DE GEZANGENKWESTIE
II.
Nadat we dus de vraag, of een bespreking van de gezangenkwestie gewenst is, bevestigend hebben beantwoord, en enige noodzakelijke historische bijzonderheden hebben vermeld, kunnen de motieven, die de houding van de gereformeerden in onze Kerk hierin bepalen, worden bespraken.
Het ligt voor de hand, na te gaan in hoeverre in de Schrift enige aanwijzing op dit terrein wordt gevonden. Zijn er wellicht teksten aan te wijzen, waaruit duidelijk wordt, dat hetzij het zingen van gezangen is toegelaten of wellicht zelfs wordt geboden ?
Voorstanders van gezangen wijzen gaarne op Efeze 5 : 19 en Colossenzen 3 : 16, waarin wordt gesproken over psalmen, lofzangen en geestelijke liederen. Dit zou een sprekend argument zijn. Indien vaststond, dat hier inderdaad liederen waren bedoeld, overeenkomend met wat wij als gezangen plegen aan te duiden, en op overeenkomstige wijze gebruikt. Dat is allerminst het geval — dat dit vaststaat, wel te verstaan. De kanttekeningen op de Statenvertaling zeggen hierover: „Deze drie soorten van geestelijke gezangen dienen tot één einde, namelijk om de gelest te vermaken, en worden van sommigen alzo onderscheiden, dat psalmen allerlei geestelijke gezangen zijn, die niet alleen met de stem, maar ook met snarenspel geoefend worden ; lofzangen, dankzeggingen tot God of lofdichten van Gods genade jegens ons, en geestelijke liederen, zulke gedichten in welke allerlei geestelijke leringen worden begrepen, en schijnen deze verscheidene namen uit de verscheidene opschriften der psalmen Davids genomen te zijn". Hoewel we nu niet met dr De Lind van Wijngaarden het mogelijke voor het zekere gaan nemen en daarover hoera zullen roepen, willen we toch op deze mogelijkheid gewezen hebben. Ds. Bruyn wijst er op, dat gemeentezang in de zin die wij daaraan hechten er in de tijd dat de apostel dit schreef, nog niet was en meent, dat de apostel hier eenvoudig aanraadt geen wereldse, maar geestelijke liederen aan te heffen. Dus geen opsomming van de verschillende te gebruiken liederen: ten eerste psalmen, ten tweede lofzangen (de lofzang, die de Heere Jezus aan het laatste Avondmaal deed aanheffen, was Ps. 113 — 118) en ten derde geestelijke liederen, zoals wij met onze Westers-systematische geest gaarne aannemen, vooral, wanneer de conclusie ons past!
Neen, de verdeling van het kerkelijk lied in liederen met de naam psalmen en liederen met de naam gezangen is zo gebonden aan plaats (de landen met een protestantisme van het gereformeerde type) en tijd (na de krachtperiode van de Reformatie), dat het toch wel zeer speculatief moet heten daar genoemde teksten, zo'n slordige kleine 2000 jaar tevoren geschreven aan gemeenten, nog eens zo'n slordige paar duizend kilometer van West-Europa verwijderd, iets over te willen laten zeggen ; alsof de gemeente in de apostolische tijd door Paulus op het idee geholpen moest worden, gezangen te gaan zingen ! Ja, dr Gunning zag destijds zelfs in de Oudtestamentische tekst: Zingt de Heere een nieuw lied, een aansporing tot het zingen van (een ? ) gezang(en). Zulk een gedachtengang is toch wel evenzeer voor iedereen kenbaar als 'wishful thinking', als wanneer ds. Strijd wel het zingen van alleen-maar-psalmen, en niet het zingen van gezangen met adat bestempelt.
Ja, wie helpt ons in de kerkelijke pers eens aan een beschouwing over verantwoord argumenteren „in de ruimte der Kerk? " Prof. van Niftrik schreef al over de griezelige gewoonte om iets in de ogen van lezers te „kraken" door het in een hokje van het een of andere - isme te stoppen. Zo zou een verhandeling over 'wishful thinking' ook lang niet misplaatst zijn. De Kerk in al haar geledingen, de gereformeerde incluis, zou er haar voordeel mee kunnen doen.
Wij zouden dus willen aannemen, dat de Schrift over het al of niet gebruiken van gezangen in de kerkdienst niets zegt. Hoe laat zich dan verklaren, dat het gereformeerde publiek de psalmen op zo hoge prijs stelt, dat het de gezangen vrijwel niet mist, terwijl de Schrift toch geen duidelijke aanwijzing geeft in deze richting ?
