De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODDELIJKE TUCHTIGING

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODDELIJKE TUCHTIGING

8 minuten leestijd

Laat U tuchtigen, Jeruzalem ! Jeremia 6 : 8a

Het woord van onze tekst is van ontstellende ernst. En toch leggen wij en kunnen wij dit woord zo gemakkelijk zonder enige ontroering of aangesproken te zijn vanwege onze eigen zelfvoldaanheid en vroomheid naast ons neerleggen.

Vooral als het dreigend gevaar voorzien en gevoeld wordt van aan onze vroomheid als goddeloosheid ontdekt te worden, dan is de mens zó op de vlucht geslagen. Ja, zelfs het kind van God, wanneer het aangesproken wordt, hier naar onze tekst door de profeet Jeremia.

Immers dit woord is niet gericht tot de wereld, maar tot Jeruzalem, tot het volk Israël.

Het volk in zijn geheel, dus tot en met de Hogepriester wordt hier aangesproken.

Het volk Israël staat hier in de branding der tijden, zij verkeert in grote nood, maar zij beseft helaas de nood niet als nood en bemerkt niet, dat God de Heere het in die sterke branding gebracht heeft om het te tuchtigen.

Integendeel, zij, het volk des Heeren, zal zeker uit die nood verlost worden.

De tuchtigende hand des Heeren zal de volkeren slaan, die hen belagen.

Maar die houding van koudheid en ongevoeligheid openbaart de grote zonde van Gods uitverkoren volk ; de eigengerechtige vroomheid, die zich niet laat gebruiken als werktuig in Gods hand, maar God tot werktuig maakt van Zijn volk. Het volk wil zijn als God. (Gen. 3 vs. 5).

De grondslag der verkiezing is voor dit volk niet meer gelegen in de liefde, waarmede God zondaren liefheeft en goddelozen rechtvaardigt, maar in het feit, dat zij Abraham's kinderen zijn. De grond en de zekerheid der verkiezing is dus niet meer gelegen in Gods Woord, maar in de mens. En als symbool daarvan staat in Jeruzalem de tempel.

Het geloof van het volk Israël in de dagen van Jeremia is niet anders dan een tempelgeloof.

Het is een vertrouwen op de tempel en op het offer als onderpand der Goddelijke genade en als bescherming te­ gen ongeluk. Op de heilige berg Sion zijn geen zorgen mogelijk. Daar openbaart zich God de Heere, Die Zijn uitverkoren volk vrijheid en roem waarborgt. Daar bij de tempel ontvangt een mens vrijspraak voor de zonden en tekorten. Het volk ging op naar de tempel, bracht zijn offers en dan was alles in orde.

Dat offer gaf de vrijspraak.

De „bedevaartgangers" hoorden dat graag en steeds luider klonk de roep : „De tempel des Heeren, de tempel des Heeren, de tempel des Heeren is deze", tot in deze roep alle angsten en gewetensbezwaren ondergingen. Ook in de prediking van , , profeten" als Hananja stond het volk in het middelpunt. Deze profetie, die Israël als volk verheerlijkte, zocht de grootte van Israël en van God in de uiterlijke macht; ze meende dat God Zijn volk nodig had voor Zijn bestaan. De ere Gods en de eer van Israël was voor deze profetie hetzelfde.

Uit deze zonde vloeien vanzelf de overige zonden voort, samen te vatten in het éne woord : zelfzucht. Niet de ere Gods, maar loon, heerschappij, wereldse eer, werden openlijk of verborgen tot doel der vroomheid verklaard. In het midden van dit volk zendt God Jeremia. Deze wijst in zijn prediking er op, dat God de orkaan niet op doet steken om de volkeren te straffen, maar allereerst om Zijn eigen volk te tuchtigen vanwege hun zonden, waarmede ze zich verre van Zijn dienst houden.

Maar Jeremia blijft de eenzame.

Naar zijn stem wordt niet gehoord en naarmate het volk zich hardnekkiger betoont, wordt Jeremia scherper, feller en heftiger.

Maar met een bewogen hart. Hij heeft iets verstaan aan eigen hart en leven van de moeite, die God heeft met Zijn volk. Hij heeft verstaan de liefde Gods in Christus Jezus. Als hij in dat licht het volk des Heeren — de strijdende Kerk op aarde — ziet, dan weet hij dat de Heere Zelf de zwaarste strijd moet voeren voor en met die Kerk. Jeremia staat met zijn geweldige boeteprediking in de schaduw van het kruis, in die Liefde, waarmee God alzo lief deze wereld heeft gehad, dat Hij Zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een iegelijk die in Hem gelooft niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Jeremia's hart klopt mee in het rythme van Gods liefdevolle, bewogen Vaderhart. En als hij het in Gods naam uitroept : Laat u tuchtigen, Jeruzalem, dan is dat een noodkreet : Weet het toch, dat de orkaan, die God over de wereld heeft doen losbreken, niet in de eerste plaats een verderf betekent, waarmee God de volkeren bedreigt, maar allereerst en vooral een moeizame poging van Gods zijde om u, o volk des Heeren, los te trekken uit de zonde en u te brengen tot boete en berouw en tot de ware vrede en gerechtigheid, die uit God is.

