EEN BELANGRIJKE VRAAG
Wie is de man, die de HEERE vreest? (Ps. 25 vs 12a)
Wie in verborgen omgang met God zijn hart mag uitstorten voor Diens aangezicht, wordt vervuld met goede gedachten van de Heere.
Zo verging het Davïd, in de 25ste Psalm. Als een arm, zwak en lelijk kind in zichzelf, had hij een horend oor en een liefhebbend Hart in de hemel gevonden. En vanzelf komt de overweging bij hem, hoe groot voorrecht het toch is om die God des Verbonds te kennen ; die God, Die de zondaars onderwijst in de weg, de zachtmoedigen leidt in het recht. Wiens paden goedertierenheid en waarheid zijn dengenen, die Zijn verbond en getuigenissen bewaren.
En zo komt hij tot de uitroep : Wie is de man, die de Heere vreest? Want wat is die bevoorrecht en wat heeft die een kostbare schat! Immers hij gaat op een weg, waarop zelfs de blinden niet dwalen en hij ervaart voor zichzelf en zijn kinderen, dat God goed is.
David ziet die rijkdom der vreze Gods en gunt ze, daarom ieder. Het waarachtig geloof maakt mededeelzaam. Daarom prijst hij de vreze Gods aan en nodigt er vragend toe uit, zoals de berijming terecht vertaalt : Wie heeft lust de Heer' te vrezen, 't allerhoogst en eeuwig goed?
Zo komt die vraag heden ook tot ons, lezer : Wie is de man, de vrouw, de jongen, het meisje, die de Heere vrezen? Daar wordt nu niet gevraagd : Wie is godsdienstig? Wie gaat er naar de kerk? Wie is rechtzinnig en zuiver in de leer? Maar uitnodigend wordt ons gevraagd, of we de Here vrezen?
Wat wordt door deze vraag ons een zelfonderzoek op het hart gebonden. Want die vreze Gods ligt dwars tegen ons natuurlijk bestaan in. Deugdzaamheid, kerksheid en rechtzinnigheid kunnen heel goed in de lijn van ons vlees worden gebracht, wijl daarin onze hoogmoed en eerzucht best voedsel kunnen vinden. We kunnen als kerks mens ons best meten met een volk, dat de wet niet kent. Bovendien zijn de vooraanzittingen in de synagoge niet te versmaden. Maar vreze Gods vernietigt de mens in zijn waan en doet God alléén groot zijn. Daar hebben we dan tegelijk de reden, waarom de Schrift moet getuigen, dat er niemand is, die God zoekt en dat allen tezamen zijn afgeweken, omdat zij allen het hunne zoeken. Het is eerder naar ons hart om God niet te vrezen en geen mens te ontzien.
Ja, zó is het met die en die Neen, met u en mij !, tenzij Ja, er is toch een , , tenzij", en daarom mogen we vragen met David : Wie is de man, de vrouw, die de Heere vreest, wetende, dat ze er gevonden worden, dat ze er waren, zijn en komen zullen, die lust tot die vreze hadden en hebben. Al moest het, dat ze uit stenen werden bereid. Want waar het Woord des Heeren is, daar zal Zijn Geest wonderen doen aan doden en zo verwekken, die de Heere vrezen.
Hebben we de macht van het Woord Gods zó in ons leven ervaren?
Laat ons tot ontdekking en vertroosting overdenken wat iemand, die de Heere vreest, voor een mens is.
