De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BEROEPINGSWERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BEROEPINGSWERK

9 minuten leestijd

Er wordt heel wat beroepen in onze gemeenten. Er wordt wel eens een beroep aangenomen. Vaker lezen we : Bedankt. In sommige gemeenten is de situatie alarmerend. Ik heb gehoord, dat er in een gemeente een bidstond plaats had vanwege de nood der herderloosheid.

Vanzelfsprekend geeft men ook heel wat beschouwingen zo in het algemeen over het beroepingswerk. Over kerkeraden en predikanten.

Hoe vaak zegt niet de gemeente tegen de kerkeraad : , , Och, hebt u die beroepen, wel, die komt toch immers nooit". Maar wanneer de ouderlingen en diakenen een predikant halen, die tekort schiet in wat de gemeente verwacht, dan verluidt : , , Waarom heb je ook zulk een beroepen? " Het is niet zo gemakkelijk om kerkeraad en evenmin moeilijk om gemeente te zijn.

, , Die of die komt tóch niet", of zoals het ook wel eens gezegd werd : , , Gods weg loopt toch niet naar Urk". Vaak becritiseert men doen en laten in het beroepingswerk met een al te simplistisch beroep op de Bijbel.

Ik herinner me in een vulgair periodiekje, berucht genoeg, waarin Synode en Ned. Hervormde Kerk, de Geref. Bond incluis, met een schaamteloze wrok bestookt wordt, gelezen te hebben hoe de strijdmethode van de herdersknaap David met slinger en kiezelstenen, als de enig zaligmakende de kerkelijke leidslieden werd voorgepreveld. Ik heb alleen met een soort grimmigheid bij mezelf geconstateerd, dat Koning David ook zelf niet trouw gebleven is aan deze strijdmethode, toen hij de oorlogen des Heeren voerde.

Zo zou men ook kunnen dicteren, dat de verovering van Jericho bindende voorschriften laat deduceren voor ons huidig optreden. Maar ik heb in mijn Bijbel nooit gelezen, dat Israël voor Ai geslagen werd, omdat ze niet zeven dagen met ramshoornen om dit stedeke getrokken waren. Er was iets heel anders aan de hand. Ik zou me kunnen indenken, dat lieden die vrijmoedig beschikken over het erfgoed van Gods Openbaring in de Schrift en zichzelf dat zonder blikken en blozen toeeigenen, om er anderen de les mee te lezen, van bedoelde zonde niet ver af staan.

Zeker, ik lees in Gods Woord, dat een Filippus zijn grote en zelfs gezegende werkkring te Samaria verlaten moest om de Schrift aan één zwarte uit te leggen op de woeste weg van Jeruzalem naar Gaza. Ik lees van Paulus, dat hij een gezicht zag in de nacht en hoorde : , , Kom over en help ons". Ik lees nog wel veel meer. Bij gebrek aan een voorganger, maakte men er zelf maar een. Er is waarlijk geen nieuws onder de zon. Micha vulde de hand van éen van zijn zonen, dat hij hem tot een priester ware. (Richt. 17 vs. 5). Straks komt er een werkeloze Leviet uit Bethlehem-Juda. Dat is toch maar een echte. De zelfgemaakte priester wordt opzij gezet en de Leviet aangesteld. Er is sprake van een ligger : , , Ik zal u jaarlijks geven tien zilverlingen, en orde van klederen, en uw leeftocht". We lezen van een beroep naar een grotere gemeente, een veel groter mogelijkheid zich te ontplooien : , , Is het beter, dat gij een priester zijt voor het huis van één man, of dat gij priester zijt voor een stam, en een geslacht in Israël? " Ja, en dan volgt er : , , toen werd het hart van de priester vrolijk". Maar hij nam ook het heilig gerei mee. Bileam kreeg een spreekverzoek om het volk Gods te vloeken. Hij zou er wél bij varen. Zo zou men wel eens denken, dat er heden ook soms huurlingen omgekocht worden om een bepaald en nimmer geliefd volkske eens duchtig mores te leren. Vele dergelijke gedeelten uit Gods getuigenis komen ons in de zin, wanneer we beroepingspractijken op de keper beschouwen. Niettemin moeten we altoos op de hoede zijn, wanneer we ons beroepen op de Schrift om dit of dat te staven.

