DE GEZANGENKWESTIE
(Afgeluisterd, vóór het begin van de dienst in een z.g. vacantiebeurt, in een kerk in een sterk overwegend middenorthodoxe gemeente) : Zij : Zeg er staan helemaal geen gezangen op het bord. Hij : Nee Gereformeerde Bond. Zij : Vreselijk.
I.
In de gereformeerde gemeenten van onze Kerk worden nog steeds de gezangen uit de eredienst geweerd.
Menig gereformeerde denkt wellicht: ja, waarom doen wij dat ook alweer niet ? of wel, hij denkt daarover helemaal niet, waardoor er enige aanleiding sdhijnt te zijn om ds. Strijd in zijn preek voor het IKOR d.d. 28 Juni j.l. te, doen uitroepen : Men zingt psalmen in de kerk, maar denkt er niet aan, een gezang mee te zingen ; waarom niet ? Niemand die het weet. Adat! — Ook ds. Buskes schijnt in een terzijde in het weekblad In de Waagschaal niets anders dan een historische grond te kunnen vinden voor het uitsluitend psalmgebruik — we zullen daarbij maar in het midden laten of hij de historie der Kerk dan wel de historie van ds. Buskes op het oog heeft.
Dat men zowel aan gereformeerde als aan middenorthodoxe zijde van de tegenstelling inzake het gebruik van gezangen in de eredienst vaak niet meer zulk 'een duidelijke voorstelling heeft, is wel te verklaren. Het is namelijk al heel lang geleden, dat het gesprek over deze zaak werd beëindigd, of liever : doodliep in een tegenover elkaar stellen van de standpunten met min of meer geslaagde argumenten. Lang geleden niet alleen wat de tijdsduur betreft, maar vooral als we letten op wat zich sindsdien in de Hervormde Kerk heeft afgespeeld. Dogmatisch traden grote verschuivingen op, terwijl organisatorisch de invoering van de nieuwe kerkorde, een belangrijke verandering betekende. Dit alles deed de gezangenkwestie uit de gezichtskring verdwijnen. De gereformeerde gezindte gevoelde onder de gegeven omstandigheden weinig behoefte, zijn standpunt in dezen opnieuw of verder te verdedigen, de overigen niet om het aan te vallen ; het is nu eenmaal een zaak van secundair belang.
Kan het dan wel nuttig zijn, deze kwestie weer voor het voetlicht te brengen ? Wij menen van wel. Het besef van de motieven moge zijn verflauwd, de tegenstelling zelf is nog springlevend. Voor het gereformeerde kerkpubliek is de orthodoxie van de predikant-met-gezangen bij voorbaat verdacht; terwijl bij andersdenkenden de begrippen : geen-gezangen, Gereformeerde Bond en vreselijk, kennelijk vlak bij elkaar liggen. Ook op hoger niveau is de tegenstelling zeer reëel. Men ziet nogal eens de verontrustende figuur, dat een kerkeraad van een gemeente, waar tot dan toe de oud-confessionele prediking werd gehoord, met gezang, bij het beroepingswerk liever wat de prediking betreft middenorthodox water in de gereformeerde wijn doet dan het gezang op te offeren, terwijl men daarbij toch niet, zoals in het omgekeerde geval (het beroepen van een predikant-met-gezang in een gereformeerd georiënteerde gemeente) iets nieuws in de liturgie introduceert waartegen men pricipiëel bezwaar kan hebben.
Maar, zal men opmerken, als de tegenstelling er wel is, doch het besef van de motieven verflauwt, dan is die tegenstelling kunstmatig. Men wachte zich echter voor zo een overhaaste conclusie. Deze motieven kunnen, ook al leven zij niet meer zo bewust onder het kerkpubliek, desondanks wortelen in het geloofsleven van de gemeente. Is dat juist, dan is de veronderstelling, dat deze zaak zonder verdere discussie vanzelf wel doodbloedt, er naast. Men kan dan geen oplossing forceren door een eenzijdig beëindigen van de kwestie, waarbij of overal óf nergens gezangen zouden worden gezongen, omdat vroeg of laat de bezwaren van de andere partij — indien zij althans serieus zijn — toch weer boven zullen komen. In dit licht heeft het alle zin, de bezwaren tegen het kerkelijk gebruik van gezangen op hun ernst te toetsen.
Wanneer wij dit zo uitdrukken, dan bedoelen wij allerminst te zeggen, dat dit niet reeds eerder en beter zou zijn geschied. Omstreeks de tijd van het ontstaan van de Gereformeerde Bond is een discussie gevoerd tussen dr. Gunning en dr. De Lind van Wijngaarden, die zich respectievelijk voor en tegen het gebruik van gezangen verklaarden. Kunnen tegen toon en inhoud van beider verhandelingen terecht bezwaren worden ingebracht, een brochure van prof. Severijn uit de dertiger jaren en een artikel van ds. Bruyn in De Waarheidsvriend van 1946 onderscheiden zich daarvan gunstig door hun gedegenheid en rustige, zakelijke toon, doch gaven bij ons weten geen aanleiding tot een uitwisseling van gedachten.
Wie er zich nu toe zet, iets over de gezangenkwestie te schrijven, kan zich dus ternauwernood vleien met de hoop, iets in het midden te kunnen brengen waarop niet reeds veel eerder de aandacht werd gevestigd.
