De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONVEILIG SEIN!

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONVEILIG SEIN!

9 minuten leestijd

Het met spanning verwachte antwoord van de Synode — reeds in Mei werden de „Vragen" van het Moderamen van het „Verband van Hervormd- Gereformeerde Ambtsdragers" opgezonden — is dan eindelijk gekomen.

Men weet, wat deze, „Vragen" behelsden. Alle Kerkeraden, Classicale en Provinciale Moderamina werden aangeschreven, zich achter deze vragen te willen stellen. En daarin werd feitelijk van onze Synode een ondubbelzinnige en bondige verklaring verlangd aangaande de rechtskracht van de gereformeerde belijdenis in de Ned. Hervormde Kerk, gelijk deze beleden wordt in de welbekende Drie Formulieren van Enigheid, op de Schrift gegrond.

Verscheidene Classicale Vergaderingen, o.a. Harderwijk, Dordrecht, Gorinchem, Gouda, Heusden en minstens een honderdtal Kerkeraden, schaarden zich achter het adres. In ieder geval bleek, dat — en het blijkt ook uit de overvloedige correspondentie — brede kringen der Kerk de ernst van de zaak terdege beseften.

In het antwoord der Synode erkent deze trouwens zelf, dat zij „de zaak, in dit schiijven aan de orde gesteld, van bijzonder gewicht achtte". Ja, zij sprak haar dankbaarheid uit, waar bleek, dat de geestelijke opbouw der Kerk een „zaak is, die vele van haar ambtsdragers zeer ernstig ter harte gaat". Deze vriendelijke aanhef kan ons echter niet doen voorbijzien, dat de gestelde vragen — kapitale vragen o.i. voor het leven van Christus Kerk in Nederland — niet de beantwoording hebben verkregen, welke allen, die Schrift en Belijdenis belijden als de grondslag der Kerk, zo gaarne uit de mond der Synode zouden hebben vernomen. De verontrusting, die bij ons heerst, is door dit antwoord niet weggenomen, maar zij is, zo mogelijk, nog groter geworden, nu ook de Synode van een duidelijke binding aan de Belijdenis niet weten wil.

Men weet, waarom het bij de eerste Vraag ging. Aan de Synode werd verzocht, uit te spreken, dat de in de Kerkorde in Art. X voorkomende uitdrukking : „In gemeenschap met de belijdenis der vaderen", impliceert (= mede bevat) : „In overeenstemming met deze belijdenis". Wat zou het een uitnemende indruk, óok naar buiten, gemaakt hebben, wanneer de Synode, deze vraag positief beamende, daarmede had uitgesproken dat de Ned. Herv. Kerk gebonden was aan haar belijdenis ! Zulks is niet geschied. En zij, die zich bij de invoering der nieuwe Kerkorde hebben afgevraagd, wat er in de gereorganiseerde Kerk van onze gereformeerde belijdenis en haar handhaving moet terechtkomen, hebben met hun bezorgdheid helaas gelijk gekregen. De uitzichten zijn donker.

Want tha(ns blijkt, dat indertijd de uitdrukking , , in gemeenschap met" ook gekozen werd, om binding aan de belijdenis te ontgaan. Zo is dan een beroep op de belijdenis in feite niet meer mogelijk, want waar zijn haar grenzen? Elders hopen wij straks gelegenheid te hebben het belangrijke Synodale antwoord in zijn onderdelen te ontleden. Doch reeds nu stellen wij vast, dat dit antwoord in de geschiedenis der Ned. Herv. Kerk een bedenkelijk moment markeert. Immers — verklaarde onder de Oude Reglementen de Synode zich meest incompetent, onbevqegd, om de belijdenis te handhaven in het behandelen van leergeschillen, hoewel het maar al te duidelijk was, dat men ook toen geen leertuoht wilde, thans blijkt de „gemeenschap met de belijdenis der vaderen" alleen dan binding te mogen heten volgens de Synode, wanneer deze gezien wordt als een binding aan de „religie der belijdenis". Een dergelijke figuur doet ons sterk aan het , , althans in geest en hoofdzaak" denken, waaraan men nimmer houvast kreeg en waardoor de van de belijdenis afwijkenden een door de oude besturen-Kerk gewettigde entree bezaten tot een Kerk als de onze, hoewel de Belijdenis nooit afgeschaft was en krachtens wezen en historie der Kerk nog steeds van kracht behoorde te zijn. 