Zeker is het buiten kijf, dat Filippus van Samaria naar Gaza moest. Maar ik zou daartegenover ook kunnen betogen dat we aan de hand van de gegevens kunnen aantonen, dat de Apostel Paulus immer de grote steden, de volkrijke wooncëntra aandeed, opdat vandaaruit, uiteraard door anderen, het Evangelie ook in het omliggende gebied zou verbreid worden. Alles is zo eenvoudig niet als een lichtvaardig beroep op de Heilige Schrift suggereert.

Ik zou willen aandringen bij gemeente, kerkeraad en predikant, op nuchtere godsvrucht in het beroepingswerk.

We moeten nuchter zijn en het is niet zondig om ook de realiteit ernstig en zij het vroom in ogenschouw te nemen. Het is ook reëel om te concluderen, dat er binnen de Gereformeerde Bond — juist daar — modaliteiten zijn; De ingewijde is daarvan op de hoogte. Ik spreek geen voorkeur uit voor links of rechts. Slechts wil ik er op wijzen, dat de lijn van het beroepingswerk hier en daar een zig-zag type vertoont. Ik schrijf dat maar ééns vrijmoedig neer. Sommige kerkeraden zouden er over kunnen nadenken. Nogmaals, ik spreek hier geen pro of contra uit ten aanzien van enige schakering. Dat zou in deze periodiek stellig misplaatst wezen. Ik wil alleen maar zeggen, dat het wel eens een zonderlinge indruk op een beroepene maakt, wanneer men verzekert van kerkeraadswege : „Juist speciaal uw prediking is zo nodig voof onze gemeente". Het is moeilijk, dit te rijmen met voorafgaande berdepen. Wanneer de dominee dit voorzichtig te berde brengt, wordt al gauw gemompeld : , , hij denkt alléén de waarheid te preken, hij weet het alléén".

Daar is nóg een kwaad onder de zon. Als de beroepingslijn niet het zig-zag type vertoont, is het een afdalende rechte, een anti-climax, tenminste, zo laat zich vermoeden. Als er een vacature verschijnt, kan de insider een rijtje opschrijven van de te beroepenen, en dat komt vaak aardig nauwkeurig uit. Natuurlijk moet men er rekening mee houden, dat door zo juist volbrachte , , vier jaren" een nieuwe figuur er tussenin komt. Het is alles best te begrijpen en te billijken. Maar voor mijn gevoel krijgt het.beroepingswerk zo iets confectieachtigs. Laten onze kerkeraden gerust wat karakter en een eigen stijl aan de dag leggen. Waarom moet eerst een neiging naar deze en daarna een buiging in de richting van gene plaats gedaan worden. Misschien vergis ik me, maar me dunkt, sommige predikanten zijn meer verrast, als ze niet dan wél beroepen worden. Maar bovendien, de nummers van het rijtje hebben niet zoveel respect en eerbied voor de hele gang van zaken. Hij zal zeggen tegen de hoorcommissie, of liever, hij zal denken : , , Nee, ik ben zo verrast niet over uw komst, ik had u zo ongeveer wel verwacht onderhand". Alsof hij op beroepen geabonneerd is.

