd volgens dr. B. het oprecht geloof te willen hebben. Dr. B. immers zegt: de mens kan nu (dat is in die verkeerde veronderstelling) niet meer eenvoudigweg worden verwezen naar het oprecht geloof in Christus, om van zijn verkiezing zeker te zijn.
Het verwezen worden kan toch als zodanig geen zekerheid der verkiezing geven. Men zal In het oprecht geloof moeten delen. ^
En dan is de vraag van belang, hoe weet ik., dat ik deel heb aan het oprecht geloof in Christus, opdat ik van mijn verkiezing zeker moge zijn.
Niet alleen, als men gedacht wordt van een abstracte eeuwigheid omlaag te kijken, maar als men eenvoudigweg verwezen wordt naar het oprecht geloof in Christus, ligt toch de vraag voor de hand, hoe weet ik, dat ik deel in het oprechte geloof in Christus ?
Wil dr. B. wat anders dan krijgt het woordje eenvoudigweg iets van een toverwoord. Immers dan moet men zich afvragen, 'of dr. B. soms bedoelt, dat de verwijzing naar het oprecht geloof in Christus reeds voldoende is om van zijn verkiezing zeker te zijn.
Dat zou dan betekenen, dat het op het persoonlijk geloof niet aankomt. Geloven of niet-geloven, de verkiezing is in Christus toch zeker. In onze dagen worden wel , , theologische" gedachten gelanceerd, die in zulk een richting gaan.
Er is echter goede grond om zulke gedachten toch niet meer tot een gezonde en levende theologie te rekenen.
Dr. B. beschuldigt de Leerregels zelfs van Remonstrantisme. Immers men wordt naar zijn gevoelens en naar zijn zelfbeschouwing verwezen om van zijn verkiezing zeker te zijn. Hierbij wordt verwezen naar Leerregels I. 12 en III. 13. Evenals bij de Remonstranten moet hij aan „eigen geloof gaan geloven !"
Ook deze opmerking maakt de indruk, dat het oprecht geloof in Christus derhalve aan het geloof van een ander gelooft.^ Dat lijkt er op te wijzen, dat Christus ook voor ons gelooft. Ook zoiets wordt wel eens beweerd.
Indien dat zo zou zijn, zou het geloof dus niet een vrucht der verkiezing, en geen gave Gods zijn. Het geloof zou dan ook geen gemeenschapsoefening met Christus zijn, het zou geen inhoud hebben. Het zou immers geen andere betekenis hebben dan deze : ik geloof in het geloof van Christus.
De gehele Catechismus kan in deze „hoofdsom" begrepen worden. En begin dan niet met de Heidelberger : Welke is uw enige troost beide in leven en sterven. Spreek niet over troost, en gewaag niet van geweld des duivels en van wat daar verder staat. Dat zijn alle menselijke gevoelens en beschouwingen over de mens.
Wat hebben dan de apostelen veel te veel gepraat over allerlei. Wat hebben zij zich moeilijk gemaakt over vele dingen, die niets ter zake zouden doen!
En de Evangeliën en Christus zelf ? « Zo heeft de Christus zelf niet gepredikt. Nergens horen wij uit Zijn mond : Ik heb voor u geloofd. Nergens vernemen wij van Hem, dat het eigenlijk niet ter zake doet, of wij geloven, of niet geloven.
En zo zijn Zijn discipelen ook niet geleerd. Wel heeft de Heere, voor de Zijnen geleden en gebeden, ook voor degenen, die door hun woord geloven zullen. (Joh. 17 : 20). Maar de Christus zegt ook heel duidelijk en met onderscheiding : „Ik bid niet voor de wereld!". (Joh. 17:9).
En in een andere plaats te, noemen: , , Die in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem." (Joh. 3 : 36).
Een zodanig geloof kan toch buiten ons hart niet omgaan, want de Schrift spreekt van bekering des harten. En als het buiten ons hart niet kan omgaan, terwijl de Heilige Schrift daarvan ook herhaaldelijk spreekt, kan het niet buiten ons zieleleven in al zijn verscheidenheid van beleving omgaan.