Hij is het niet, die naar voren komt en zegt : Hier heeft u er één. Het is veeleer degene, die bang is geworden voor eigen hart. Zijn ogen zijn open gegaan, waardoor hij Gods hoogheid en heiligheid en zijn eigen ware gedaante is gaan zien. En nu ontdekt hij steeds meer het tegendeel van datgene, wat hij onder vreze Gods toch meent te moeten verstaan. Want die vreze houdt toch in, zichzelf wegwerpen, zijn eigen ik en belang de dienst opzeggen en knielen aan de voeten Gods, Die hij als zijn Schepper leerde eren en als zijn Verlosser leerde aanbidden : Ik ben de Heere, uw God, De vreze Gods houdt toch in, Zijn Woord voor waar houden en eigen hart en gedachten voor leugenachtig erkennen. Doch daartegenover ontdekt hij bij zichzelf zo vaak onder het masker van zijn godsdienstige verrichtingen heimelijke zelfhandhaving. Ach, Heere, zo zucht hij, wie is de man, die op 't nauwkeurigst kan zijn dwalingen doorgronden? O, Bron van 't hoogste goed, was, reinig mijn gemoed van mijn verborgen zonden. Hij leert zich steeds meer als enkel duisternis in zichzelf kennen en moet het licht van buiten hebben, waarom hij niet in het donker van zijn eigen hartecel kan blijven zitten, want daar zou hij van ademnood omkomen.
Als hij van vreze Gods hoort, naar Psalm 15 (Heere, wie zal verkeren in Uw tent? Wie zal wonen op de berg Uwer heiligheid? Die oprecht wandelt, en gerechtigheid werkt en die met zijn hart de waarheid spreekt, enz.), dan ziet hij zich, zoals hij zich in zichzelf waarneemt, niet een paar streepjes onder de maat, niet een paar sporten van de bovenste af op de ladder der heiligmaking, maar geheel onderaan liggen.
Maar in die nood Ja, hier zetten we geen punt ; we mogen en moeten met een , , maar" verder gaan ; wie dat niet zou doen, zou zich vergrijpen aan de genade Gods ; wie kan er immers van de honger leven. Maar in die nood is eens voor het eerst en sindsdien in voortgang en steeds rijker hem in het hart verklaard de heerlijkheid van die éne Mens, Die tegelijk God uit God is en Die voor hem alles heeft opgeleverd aan God, de straf op de goddeloosheid gedragen en weggedragen heeft en ook de Geest heeft verworven. Die in oprechtheid voor Gods aangezicht doet wandelen, zodat hij toch de weg van Gods geboden houdt, maar in, uit en door die Andere.
In het gezicht op deze Man, Die hem opneemt en aan Zijn hart legt, wordt het stil en vredig van binnen.
Daarom weet die mens, die de Heere vreest, telkens weer van niets dan van eigen dwaasheid, doch tevens, en juist dan, van het Woord, dat van Jezus' lippen tot hem komt. En op dat Woord mag en moet hij Amen zeggen : Gij lieden zijt rein om het Woord, dat Ik tot u gesproken heb.
Zo leerde de mens, die de Heere vreest, God op tweeërlei wijze voor waar houden, terwijl hij zichzelf als een leugenachtig schepsel aan de kant moest zetten : hij leerde Gods vloek aanvaarden, maar ook de zegen te erkennen. Het werd zo hoogst eenvoudig. En telkens, als hij waarlijk de kinderlijke vreze mag beoefenen, wordt het weer zo eenvoudig. En juist dan ligt hij gekoesterd in de liefdearmen Gods. Dat is zijn grootste rijkdom ; dan vraagt hij verder naar geen schatten of eer. Hij dient dan ook niet om loon buiten zijn God. De duivel en de wereld vragen : Is het om niet, dat Job God vreest? Zij kunnen zich immers geen andere dienst indenken, dan waarbij het de beurs en het vlees welgaat. Maar de Godvrezende leert belijden met Job : Zo Hij mij doodde, zo zal ik nog op Hem hopen.
En dan? Wel, dan worden hem toch alle dingen toegeworpen, ook voor dit tijdelijk leven : Zijn ziel zal vernachten in het goede en zijn zaad zal de aarde beërven.
Zo is het met hem en haar, die de Heere vrezen, gesteld.
Lezer, vreest ge de Heere? Kunt ge niet buiten God en Zijn Christus voor u en uw kinderen? Zing dan als uw pelgrimslied, hoe het ook gaat :
Ik ben een vriend, ik ben een metgezel Van allen, die Uw naam ootmoedig vrezen, En leven naar Uw goddelijk bevel.
O HEER', hoe wordt Uw goedheid ooit volprezen l
Gij doet op aard' aan alle scheps'len wel ; Och, wierd ik in Uw wetten onderwezen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 15 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's