Nuchtere godsvrucht is van node. Niet louter zakelijkheid. Laat een kerkeraad vooral eens bedenken, dat direct om te beginnen het allereerste beroep al zo uiterst belangrijk is voor het welslagen. We mogen wel heel bezonnen van wal steken. Rustig moeten vele overwegingen naast elkander gezet, worden : licht- en schaduwzijden van eigen gemeente, capaciteiten en bizondere eigenschappen juist van deze predikant voor onze gemeente, tijd van zijn verblijf op de huidige standplaats enzovoort, enzovoort. Ik zou zo zeggen, de kerkeraden moeten als scherpschutters heel nauwgezet en weloverwogen mikken, 't Zou kunnen zijn dat het eerste schot niet alleen onverwacht en verrassend viel, maar raak was bovendien. We hoeven niet, ziende wat voor ogen is, dadelijk te zeggen, wanneer zo weloverwogen gehandeld werd: , , dat is te hoog gemikt". We moeten ons vooral niet vast zetten in een nieuw schema van klein, groter, groot. Ik pleit voor nuchtere godsvrucht en wil daarmee ook de nadruk leggen op het zelfstandig naamwoord : godsvrucht. We moeten tenslotte in geloof ons beroep uitbrengen en dan mikt men niet gauw te hoog. Maar het stereotype, het platgetredene, het confectieachtige moet er uit. Onze kérkeraden moeten een eigen stijl aan de dag leggen. Daar gaat iets vanuit.

Wel eens heb ik de band van predikant en gemeente horen toelichten als een huwelijksrelatie. Men zei : eerst moet de vorige gemeente dood — ik bedoel niet ondeugend : doodgepreekt zijn, d.w.z. men moet in zekere zin los zijn van zijn gemeente, alvorens een nieuwe band gelegd kan worden. Elke vergelijking loopt kreupel, en deze misschien aan beide voeten. Maar laten we haar toch even vasthouden en ons afvragen, welke indruk een huwelijksaanzoek maakt op'de aangebedene, als ze weet dat er een soort verlanglijstje gangbaar en gebruikelijk is. Me dunkt, dat het dan een predikant moeilijk valt zich van een beroep los te maken, wanneer het regelrecht juist precies op hem afkomt.

Nuchtere godsvrucht. Oók voor de predikanten. Want men is al aardig in de roes, wanneer men zich hier en daar laat vieren als de enig-begeerde prins. Het is gevaarlijk, als men zich als eenomelet behaaglijk laat bruin branden door al de vurige toespraakjes en verzoekjes. Men zou als Theudas gaan menen en bewezen, dat men iets is. Er is heus niet zoveel fantasie nodig om te denken dat velen voor en na ons alzo zijn toegesproken en zullen bewierookt worden. Predikanten hebben ook een dure roeping om het beroepingswerk hoog te houden. Allereerst moeten ze zoveel afstand nemen, dat ze straks met een rustig hart de roep kunnen opvolgen, omdat men in gemoede verzekerd is dat die van de Heere komt. Nuchtere godsvrucht en dat ongedeeld en ongescheiden ! Want het kan gebeuren dat de godsvrucht aan kerkeraad en gemeente getoond wordt door het lanceren van tal van vrome gemeenplaatsen en de nuchterheid aan familieleden en collega's : „Och, tractement zo en zo, oude pastorie, etc. etc." Wees eenvoudig ! 

Ik ben me levendig bewust, dat de lijnen wat scherp zijn uitgevallen. Dat gebeurt vaker met een artikeltje! over een onderwerp als het onderhavige. Maar bedenk, dat het me te doen was om het prestige van het heilig beroepingswerk. Wij zondigen in vele, wijgemeente, kerkeraad en predikanten ook, en vooral in deze. Het zijn enkele impressies, die ik ten beste gaf. Ten beste ja, opdat een ieder, die nauw bij dit alles betrokken is — en wie niet? — eerlijk zichzelf en het beroepingswerk toetse. , , Doorgrond ons, Heere, ook op deze wegen". '

Tenslotte, opdat u niet denke dat ik deze of die predikant bedoel, hier of ginds een gemeente aan de kaak stel of eigen rancune uitleef, hul ik mij voor u in mijn dekmantel, die u als een mantel der liefde moogt beschou­wen: Sagittarius.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BEROEPINGSWERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's