Het is echter niet uitgesloten, dat de omstandigheden enigszins zijn veranderd. De laatste jaren immers, nu naar het schijnt ook aan de middenorthodoxie hier en daar bij tijd en wijle duidelijk is, dat de nieuwe koers aan de Kerk niet dat heeft gebracht wat oorspronkelijk werd verondersteld, kan men meningen horen verkondigen als : we kunnen het gereformeerde geluid in de Kerk niet missen ; er is tijdens de ontwikkeling van de laatste tijd te weinig op de gereformeerde gezindte in onze Kerk („de Gereformeerde Bond") gelet ; de gereformeerde prediking bevat waardevolle elementen, die men elders schijnt te missen, enzovoorts. Hoewel deze uitspraken o.i. ten onrechte uitgaan van de voor ons bezwaarlijk aanvaardbare modaliteitsgedachte, zou het hoogst onbillijk zijn de goede bedoelingen in deze en andere uitlatingen te miskennen. We moeten veeleer de hierin uitkomende mogelijkheid om de Kerk met meer vrucht tot het gereformeerde (haar eigen) beginsel terug te roepen, dankbaar trachten te benutten.
Wie nu zou denken, dat deze opmerking bedoeld zou zijn om de aandacht rechtstreeks te leiden naar het gereformeerde standpunt: geen gezangen in de Kerk, vergist zich. Wij zien deze kwestie sleöhts als een uitvloeisel van veel belangrijker zaken, waarvoor wij te zijner tijd oök de aandacht hopen te vragen. Hoewel wij dus natuurlijk een „Umstimmung" inzake de gezangen bijzonder zouden waarderen, gaat het nu toch meer hierom, dat, om voor deze belangrijkere zaken een meer open oor te vinden, het nuttig kan zijn dat althans onze houding inzake de gezangen daarvoor geen hinderpaal zal zijn.
Zo kunnen we in de eerste plaats denken aan het volgende. De kerkelijke situatie van het ogenblik drijft hen, die in de huidige ontwikkeling van ons kerkelijk leven grote gevaren zien, meer en meer bijeen. Dit heeft een tastbare vorm gevonden in het Hervormd Gereformeerd Verband, waarin confessionele predikanten met, gezang en gereformeerden zonder gezang elkaar ontmoeten. Vooral deze confessionele broeders hebben er recht op, te weten wat ons hierin drijft, of althans dit nog eens duidelijk voor ogen te zien gesteld.
Daarnaast zullen wij het zeer op prijs stellen, indien de hele Kerk hiervan kennis neemt, en onze uiteenzettingen niet, om een beeld van ds. Landsman over te nemen, zullen worden beschouwd als het blaffen van de honden, terwijl de gezangen zingende karavaan voorttrekt!
Hoewel het de bedoeling van dit op stel over de gezangenkwestie in de eerste plaats is, de motieven van de gereformeerde gezindte om geen gezangen in de eredienst te gebruiken aannemelijk te maken, ontkomt men er niet aan, eerst een, al is het maar zeer summier, historisch overzicht te geven zowel van het gebruik van liederen in de eredienst in het algemeen als van de gezangenkwestie als strijidvraag in het bijzonder. De oudtestamentische gemeente dan bedlende zich uitsluitend van de psalmen.
De nieuwtestamentische Kerk in de eerste eeuwen gebruikte eveneens psalmen, doch vrijwel zeker ook vrije liederen, zoals blijkt uit berichten o.a. van Plinius de Jongere (Ie eeuw), en uit het feit, dat het concilie van Laodicea in 360 het gebruik van „eigengemaakte psalmen" in de kerk verbood. Pas op een der concilies van Toledo (633) schijnt het vrije lied definitief vaste voet in de Kerk te hebben gekregen. Toen later de kerkdienst veruitwendigde, werd het zingen in de eredienst de taak van het koor, waardoor de gemeente van de psalmen langzamerhand geheel vervreemdde.
Bij de reformatie werd de gemeentezang hersteld, waarbij in de Lutherse kerken van meet af aan naast de psalmen ook gezangen werden gezongen. Calvijn sloot zich aan bij de opmerking van Augustinus, dat men God niets waardigs kan toezingen, dan dat men zelf van God heeft ontvangen, en zo gebruikten de calvinistische kerken alleen de psalmen, met een enkele uit de Schrift genomen lofzang. Voor wat de Kerk in ons land betreft bleef deze toestand na de poging van de Remonstranten in 1612, om gezangen in te voeren, bijna twee eeuwen bestendigd.
In 1807 werd een gezangbundel van 194 gezangen aan de Kerk „aangeboden", die vrij veel verzet ontmoette. Zij, die voor deze nieuwigheid niets gevoelden, wezen er op, dat alleen een Generale Synode het recht had zo een bundel in te voeren ; dit was namelijk nu door de verschillende provinciale synoden geschied, omdat een Generale Synode sinds 1619 niet meer bijeen was geweest. Door zich hierop te beroepen was de zaak behalve een gevoelskwestie ook een juridische kwestie geworden, en een bron van eindeloos geharrewar. Dit verergerde, toen sommige provinciale synodes, en na 1816 de Algemene Synode voor het gehele land, het gebruik van deze bundel verplicht stelde, een verplichting die eerst in 1864 weer verviel.
Bij Afscheiding en Doleantie speelde de gezangenkwestie wel geen beslissende, maar toch wel een belangrijke rol.
De gereformeerd georiënteerde gemeenten in onze Kerk hebben zich sinds 1864 vroeger of later weer van de gezangen afgewend en onthouden zich nu van het gebruik van gezangen in de kerkdienst.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's