Het doet ons leed, wanneer thans blijkt, vooral ook in het licht van de geschiedenis van de strijd voor Kerkherstel, die reeds meer dan een eeuw gevoerd is, dat ten opzichte van de centrale functie onzer Belijdenis de Synode van nü practisch nog steeds vaart in het kielzog van de Synode der vorige eeuw, zij het ook in gewijzigde omstandigheden.

Want nimmer mag vergeten worden, dat de belijdenis opkomt voor het gezag van de ganse Heilige Schrift als Gods Woord. (Art. 37 Ned. Geloofsbel.). Handhaving van en binding aan de belijdenis betekent in wezen: Buigen voor het „Daar staat geschreven !" En wanneer de Synode nu zegt, dat „gemeenschap met" zoveel , mystieker en bevindelijker" klinkt en wanneer zij dan waarschuwt voor „intellectualisme", als zou , , overeenstemming" een louter-ver­standelijke daad zijn, dan antwoorden wij, dat ook wij ons bewust zijn, dat men de belijdenis niet alleen met de mond belijden, maar ook met het hart beleven moet. Ook wordt in de kringen waaruit de „Vragen" voortkwamen, daarop herhaaldleijk de nadruk gelegd. In zoverre gaan wij met de Synode accoord. Doch al erkennen wij, dat hart en wil en leven bij het belijden betrokken zijn, wij kunnen geenszins toegeven, dat wij slechts met het „getuigenis des Geestes" hebben in te stemmen, „dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden en waarop zij in hun belijdenis antwoord gaven".

De vaderen zelf dachten over het verband van Schrift en Belijdenis anders. Uit het ondertekenings-formulier voor de dienaren des Woords blijkt, dat men „zich in overeenstemming moest bevinden met de leer, verklarende, dat deze leer in overeenstemming was met het Woord Gods". (Hooyer, Kerkordeningen 1865 ; pag. 443, 444). En in de 162e zitting van de Synode van Dordrecht moesten alle dienaren der Kerk „hun overeenstemming met de rechte leer der Kerk klaar lijk betuigen". Dr. W. Volger, Leer der Ned. Herv. Kerk, pag. 11). Zodat wij dit vaststellen: Wanneer men thans uitspreekt, dat men met de term , , gemeenschap met de belijdenis der vaderen" het meest aan de vaderen recht doet, is dit in ieder geval niet overeenkortistig de zienswijze, der vaderen. Men spreekt met reverentie over de , , vaderen" maar men handelt niet naar hun beginsel.

En overigens : „Intellectualistisch"? Die niet met de gereformeerde belijdenis overeenstemmen, stemmen met een andere, niet Schriftuurlijke belijdenis overeen. Het wemelt in de Kerk van belijdenissen. Is het intellectualisme soms ook te zoeken, waar men de belijdenis, op het Woord gegrond, niet meer beleeft en intellectuele hoogmoed drijft tot critiek op Schrift en Belijdenis beide?

, , Gemeenschap" is, zegt men, zulk een bijbels woord. Wij weten het ook, maar nargens vinden wij in de Schrift gesproken van „gemeenschap" aan een belijdenis ! Wij lezen wel van een volharden in de leer, van een vasthouden aan de belijdenis, van een voorstaan van de gezonde leer, maar „gemeenschap aan de leer" is een uitdrukking, die niet aan de Schrift ontleend is.

