ONDERWIJS
STRIJD (V)
Met het vertrek van Gehne zou zijn particuliere school vervallen en daarmee was de gelegenheid voor niet-armlastigen om Chr. Onderwijs te ontvangen tegelijk verdwenen. Bovendien besloot de Lutherse kerkeraad nog om de Diaconie-school nu ook maar op te heffen !
Toen zonden de heren mr. v. d. Brugghen, mr. W. baron van Lijnden en ds. Zubli in September een verzoek aan Burgemeester en Wethouders om autorisatie voor het oprichten van een Bijz. School der Ie klasse.
Maar hoe moest het nu zo lang met de kinderen ?
De Lutherse kerkeraad besloot, zeer welwillend, de school nog tot Januari 1843 gaande te houden onder leiding van een hulponderwijzer der 3e klasse. Daar konden-dan ook-de leerlingen van Gehne.zolang geplaatst worden en men hoopte dat in deze overgangstijd de overheid door de vingers zou zien, dat ook anderen dan bedeelde kinderen van deze school .gebruik maakten. Op andere plaatsen keek men immers ook niet zo nauw.
Dat viel echter anders uit. De politie ging zich met de zaak bemoeien en de leerlingen, die geen bedeelden waren van de Lutherse diaconie, raoesten worden weggezonden.
Inmiddels hadden bovengenoemde heren op de Klokkenberg een huis gekocht, daartoe in staat gesteld door een klein aantal vrienden , , wier hart door God tot het doen ener waarlijk groteiopoffering geneigd werd". Nu had men een gebouw, dat men tot school kon ombouwen, maar een school, zij het zelfs als overgangstoestand, had men niet meer.
Weer echter kwam er uitkomst. Een onderwijzer der 2e klasse te Nijmegen, de heer Buvink, had ook een eigen school, die door omstandigheden zeer achteruitgegaan was. Hij bood aan zijn school over te plaatsen naar het huis op de Klokkenberg, de leerlingen, die van de Diaconieschool moesten worden weggezonden, over te nemen en het onderwijs voort tezetten op dezelfde voet als de heer Gehne gedaan had. En aldus geschiedde dan ook.
Daarmee was ook nu de zaak voor de vrienden van het Christelijk Onderwijs niet afgedaan. Nu was het weer een school van een onderwijzer, waar opnieuw alles mee kon gebeuren. Daarom wachtten ze met smart op de uitslag van hun verzoek om autorisatie. Dan pas konden ze zelf aan de slag voor een eigen school.
In hun verzoekschrift hadden de aanvragers aangegeven-, : 'dat hun school zou heten : , , Vervolgschool der Chr. Bewaarschool". De 11de Nov. 1842 berichtte het Gemeentebestuur aan de aanvragers, dat volgens art. 28 van het Reglement A, op de ontworpen school geen andere kinderen mochten worden toegelaten, dan die van de oprichters of ondertekenaars ; kinderen, van de bewaarschool komende, zouden daarom niet kunnen worden opgenomen. Daarom werd het verzoek „zoals het daar was liggende" van de hand gewezen.
Nu wendden adressanten zich tot Gedeputeerde Staten, maar deze antwoordden op 18 Maart 1843, dat het verzoek niet voor inwilliging vatbaar was , , zoals het daar was liggende".
De adressanten leidden hieruit af, dat dus de wijze, waarop zij hun aanvrage hadden ingediend niet deugde en daarom wendden ze zich opnieuw tot B-. en W., waarin ze, nu zonder nadere bepalingen, autorisatie vroegen voor oprichting ener Bijz. School der Ie klasse. Maar ook deze aanvrage werd afgewezen, want er stond niet in wat het doel en wat de aard van de school zou zijn en ook niet welke kinderen er op zouden komen. Ditmaal stond er dus weer te weinig in het adres.
Opnieuw wendden de aanvragers zich tot Ged. Staten met een uitvoerige uiteenzetting van doel en inrichting hunner school en tevens van een opgave voor welke leerlingen ze bestemd was, n.l. voor de kinderen der oprichters en mede-ondertekenaren.
En dat niet alleen voor de ondertekenaren van nu, want dan zou de school slechts een luttel aantal jaren hebben kunnen bestaan, maar ook voor degenen die in de loop der jaren zouden toetreden.
Toen kwam ten laatste op 2 Septem ber 1843, vooral door toedoen van mr J. baron Mackay, lid der Ged, Staten de toestemming. En het Nijmeegs schoolblad schreef er van: , , De Almachtige, de Heere, Die regeert en de harten der mensen leidt als waterbeken, heeft het zo gewild. Hem zij daarvoor de ere en de dank toegebracht".
Maar nog was men niet klaar. De Schoolwet eiste dat, alvorens tot benoeming van een Hoofd kon worden overgegaan, door het schooltoezicht een vergelijkend examen moest worden afgenomen, tenzij de Minister hiervan ontheffing verleende.
Nu wilde het Bestuur de heer Buvink graag behouden en hem toch ook niet wagen aan de kansen van een vergelijkend examen.
Daarom werd de "ontheffing bij de Minister aangevraagd en na 5 maanden volgde een gunstige beschikking.
Er werd een schoolreglement opgesteld en de ouders, die voor hun kinderen plaatsing verlangden op de school, moesten daaronder hun naam zetten. Hierdoor verkregen ze 't lidmaatschap van de school en behoorden tot de , , bijzondere personen, die zich tot het geregeld en toereikend onderhoud derzelve verbonden hadden". Tegelijk was dan voor hun kinderen de toegang tot de school geopend.
Zo werd dan op 6 Mei 1844 de eerste, door particulieren opgerichte school, met 116 leerlingen geopend.
En de Bestuurders erkenden : , , Wij stellen hier een Eben-Haëzer. Tot dusverre heeft de Heere geholpen".
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's