DE WEG VAN HET BELIJDEN
Het antwoord der Synode aan het Hervormd-Gereformeerd Verband heeft één ding nog eens weer duidelijk gemaakt, n.l. dat zij geen binding aan , , de letter der belijdenis en formele uniformiteit in de prediking" wil, zoals dit wordt uitgedrukt.
Zij vindt dit geen waarborg voor tegengaan „van vervlakkende en ontbindende invloeden".
Dit is slechts een negatief argument, dat onmiddellijk tegen de Synode kan worden gericht. Is er enig bewijs, dat haar methode wel een waarborg biedt tegen vervlakkende en ontbindende invloeden ?
Hoe onduidelijk de door haar aangegeven weg moge zijn, het argument dat zij tegen de binding wil aanvoeren is altijd nog sterker tegen de methode, welke zij aanprijst, omdat zij de veelheid van meningen en richtingen als normaal onderstelt.
De verwijzing naar de gang van zaken in andere kerkgemeenschappen van gereformeerd belijden kan bovendien niets bewijzen, omdat de Hervormde kerk in die andere kerkgemeenschappen de levende bewijzen van haar eigen verval heeft te aanschouwen.
Minder duidelijk is het echter wat de Synode meent te moeten verstaan onder binding aan , , de letter der belijdenis en formele uniformiteit in de prediking".
Vergis ik mij niet, dan heeft het Hervormd-Gereformeerd Verband zulk een uitdrukking niet gebezigd. Ik kan dat ook moeilijk aannemen. Binding aan de letter der belijdenis! Hoe zou dan een gereformeerd belijder drie in vorm en uitdrukking zo verschillende belijdenisgeschriften als wij in de drie Formulieren hebben als getuigenissen van één en hetzelfde geloof aannemen en belijden ? Hoe zou ook een gereformeerd belijder de onderscheidene buitenlandse 'belijdenissen als zodanige getuigenissen erkennen, als daar zijn de Franse, de Schotse e.a. ? Daarom het gaat om de belijdenis des geloofs, niet om de 'belijdenis van de letter. Het gaat om hetgeen in de belijdenis staat, om het geloof, dat daar belijdt en beleden wordt. Daarom gaat het niet om formele uniformiteit in de prediking.
Formele uniformiteit in de prediking zoeken de liturgisten en de mensen van de , , orden van dienst" no. zoveel en zoveel.
De gereformeerden is het waarlijk niet te doen om formele uniformiteit in de prediking, maar om hetzelfde belijden op de kansel. Dat zal met het Hervormd-Gereformeerd Verband ook wel het geval zijn.
Zou de Synode nu heus menen, dat men een formele uniformiteit in de prediking wenst?
En ais de Synode het zo niet bedoelt, waarom drukt zij zich dan zo uit ?
, , Als wij het goed begrepen hebben", zegt ds. L. in de Hervormde Kerk van 10 October in zijn verslag. Maar hij geeft de zinsnede, waarop wij hebben gewezen, als een aanhaling van de Generale Synode. Die staat waarschijnlijk dus zo in haar antwoord.
Welke weg dan wel ?
, , Die, welke terug voert naar de Heilige Schrift", wordt gezegd.
Ds. L. gebruikt nu geen , , ", zodat wij in de volgende zinsneden mogelijk zijn eigen omschrijving hebben.
Zijn de belijdenisgeschriften dan van geen betekenis meer ? vraagt ds. L.
Zeker wel ! Zozeer zelfs, dat wij in gemeenschap willen leven met dat wat onze vaderen beleden hebben en in hun belijdenisgeschrifen hebben neergelegd. Hun godsdienst is de onze. We hebben dezelfde bijbel en de Heilige Geest spreekt tot ons hart geen andere dingen dan Hij tot hun hart sprak.
Ziedaar het antwoord, dat wij van ds. L. overnemen.
Daarin staan enkele stellingen, welke in haar algemeenheid niet zonder bedenking zijn b.v. , , Hun godsdienst is de onze !" Wat wil men daarmede zeggen?
Wat verstaat men onder de godsdienst van onze vaderen ? Wat bedoelt men met het woord godsdienst ?
