U DWAALT
„U dwaalt, als u denkt, dat we nu zomaar orde en regel in de Kerk kunnen scheppen en de Kerk tot een nieuw waarachtig belijden van de waarheid Gods kunnen brengen, als we de mensen gaan vastbinden aan de letter van geschriften, die drie eeuwen lang niet echt hebben gefunctionneerd".
Ik neem aan, dat ds. L. hier voor zich zelf spreekt en zou het ten zeerste betreuren, als hij in deze woorden het standpunt der Synode letterlijk heeft weergegeven.
Een Synode is wel een vergadering met regerende bevoegdheid. Zij is een kerk-vergadering, de hoogste vergadering der kerk, maar ook de hoogste vergadering der kerken I Zolang men althans nog enige betekenis wil geven aan het woord presbyteriaal, hecht men ook nog enige betekenis aan de plaatselijke kerk en de vergadering der kerken.
Wat dat zeggen wil ?
Dat een Synode geen recht heeft om over de kerk des Heeren te heersen, m.a.w. dat een Synode geen dictatoriaal gezag heeft. Er moet altijd nog iets merkbaar zijn van het overleg, dat in de vergadering der kerken op zijn plaats is.
Dat is het nu, wat wij bedoelen, als wij zeggen, dat wij het zouden betreuren, als ds. L. letterlijk het standpunt der Synode zou weergeven.
Verder treft ons weer die wij, ditmaal in de vorm van we, tegenover dat u dwaalt. De heersende we tegenover de dwalende u.
Let wel. De heer L. zegt niet : u zoudt dwalen als u meende orde en regel te kunnen scheppen enz., neen, u dwaalt, als u denkt, dat we nu zomaar orde en regel in de Kerk kunnen scheppen en de Kerk tot een nieuw-waarachtig belijden van de waarheid Gods kunnen brengen, als we de mensen gaan vastbinden aan de letter enz.
We gaan de mensen binden.... Dat we vertegenwoordigt alzo een macht, die zich althans voorstelt de mensen te kunnen binden. Ziedaar een verhouding van een we en de mensen, welke kerkrechtelijk in een protestantse kerk ten enenmale onverantwoord is.
In deze voorstelling spreekt een gezagsverhouding, welke eer past bij een gewraakte leidersgedachte dan bij een Synode.
Wie zijn die mensen ?
Eerst wordt er gesproken over orde en regel in de Kerk scheppen en de Kerk tot een nieuw-waarachtig belijden van de waarheid Gods brengen. Daar gaat het dus om de Kerk — zij het ook om een kerk, waarin geen orde en regel heerst en die tot waarachtig belijden gebracht moet worden.
Maar dan gaat het in eens over een wij, en over mensen, een wij, die zich macht en gezag toeschrijft om aan de belijdenis te binden of niet te binden en mensen, die zich het een of het ander al dan niet behoeven te laten welgevallen.
Men vraagt zich af, wat voor een kerkbegrip daarachter schuilt en welk gezag een Synode zich toeschrijft, die er zo over denkt, als een harer secretarissen hier onderstelt. Dit blijft natuurlijk voor rekening en verantwoording van deze functionaris, of hij hierin de Synode recht doet of niet.
Het is toch eenmaal zo, dat de openbaring van de Kerk des Heeren op aarde een confessioneel karakter draagt, om de eenvoudige reden, dat zij door het geloof wordt gerechtvaardigd en uit het geloof leeft. Zij is de getuige van Christus n.l. van de Christus der Schriften. Zij is in die Christus gerechtvaardigd en geheiligd. Derhalve als zij van die Christus getuigt, getuigt zij van haar geloof in Hem en van haar leven door Hem. Dat is haar belijden en haar belijdenis.
Nu komt het ongetwijfeld voor dat er mensen zijn, die bezwaar hebben tegen dat getuigenis der levende .Kerk van Christus en die daaraan niet gebonden willen worden door enige kerkelijke uitspraak of macht. Dat is trouwens een persoonlijke zaak van die mensen.