En nu is er een verband tussen tucht en trekken. Als God tuchtigt, dan trekt Hij naar zich toe. Voor een mens mag het dan schijnen alsof God hem van Zich wegduwt, maar dat is niet waar. God trekt met Zijn tucht de mens daar vandaan, waar die mens eigen wegen gaat en eigen steunsels zoekt, opdat hij zichzelf voor God verootmoedige en lere van genade alleen te leven. Zo ontdekt de Heere Zijn volk, dat door de prediking niet tot schuldbelijdenis en berouw komt, aan zichzelf, door gans hun vroomheid te openbaren als hun goddeloosheid. Hij trekt alle steunsels weg, waarop het volk bouwde : de tempel wordt verwoest, uit het land Kanaan wordt het verdreven, en de profetie, die Israël en niet Israels God verheerlijkt, wordt ontdekt als leugen. Maar wanneer dit volk dan alle grond onder de voeten kwijt is, dan zegt de Heere : Roep tot Mij, en Ik zal antwoorden en Ik zal u bekend maken grote en vaste dingen, die gij niet weet en Ik zal hen reinigen van al hun ongerechtigheid, met welke zij tegen Mij gezondigd hebben, en het zal Mij tot een vrolijke Naam, tot een roem en tot een sieraad zijn bij alle heidenen der aarde, die al het goede zullen horen, dat Ik hun doe.

Als de Heere Zijn volk tuchtigt, brengt Hij de zonde in beweging, de zonde wordt zonde en is geen afwijking of zwakheid meer, en wanneer de zonde zonde geworden is en de zonde in beweging gekomen is en het voor de mens in zijn zonde hopeloos lijkt, dan, ja juist dan komt Hij met Zijn belofte van vergeving en verzoening; dan staat daar in de godverlatenheid, waar de schuld benauwt, de Zoon Gods naast de zondaar en zegt: Komt tot Mij allen die vermoeid en beladen zijt en Ik zal u rust geven.

Ook nu staat de kerk op aarde in de sterke branding als bij een orkaan.

Wij horen zoveel spreken over de oordelen Gods, die over de wereld gaan, maar ach wij doen er zelf aan mee, omdat wij het oordeel niet als oordeel Gods beleven.

Maar goed, zit in die manier van horen en spreken over het oordeel geen poging om de schuld te zoeken bij de volkeren en niet bij de Kerk?

Zit daarin ook niet de krampachtige poging om de hand, die God uitsteekt naar de Kerk om haar uit de zonde te trekken, te ontgaan en zichzelf in eigen vroomheid en eigen vroom inzicht te handhaven?

Hoe durven wij — en ik denk hier aan eigen land — te spreken over die boze wereld waarover God toornt, terwijl wij zelf met heel ons kerkelijk leven nog zo diep in de oribeleden zonde liggen?

Het schijnt wel alsof we met blindlieid geslagen zijn om te zien, dat de Heere als het ware roert in die menigte van kerken en kerkjes met hun eigen meninkjes, om de kerken te doen verstaan, niet „uw woord", maar , , Mijn Woord" zal bestaan tot in alle eeuwigheid.

De gescheidenheid en verdeeldheid, de laksheid en de lauwheid, het bouwen op eigen inzicht, het zich handhaven in eigen , , vroomheid", het zijn de zonden, die kerken doorvreten hebben en nog doorvreten.

Van nature zal een mens, als een echt Adamskind, nooit anders doen dan het buiten God te zoeken, als God te willen zijn. Alleen zaligmakende, bijblijvende genade, zal een mens van die grootheid buiten God weerhouden.

Genade maakt kleine mensen, maar eigen wil grote mensen.

Daarom : laat u tuchtigen, gij kerken van Nederland, géén uitgezonderd ! Zoudt gij pronken met uitgehouwen bakken, die geen water kunnen bevatten? Laat dan los uw heilige huisjes. Ga er uit, opdat God Zijn genade in Christus Jezus u bewijze en u verenige tot één lichaam, waarin Christus alles is en in allen.

Laat u tuchtigen, volk des Heeren, want de breuk ligt bij de Kerke Gods en niet bij de wereld, zoals wij reeds gezegd hebben. Want wanneer de genade geen genade is, welk verschil in uitleving is er dan tussen het volk des Heeren en de wereld?

Hoe is het kostelijke goud niet verdonkerd !

Wanneer we door de ontdekkende werking des Heiligen Geestes bij dit alles bepaald worden, hoe bang kan het soms niet worden?

Maar dat dan weer de zekerheid, de bewustheid, dat de Heere het werk, dat Hij eenmaal begon, nooit zal laten varen, de overhand krijge. Dat gij dan bekeerd en onbekeerd al het uwe moge loslaten. Dat het u om God te doen moge zijn, opdat Hij u, door wat middel ook, wegtrekke van al uw steunsels, van al uw zonden en dat Christus dan in uw hopelooosheid uw hoop zij of worde, opdat gij bediend worde uit de heilsfontein Jezus Christus, naar Zijn borggerechtigheid, als een verbeurde zegen, aan een doodschuldige zondaar bewezen.

Daarom moge het zijn : „Neig ons hart en voeg het saam, tot de vrees van Uwen Naam !"

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GODDELIJKE TUCHTIGING

Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's