De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

VERLANGEN NAAR HUIS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

VERLANGEN NAAR HUIS

7 minuten leestijd

„Hebbende begeerte om ontbonden te worden en met Christus te zijn". Fil. 1 VS. 23 m.).

In onze tekst leert ons de Apostel wat voor een kind des Heeren de dood is. Het is ontbonden worden Dat wil zeggen afreizen. Opbreken, weggaan uit deze wereld naar Kanaan. Houdt dat vast, en gij behoeft niet te treuren als degenen, die geen hope hebben over uw geliefden, die in Christus ontslapen zijn. Gij hebt hen hier gekend, hen liefgehad, het kan zijn, dat zij hier voor u ten zegen zijn geweest. En nu gij ze mist, nu moogt gij niet zeggen, dat zij weg zijn. Zij zijn gegaan naar de hemel, en als ook gij in het leven der genade deelt, zult gij aanstonds met hen het Lam groot maken.

Denk u eens in, wat de wereld, waaruit zij vertrokken zijn, is, wat zij biedt, dan kunt gij verstaan dat de Christen begeerte heeft om ontbonden te worden. Het kan zijn, dat er jonge mensen deze overdenking in handen krijgen. Gij vindt het leven — is 't niet —• goed en schoon én diep in uw hart koestert gij de begeerte hier lang te blijven. En zeker, het is waar, de Heere geeft de mens hier veel blijken van Zijn goedheid, maar dat neemt niet weg, dat, voor wie de Heere vreest, deze wereld zo schoon en goed nog niet is. Hij woont hier in Mesech. Hij dwaalt hier in de woestijn, hij ervaart dat hij door veel verdrukkingen moet ingaan in het Koninkrijk der hemelen.

Hier zucht hij onder de macht van de inwonende zonde. Ach, vaak wordt de gedachte gekoesterd, dat een kind des Heeren alleen de zonde leert kennen, als de Heilige Geest hem aan de gruwelen van zijn hart ontdekt, als hij verder op de weg komt, kan hij steeds zingen. Dit is de werkelijkheid, dat een man als Paulus, die wist in Wien hij geloofde moet klagen : Ik ellendig mens, wie zal mij verlossen van het lichaam dezes doods? De. zonde blijft hem steeds bij. Achtervolgt hem bij zijn heiligste verrichtingen. Onder het bidden, onder het lezen van het Woord des Heeren, en de kreet wordt vernomen : Kom ik dié zonde dan nooit te boven? Hier weet hij wat het is, door de duivel te worden verzocht. Soms gaat dat hellemonster rond als een briesende leeuw, en dat is erg. Gevaarlijker nog is hij, als hij rondsluipt op muiltjes van satijn. Hier leren zij de waarheid verstaan van het woord, dat het uitnemendste van dit leven moeite is en verdriet. Nu eens hebben zij zorg over deze, dan weer over een andere zaak. En dan de bange tijden in hun leven, dat zij door eigen schuld in het duister verkeren en de Heere Zich met het licht van Zijn vertroostend aangezicht van hen heeft afgekeerd.

Ziet, als de Christen afreist, als hij ontbonden wordt, is hij van al dat leed verlost. Verlost van het lichaam der zonde. Verlost van de pijlen van de vorst der duisternis. Verlost van het leed.