Maar de kerk bindt nooit mensen aan haar belijdenis. Zij oefent geen gewetensdwang, maar getuigt in de wereld.
De kerkregering kan derhalve ook niemand aan de belijdenis der kerk binden, maar zij waakt over die belijdenis. Dat doet zij ten aanzien van de kerk zelf, maar ook ten aanzien van degenen, die zich bij de kerk voegen, en van degenen, die door geboorte tot haar behoren.
Nog eens de kerk bindt niemand aan haar belijdenis, maar desniettemin liggen er onderscheidene bindingen, die de kerk en haar regering zoeken te onderhouden.
Daar is in de eerste plaats de geestelijke binding uit een levend geloof. Deze geestelijke binding is de eigenlijke gemeenschap des geloofs van degenen, die door de Geest Gods geleid worden. Immers die zijn kinderen Gods.
Vervolgens is daar een gezinsbinding of een binding der opvoeding aan de belijdenis der kerk.
De huiselijke godsdienstoefening en de opvoeding staan in het teken van de belijdenis der kerk. Dat behoort althans orde en regel te zijn. In hoeverre deze binding bij de huisgenoten door geestelijk leven wordt gedragen en versterkt, valt moeilijk te zeggen en dat kan ook zeer verschillen. In een vroom gezin kan de harmonie ook door onverschilligheid en ongeloof worden verstoord.
De gezinsbinding moet echter in het algemeen de vrucht opbrengen van de verstandelijke kennis der belijdenis en van een waardering voor haar als geloofsgetuigenis der levende kerk.
Daaraan sluit dan de algemene betekenis, welke de geloofsbelijdenis der kerk voor de mensen verdient te hebben, ook voor degenen, die zich krachtens opvoeding en persoonlijk geloof of ongeloof niet aan haar gebonden gevoelen, n.l. het geloofsgetuigenis der levende kerk.
Indien de kerkregering het eerst de betrekking opneemt om in de gedachtengang van ds. L. te spreken, met mensen, die aan de belijdenis zouden moeten worden vastgebonden (!), zou zij dus beginnen bij een categorie van mensen, bij wie iedere binding met een zelfs zo'n algemene erkenning van de belijdenis der Protestantse kerk in Nederland ontbreekt.
Dat is een gedachte, welke mogelijk primair is bij degenen, die zozeer van het apostolaat zijn vervuld, dat zij de kerk, die er is, vergeten en de vergadering van de kerk van morgen van geen belang achten. Dat dezulken voor dergelijke mensen niet kunnen preken, is duidelijk. Het apostolaat moet nu eenmaal gedragen worden door de kerk als de getuige van Christus. Wil men de kerk niet als zodanig waarderen, en toch apostolaat drijven, dan moet men zich een apostelschap aanmatigen, dat het beter weet dan de Twaalven.
Een normale kerkregering echter begint bij de kerk, die geestelijk is gebonden aan de belijdenis door de levende band des geloofs.
De overige bindingen, welke'wij zoeven hebben genoemd, de gezinsbinding en de algemene binding, kan zij dan helpen versterken door een verstandige handhaving der belijdenis.
Met het vastbinden van de mensen aan de letter van geschriften, die drie eeuwen lang niet echt hebben gefunctioneerd, heeft dit niets te maken.
Om iets op een dergelijke wijze te kunnen zeggen en met vette letters te doen afdrukken, moet men toch een heel eind verwijderd staan van de kerk der vaderen, haar belijdenis en haar geschiedenis.
Die drie eeuwen lang niet echt hebben gefunctioneerd. De eerste en belangrijkste, zijnde de levende functie van de belijdenis, wordt hierbij reeds over het hoofd gezien, n.l. deze, dat er nog altijd een over verschillende kerken in binnen- en buitenland verspreide gereformeerde gezindte is, voor wie de gereformeerde belijdenis nog altijd de expressie is van haar geloofsleven. Wij denken aan de onderscheidene gereformeerde kerken in ons land en aan zovele denominaties in Engeland, Amerika en Afrika.