Dat is waarlijk niet zo eenvoudig.
Men kan b.v. het woord godsdienst niet zonder meer vervangen door geloof, omdat het begrip godsdienst in veel uitgebreider betekenis kan gebruikt worden. Het kan b.v. alleen betrekking hebben op de uiterlijke verschijningsvormen der religie, om dat vreemde woord eens te gebruiken en het kan ook in nauwere zin gebruikt worden. Men kan het standpunt innemen, dat één algemene religie ten grondslag ligt aan alle godsdiensten en godsdienstige versdhijnselen, welke onder de volkeren worden aangetroffen. Op die wijze kan men ook spreken van de Christelijke godsdienst naast het Mohammedanisme enz; Dan valt de Christelijke godsdienst wederom uiteen in verschillende typen : 'b.v. de Roomse, de Lutherse en de Gereformeerde type.
Calvijn gebruikt het woord religie in een nauwere zin, zodat het eenvoudig door geloof kan worden vertaald ; b.v. Onderwijzing van de Christelijke religie, de titel van zijn hoofdwerk. Deze bedoelt inderdaad te zijn een onderwijzing van het Christelijke geloof.
Men ziet dus, dat de zinsnede : „Hun godsdienst is de onze" nog volstrekt niet duidelijk is. Het is zelfs zeer de vraag, of men met dezelfde vrijmoedigheid zou zeggen : Hun geloof is het on ze en daarom is hun belijdenis de onze!
Wie acht geeft op alle stemmen, die op kerkelijk erf worden gehoord en let op de persuitingen, waarvoor de Synode verantwoordelijk moet worden gesteld, kan niet aannemen, dat de Synode eenstemmig zou onderschrijven : Het geloof der vaderen is ons geloof en hun belijdenis is onze belijdenis.
Men kan dit niet camoufleren door van gemeenschap te spreken en zeer fundamentele stukken van de belijdenis onder een schijn van rechtzinnigheid af te wijzen en zelfs te bestrijden. Wij hebben een proeve daarvan gezien in de artikelen van dr. Berkhof over de belijdenis.
En vraag nu eens opheldering over een zinsnede als deze : , , Wij willen in gemeenschap leven met dat wat onze vaderen beleden hebben".
Dat wat onze vaderen beleden hebben is hun geloof, en wanneer daarmede nu niets anders bedoeld wordt dan het voor de hand liggende, dan zou men verwachten : hun geloof is ons geloof, daarom is hun belijdenis onze, belijdenis. Maar dat zegt men niet en dat bedoelt men klaarblijkelijk ook niet.
, , Wij hebben dezelfde bijbel", zo vervolgt ds. L. zijn verslag, of zijn commentaar.
Dezelfde bijbel ! Dat is wel zo. Alle kerken hebben dezelfde bijbel. Het blijkt echter in de historie, dat zij die niet alle op dezelfde wijze verstaan.
De kerk onder het Pausdom had dezelfde Bijhei als de kerk der Reformatie. Ik neem nu het woord kerk in uitwendige zin.
Iemand zal zeggen : de mensen onder het Pausdom, het lekenvolk, had de Bijbel niet. Dat is ook zo, maar de geestelijkheid dan toch wel.
Wil men de Reformatie niet verloochenen, — en wanneer men gemeenschap wil hebben met het geloof der vaderen — betekent dat, wil men zijn reformatorisch geloof niet verloochenen, dan moet men toegeven, dat de Bijbel kan worden misverstaan, dat een kerk kan afdwalen en dat dit onder het Pausdom in zeer ernstige mate het geval is. Met andere woorden te zeggen, dat wij dezelfde Bijbel hebben, zegt nog niets voor de zuiverheid van ons geloof. De Bijbel hebben en de Bijbel verstaan is nog niet hetzelfde.
Dat gevoelt ds. L. klaarblijkelijk ook wel, want hij voegt er wat bij : , , en de Heilige Geest spreekt tot óns hart geen andere dingen dan Hij tot hun hart sprak".
Kan men dat maar zo in het algemeen zeggen?
Zo ja, dan sprak de Heilige Geest ook tot de harten onder het Pausdom. Hoe kon dit dan dermate dwalen ?