Mij dunkt, dit moet wel verband houden hiermee, dat aan de ene kant in het boek der psalmen het geloofsleven van de kinderen Gods aan de dag treedt met alle facetten van dien : zondebesef, schuldbesef, een uit de diepte roepen tot de Heere, een in de ruimte gesteld zijn of worden, een getuigen van de grote werken Gods, een leven in de Heere met alle vreugden, maar ook met alle gebrokenheid daarvan ; terwijl aan de andere kant in het feit, dat de psalmen tot de canon van de Schrift behoren, de garantie ligt dat al deze aspecten bij de psalmdichter zowel met elkaar, als met de heilsfeiten waardoor zij worden gedragen, samenhangen op een wijze, die met de heilswaarheid zoals die ons in de Schrift wordt voorgesteld in evenwicht, in algehele overeenstemming is. En nu heeft bij de Reformatie de Kerk zich volledig teruggetrokken op de Schrift, waarbij die geheel eigenaardige wisselwerking tussen het Woord en het geloof der gemeente optrad, die enerzijds het Woord als enige regel des geloofs deed aanvaarden en anderzijds de Heilige Geest door het geloof in het Woord alles deed vinden wat ter zaligheid dienende is. Het is dan ook niet te verwonderen, dat in het licht van de continuïteit in de werking van de Heilige Geest de Kerk bij de Reformatie in de psalmen niet alleen een weergave vond van het geloofsleven der psalmdichters, maar tegelijk een getrouwe beschrijving van het geloofsleven van zichzelf.
In dit licht is het ook onbelangrijk, dat de psalmen onder de oude bedeling tot stand zijn gekomen. De psalmdichters hebben zich door hetzelfde geloof hetzelfde heil toegeëigend als de gelovigen onder de nieuwe bedeling. Het is onjuist, een tegenstelling te scheppen tussen de psalmen als Oudtestamentische en de gezangen als Nieuwtestamentische liederen. Wanneer daar staat: Zie, het oude is voorbijgegaan, het is alles nieuw geworden, dan hebben wij dat niet zó te verstaan, dat er met Christus' komst op aarde een of andere ingrijpende wijziging zou zijn opgetreden in het hoe der rechtvaardigmaking van de kinderen Gods alsook in hoe zij deze heilsweg Gods in hun leven persoonlijk hebben ervaren ; niet zó, alsof men tevoren onder de Wet en daarna onder het Evangelie zou hebben geleefd. Kohlbrugge maakte in dit verband zelfs bezwaar tegen de benaming Oud Testament en Nieuw Testament, omdat daarin ten onrechte de suggestie is opgesloten van respectievelijk verouderd en nu-pas-geldig te zijn.
De psalmen dragen dus, als de profetieën en alles wat niet tot de geschiedschrijving of het schaduwachtige van het Oude Testament behoort, een sterk dioramatisch karakter: de psalmist en de profeet schouwen het heil des Heeren zó klaar en duidelijk, dat zij het weergeven alsof het geen toekomst meer is, maar heden of verleden. Zoals dus bijvoorbeeld in het overbekende Jesaja 53 gesproken wordt: Hij heeft onze krankheden op Zich genomen, onze smarten heeft Hij gedragen, Hij is om onze overtredingen verwond, zo kunnen wij er van verzekerd zijn, dat ook voor de psalmist Gods beloften zo geheel en al waarheid en vastiglieid zijn geweest, dat ook zijn naar verzoening met God hakende ziel dezelfde rust in Christus' verlossing heeft gevonden als dit voor de Nieuwtestamentische gelovigen het geval is geweest. Wij behoeven dan ook niet te aarzelen om bijvoorbeeld bij ps. 34 : 7 : Deze ellendige riep en de Heere hoorde, en Hij verloste hem uit al zijn benauwdheden, aan de toeëigening van het heil in Christus aan de psalmdichter te denken, en in hem aan alle ware gelovigen. Wij hebben er daarbij wel degelijk oog voor, dat David dit heeft uitgesproken naar aanleiding van zijn vervolging door Abimelech (vs. 1), dooh menen dat ook David zelf zulk een verlossing wel degelijk heeft gevoeld als type van zijn verlossing in Christus, en dat het, ziende op het dioramatisch karakter van de psalmen, niet aangaat dit als een ongeoorloofde vergeestelijking te beschouwen. Integendeel, deze „dubbele" trek in de psalmen brengt ons er mede toe, ook onze persoonlijke omstandigheden en belevenissen in verband te brengen met Gods heilswerk in Christus, waardoor onze gehele persoon, ons gehele leven onder beslag daarvan komt.
Wie over de geloofsverwachting van hen, die onder de oude bedeling leefden, en de inhoud van deze verwachting, meer wil weten, wordt de lezing van Kohlbrugge's : Waartoe het Oude Testament ? sterk aanbevolen.
Het moet wel opvallen, dat die predikanten, die beweren gezangen zo nodig te hebben om van Christus te kunnen laten zingen, zich zo weinig gelegen laten liggen aan die psalmen, die een overduidelijk messiaans karakter dragen. Zij plegen in het psalmboek te blijven steken bij de psalmen 150, 84, 95, 66 en dergelijke, en komen aan psalm 2, 45, 110 niet toe.
Wanneer ds. Van der Zee in De Hervormde Kerk van 12 Augustus 1950 onder de onaangename en stemming-verwekkende titel : Niet langer aan de ketting van het berijmde psalmboek, schrijft, dat onder gereformeerden niet met ronde woorden mag worden gezongen van de verlossing in Christus Jezus aangebracht, is dat een minder juiste en tendentieuze voorstelling van zaken, waarbij ieder het verschil tussen niet-ronde en wel-ronde woorden met driehonderd gezangen toch wel erg ruim betaald zal vinden !
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's