Met Remonstrants heeft dit op zichzelf niets te maken, om de eenvoudige reden, dat de gereformeerde belijder de norm van zijn geloof niet in zijn gevoel, verstand of wil heeft, maar in de Heilige Schrift.
Dr. B. spreekt van het oprecht geloof in Christus, doch hij zegt er niet bij, aan welke norm dat gemeten wordt en waarin de oprechtheid is gelegen. De vrees: is gewettigd, dat dit evenzeer een abstract ideaal is als de abstracte eeuwigheid, welke hij achter de belijdenis wil plaatsen.
Wat echter wel met Remonstrants te maken heeft, is een redenering, die verschillende stukken van de belijdenis aan menselijke beschouwingen toeschrijft, terwijl zij letterlijk aan de Heilige Schrift zijn ontleend.
Dat wijst op een gezindheid, welke zich niet aan de Heilige Schrift wil onderwerpen en aan eigen oordeel hogere zo niet normatieve waarde toekent.
De Dordtse Leerregels bewijzen overigens duidelijk genoeg, dat zij door de Heilige Schrift willen geleerd zijn.
Het is overigens ook wel duidelijk geworden, dat dr. B. en de zijnen ambivalent staan tegenover de belijdenis. Zij willen n.l. aanvaarden als algemeen Christelijke belijdenis, wat dr. B. daaruit heeft genomen als omschrijvende de bedoeling. Hij noemt dat positief, maar hij wijst de verkiezingsleer af, evenals de Remonstranten tegen wier leef de Leerregels gericht zijn.
Wat er overblijft volgens deze zienswijze kan door Protestanten en Roomsen worden beleden en daarmede is aangetoond, dat het hart der reformatorische belijdenis er uit is gesneden.
Hoezeer dit ook door dr. B. Wordt toegegeven, kan blijken uit zijn oordeel, dat hij het voor onmogelijk houdt door gravamina te scheiden, wat hij aanduidt als vormgeving en bedoeling. Hierdoor toch wordt aangetoond, dat de leer der verkiezing de achtergrond der Leerregels vormt.
Hoe kan het anders, want het gaat om de leer der verkiezing, door Calvijn het hart der kerk genoemd.
Daarmede wordt voorts ook aangetoond, dat wat dr. B. vormgeving noemt het centrale, de hoofdzaak raakt. De waardering „vormgeving" is daarom volledig misplaatst.
Wij moeten ons dan ook ten stelligste verzetten tegen de vormgeving van dr. B., die het doet voorkomen, alsof het met de bedoeling der Leerregels overeenkwam te spreken van het souverein en verkiezend karakter van de Heilige Geest, wanneer wij om het geloof bidden. Dit zou een ommekeer in de Goiddelijke huishouding betekenen, welke de Leerregels niet leren.
Ook de , , vormgeving" van het pastorale aspect door dr. B. voorgesteld kan in getrouwheid aan de Leerregels niet worden aanvaard. Toegegeven, dat in sommige kringen van gereformeerden de leer der uitverkiezing wordt misbruikt, is het ten eenenmale onjuist, dat een pastorale en vertroostende prediking buiten de leer der verkiezing zou moeten omgaan. Integendeel, buiten de verkiezing om, verliest de vertroostende prediking haar diepe grond.
Indien dit niet zo ware, hoe zon men de leer der verkiezing en wat daarmede saamhangt hebben kunnen onderscheiden als de protestantse centraaldogmen.
Wie die leer wegredeneert knaagt aan het hart van de reformatie. Men kan dit in het stuk van dr. B. reeds daarin waarnemen, dat, hetgeen hij uit de Leerregels neemt, gemeenschappelijk goed voor Rooms en Protestant, de Remonstranten incluis, wordt verklaard.
Een opnieuw belijden zonder de leer der praedestinatie betekent een ondermijning van de kerk der Reformatie en een beslissende stap in de richting der verroomsing.
Dr. B. schijnt deze beslissende stap voor zijn rekening te nemen.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 8 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's