Ziet, als het getuigenis des Heiligen Geestes in de harten der mensen zó algemeen wordt gesteld, moet de vraag zich opdringen : of de kerk dan geen grenzen heeft, m.a.w. of de grenzen tussen kerk en wereld zijn opgeheven.
Wie zegt: „de Heilige Geest spreekt tot ons hart geen andere dingen dan Hij tot hun hart sprak", spreekt als de kerk in geestelijke zin. Eveneens, als hij spreekt van , , hün hart" doelende op de vaderen, dan houdt hij ook de vaderen voor de kerk in geestelijke zin.
Of is het niet alzo, dat de Kerk van Christus door de Heilige Geest wordt geleid in de dingen, die des Geestes Gods zijn, m.a.w. in de Heilige Schrift— en dat dit het voorrecht der uitverkorenen is ?
Vanuit dit gezichtspunt is het ook juist, dat de Heilige Geest tot Gods kerk van heden geen andere dingen spreekt dan tot Zijn kerk in de dagen der Reformatie. Maar juist daarom vragen wij, of dit niet zou insluiten, dat de belijdenis der vaderen ook de onze is en alszodanig wordt erkend, als wij van gemeenschap met hun geloof gewagen.
Intussen is dit wel wat anders als de algemene stelling van ds. L. Daaruit volgt ook, dat wij het met zijn conclusie niet eens kunnen zijn.
Inderdaad onderscheidt hij degenen, die hij onder het woordje wij wil begrepen hebben van , , de kinderen van deze tijd". Hij zegt n.l. : , , Maar als wij, dat, wat wij gehoord hebben, willen vertolken voor de kinderen van deze tijd, dan zullen wij dat moeten proberen te doen met onze eigen woorden". Die met , , wij" aangeduide mensen schijnen als een profetenvolkje te worden voorgesteld, dat zich met hetgeen het gehoord heeft, tot de kinderen van deze tijd richt.
Die indruk wordt nog versterkt door wat er op volgt.
, , Wij zullen", zo gaat ds. L. verder, , , in wezen hetzelfde zeggen als zij". Hij bedoelt dus de vaderen en die ingevoerde , , wij", wij zullen in wezen hetzelfde zeggen.
In wezen ! Dat lijkt op de bekende geest- en hoofdzaakformule.
Doch dan komt er nog wat bij : , , Maar God geeft óns een antwoord op de vragen en noden, waar wij mee zitten !
Dat klinkt todh wel heel bijzonder. Hebben wij te veel gezegd met dat profetenvolkje ?
Hoe moet men zulke dingen nu waarderen ? Wij willen maar liever zwijgen en geen waardering uitspreken. Het heeft er echter alle schijn van, dat die „wij", die hier sprekende wordt ingevoerd, de genoemde vragen en noden van meer gewicht acht dan de grote vraag der Reformatie : , , Hoe vind ik een genadige God in de hemel ? " Op deze vraag geeft de Schrift een antwoord en daarvan getuigen de belijdenisgeschriften.
Wij kunnen niet aannemen, dat de kinderen van deze tijd op een andere wijze zullen zalig worden dan het geslacht der vaderen.
En is het misschien niet de grootste nood van onze tijd, dat men van die, weg niet gediend wil zijn ?
Ten slotte, als ds. L. zo spreekt, zou het toch wel van belang zijn, dat de door hem genoemde , , wij" dat profetisch licht verspreidde en het Goddelijke antwoord op de noden en vragen, waarop hij het oog heeft, in concrete vorm bekend maakte. Dat kan niet afgedaan worden met een bewering, dat de Bijbel zo rijk is, dat ze in de 16e en 17e eeuw waarlijk niet uitgeput werd.
Het enige lichtpunt hierin is dit, dat ds. L. dat antwoord uit de Schrift wil geput hebben.
, , Uit de Schrift", dat zochten de vaderen ook.
Maar dan is het ook niet kwaad om zulks in hun voetspoor te doen en in de weg van hun Schriftgeloof.
Over de dwaling, waarover ds. L. dan verder gaat spreken, hopen wij het een volgende keer te hebben.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's