Groter nog wordt de heerlijkheid die hij ontvangt, als ge bedenkt, dat hij na de dood onmiddellijk met Christus zal zijn. Zeker, hier op de aarde was er ook gemeenschap van Sion met de Heere Jezus. Hij was hun het een en het al, toen Hij, door de Heilige Geest, in hun ziel werd geopenbaard. En het zijn de beste tijden uit het leven van de Christen, als hij kan zeggen : Ik ben mijns Liefsten. Helaas kwam het op aarde zo vaak voor, dat zij van Hem gescheiden waren. Gescheiden door de zonde. Dat zal aanstonds niet meer zo zijn, als de ure der ontbinding daar is. Dan zijn Gods kinderen bij Christus, neen, mét Christus. Zij zullen Zijn aangezicht zien. Zij zullen de handen aanschouwen, die zich hier aan het kruis lieten nagelen, het hoofd, dat de kroon van doornen heeft gedragen. Op de aarde kon hun ziel al zo bewogen zijn als zij de omgang met de Koning mochten kennen. Wat dunkt u, wat zal er dan omgaan in hun hart, als zij Hem aanstonds zullen zien gelijk Hij is ! Zie, daar werpen zij de kroon aan Zijn voeten en de kreet der verrukking klinkt van hun lippen : , , De helft is mij niet aangezegd !"

Kent gij dat verlangen? Leeft het heimwee in uw hart: „Mijn ziel is begerig en bezwijkt van verlangen naar de voorhoven des Heeren  mijn hart en mijn vlees roepen uit tot de levende God". Is het uw begeerte al geworden : , , God des levens, ach, wanneer zal ik naderen voor Uw ogen, in Uw huis Uw naam verhogen"?

Ge moet er wel om denken, dat dit verlangen heel iets anders is dan de levensmoeheid, die ge in deze bange dagen bij veel mensen kunt ontmoeten. Nietwaar, hoe vaak komt het niet voor dat het leven niet brengt wat een mens er van heeft verwacht, en dan klinkt het uit de mond van de teleurgestelde : Ach, alles valt mij toch tegen. Het was mij het beste, van deze aarde te vertrekken. Wie zó spreekt, heeft zichzelf op het oog. Maar als Gods kind zegt, dat hij graag wil opbreken, heeft hij de eer des Heeren op het oog.

Calvijn laat ons zien, wie dat verlangen kent. In zijn verklaring van de brief aan de Filippenzen zegt hij : , , 0, goede conscientie, hoe groot is uw kracht en vermogen. Nu het fundament der goede conscientie is het geloof, ja het is de goedheid van de conscientie zelve". Daarom is het nodig dat gij u onderzoekt of gij het ware goud des geloofs bezit. Ge hebt in uw leven een tijd gehad, dat gij de Apostel in deze uitspraak niet kondet verstaan. Sterven gaan dat was voor u het ergste wat denkbaar was in die tijd, toen gij uw zonden en schuld leerdet kennen. Sterven, dat is God ontmoeten en het oordeel, dat Hij over mij vellen zal, zal rechtvaardig zijn. Maar ziet, , het is u gegaan, gelijk het al Gods ellendig volk gaat. Toen gij het oordeel des doods aanvaarddet, toen gij een welgevallen kreegt aan de straf uwer ongerechtigheidj werd de Christus u dierbaar, ja, gij werdt met Hem verenigd door het geloof. Wie Hem kent, is met God in het reine, hij is ook in het reine met de dood en hij doorleeft tijden, dat hij tot de dood, die een mens van nature graag uit zijn huis wil houden, zegt : Gij kunt mij geen kwaad meer doen. Kom maar. Gij bewijst mij de rijkste dienst, die denkbaar is, want gij draagt mij uit dit leven vol zonde naar Boven, naar mijn Heere.

Als het geloof zwak is, is de begeerte naar huis ook zwak, en daarom is het nodig dat Gods kind zichzelf steeds weer onderzoekt, hoe hij tegenover de Heere staat.

Zalig zijn allen, die dit verlangen kennen. De begeerte van de mens, die in onbekeerlijkheid zijns harten voortleeft, zal hem niet worden geschonken, maar wie het verlangen naar Huis kent, zal aanstonds vol verrukking uitjubelen voor de Troon : , , Gij deed mij tot d' erfnis komen van de vromen, die de vrees Uws Naams bekoort". Verzadiging der vreugde is bij Uw aangezicht, lieflijkheden zijn in Uw rechterhand, eeuwiglijk.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

VERLANGEN NAAR HUIS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 29 oktober 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's