De belijdenis leeft nog altijd en deze voornaamste functie der belijdenis is ook in de Hervormde Kerk nog van zodanig belang, dat artikel X der kerkorde er van gewagen moest en van gemeenschap met de belijdenis der vaderen spreekt, welke vervat is in de geschriften, die hier door een functionaris van de Synode op een dergelijke wijze worden gediskwalificeerd.
Men moet wel heel slecht met de vaderlandse theologie en haar geschiedenis op de hoogte zijn, om zulke beweringen te doen.
Indien de oude gereformeerde theologie zo weinig van de functie der belijdenis zou hebben getuigd, hoe kon de leer der Hervormde Kerk een begrip zijn geworden, dat een man als Scholten aanleiding kon vinden om haar op zijn wijze te interpreteren?
Wij spreken dan nog niet over de procedures en de verwikkelingen met de gewestelijke overheden.
Het zal ds. L. wellicht bevreemden, maar zijn eigen geschrijf over deze dingen kan nog aantonen, dat de gereformeerde belijdenis niet dood is.
Hij merkt zelfs op : , , We hebben er helemaal geen bezwaar tegen, als men zou proberen het gesprek over het belijden der kerk en het belijden zelf levend te maken door het kenbaar maken van bepaalde duidelijke bezwaren tegen hoofdzaken van de belijdenis".
Ik neem aan, dat die we hier ook nog steeds al of niet gemachtigd in de naam der Synode spreekt, en dan verraadt ds. L. hier, dat de wij-kring dus bepaalde duidelijke bezwaren tegen hoofdzaken van de belijdenis heeft of althans, dat die in die kring aanwezig zijn. En dan nog wel bezwaren tegen hooidzaken! Dat kan toch niet zover afliggen van fundamentele stukken !
Het is wel prettig, dat ds. L. ons mededeelt, dat daartegen helemaal geen bezwaar is, dat zulke bezwaren kenbaar worden gemaakt, doch hoezeer blijkt de belijdenis zelfs in het besef van zulke bezwaarden nog te functioneren, dat ds. L. tegelijkertijd tot voorzichtigheid vermaant terwille van de herderlijke verantwoordelijkheid.
Eigenlijk wordt het toch wel 'n beetje erg moeilijk om aan te nemen, dat ds. L. dit alles namens de Synode beweert. En toch, onmiddellijk voert hij de Synode weer sprekende in: , , Laat ons toch bedenken", zegt de Synode, , , dat de weg tot genezing en opbouw der Kerk, die is gegeven in de vergaderingen der Kerk, nog slechts zeer aanvankelijk en ten dele betreden is". Daarop volgt een beroep op ons verwachten en vertrouwen, dat God door Zijn Woord en Geest in de ambtelijke vergaderingen de Kerk zal opbouwen in , , haar geloven en belijden".
Deze vermaning bedoelt een heilloze strijd om een formalistische (cursivering van mij, S.) handhaving der belijdenis te voorkomen.
Als dat een woord van de Synode is, en dat schijnt toch wel zo, moet het toch den indruk wekken, dat ook de Synode zich nog weinig rekenschap heeft gegeven van de geestelijke waarde en betekenis der belijdenis.
Dan ook is het begrijpelijk, dat zij handhaving der belijdenis op één lijn stelt met mensen vastbinden aan een letter. Dan echter is de dwaling aan haar kant en niet bij degenen, die handhaving der belijdenis als de eerste voorwaarde voor orde en regel in het kerkelijk leven aanprijzen. Hoe die handhaving kan worden nagestreefd, is dan nog een vraag, die niet in de doofpot kan worden gedaan met een veroordelend foimalistisch, maar dat moet in ieder geval verstandig zijn.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's