Overigens — de „religie der belijdenis" zal dan toch met woorden omschreven moeten worden. Het komt ons voor, dat het gevaar van spiritualisme hier wel onderkend moet worden. Een beroep op de Geest kan altijd het gevaar met zich medebrengen, dat men de bediening des Geestes licht uit 't verband, waarin de Geest staat tot de Zoon. Wij allen hebben steeds dezelfde openbaring nodig, die van Christus spreekt. Het waarachtige getuigenis des Geestes bindt aan het Woord. En als de Synode spreekt van , , hartelijke instemming met het Getuigenis des Geestes, dat de vaderen in het Woord der Schrift hoorden", dan vragen wij : Is dit getuigenis van de Geest, die uitgaat van de Vader en de Zoon, overeenkomstig het antwoord, dat daarop in de belijdenis gegeven wordt, of niet? Zo ja — dan bindt het aan deze belijdenis j zo neen — dan rust op u de last, te bawijzen, waarom niet.

En spreekt de Synode van de „verantwoordelijkheid, dezelfde dingen, die de vaderen spraken, op een andere, evenzeer in de Schrift gewortelde wijze, te zeggen, daar ieder tijdsgewricht zijn bijzondere vragen en noden heeft", dan gaan wij daarmede, gelijk vanzelf spreekt, accoord. Dat de belijdenis zou kunnen worden verrijkt en uitgebouwd, wie zou het niet toejuichen? Maar onder één voorbehoud : Altoos in continuïteit, in aansluiting aan het reeds oiitvangene, aan het gegevene ! Wijlen ds. C, A. Lingbeek, deze originele geest, vergeleek de belijdenis eens met een wiskundige hoek: Alle uitbouw der belijdenis is alleen maar verlenging van de benen van die hoek. Maar de hoek zelf bepaalt de belijdenis. Anders gezegd : Als de hoek 90 graden is, kan hij niet in een hoek van 45 graden veranderd worden.

De belijdenis discutabel te stellen, is in wezen Remonstrants. Thans durft men reeds hier en daar verklaren van zich noemend , , orthodoxe" zijde, dat de leerbeslissing van Dordrecht onjuist geweest is. De deur staat reeds lang voor iedere , , Remonstrant" open. In de , , modaliteiten" is grote ruimte, als men maar blijft in de , , weg van het belijden der Kerk". Radio, kansel, periodiek, zijn vol van een Remonstrants belijden, dat afwijkt van Schrift en Belijdenis en — nochtans? — voor vol wordt aangezien.

Als de Synode op de ernst van de kerkelijke situatie wijst, willen wij dit slechts onderstrepen. Wij achten geen andere wederopstanding der Kerk mogelijk dan door bekering heen. Maar juist daarom roepen wij : Terug tot de Schrift, zoals deze in de belijdenis verstaan en beleden wordt !

De Belijdenis der III Formulieren heeft al zo veel smaad te verduren gehad. In naam der z.g.n. vrije vroomheid heeft men haar verwenst en vervloekt. Wij hadden zo gaarne gezien, dat de Synode van 1953 bij alle betuiging van eerbied aan de religie der vaderen, haar weer fier en kloek gehesen had op de tinnen onzer geliefde Hervormde Kerk, zeggende: Dit is de belijdenis der Kerk !

Hoe het ook zij, naar onze mening wordt de zin der Schrift en de mening des Geestes nergens zo klaar en de kern der dingen rakend gezegd. Het gereformeerde volk, dat de belijdenis liefheeft, getuigt daarmede van haar waarachtige eerbied en liefde voor de H. Schrift.

Dit staat vast : De Kerk zal haar belijdenis hebben, belijden, beleven, maar dan ook handhaven, of zij is der ontbinding nabij, vroeg of laat, maar onherroepelijk. Zonder leertucht, zonder Schriftuurlijke functie der belijdenis — d.i. zonder de tucht van het Woord Gods zal het niet gaan !

Want in de Kerk heeft alles te cirkelen om de ere van Jezus Christus, die haar Koning is. En waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij ! En met die ere is de zaligheid der zielen verbonden.

Meer dan ooit is het nodig, te blijven bij de Belijdenis !

Ontferme zich de Heere nog over Neêrlands Kerk !

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONVEILIG SEIN!

Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's