ONVEILIG SEIN!
II.
Het , , Verband van Ambtsdragers" had vervolgens aan de Synode gevraagd, of deze het niet haar roeping achtte, dienaren des Woords, wanneer deze in woord en geschrift zouden belijden dat, wat in strijd is met het gecodificeerde belijden der Kerk in hare belijdenisgeschriften, ernstig te wijzen op hun kerkelijke verantwoordelijkheid, om een gravamen of bezwaarschrift (natuurlijk met beroep op de Heilige Schrift) tegen de belijdenis in de daartoe in de Kerkorde aangewezen weg in te dienen ? Hierbij werd natuurlijk gezinspeeld op de , , ordinantie voor het opzicht" 11, V uit de Kerkorde, welke de indiening van zgn. gravamina beschrijft.
Wat antwoordt onze Synode nu ? In principe geeft zij toe, dat zij het in ord. 11, V in de Kerkorde gelezene „onontbeerlijk" dus — noodzakelijk acht. Men zou dus kunnen aannemen, dat de Synode op dit punt met de vraagstellers accpord gaat en dat zij spoedig zal.tonen, hen, die van de Belijdenis afwijken, te willen aansporen, in de kerkelijk verordende weg een gravamen in te dienen. Gij denkt dit, waarde lezer ? Wij menen, dat gij u vergist. Want hoor, wat nu volgt, als de Synode het eerst in het algemeen geconstateerde weer terugneemt. Immers zegt zij, dat zij „betwijfelt of de gezondmaking der kerk er wel door gediend zal zijn, als ord. 11, V werd toegepast op een wijze, die het „Verband" blijkbaar voor de geest zweeft". „Want", gaat zij dan voort: „De ziekte der Kerk is ernstiger dan uit uw schrijven zou kunnen worden opgemerkt".
Wij nemen goede nota van het feit, dat de Synode de Kerk nog steeds ernstig ziek acht. Maar voor een radicale therapie acht de Synode, als wij het goed begrijpen, het nog niet de juiste tijd. Is de ziekte van die aard, dat de patiënt alleen maar rust nodig heeft ? Doch wij vragen : Kan er ook van de zónde der Kerk gesproken worden, als om zogenaamd , , medische" redenen het beslissen van de waarheidsvraag steeds meer uitgesteld wordt ? Wat dunkt u ? U begrijpt wel: de Synode wenst — zij zegt zelf tenminste : voorlopig — van gravamina te worden verschoond.
Hoe verdedigt zij dit ? Als volgt : Gij hebt — zegt de Synode — er blijkbaar niet voldoende over nagedacht, dat het „indienen van gravamina dan alleen het enige of althans voornaamste middel zou zijn, waardoor de Kerk bij haar belijdenis bewaard werd, als het kerkelijk leven geregeld en normaal functionneerde. Maar — zegt de Synode — de Ned. Herv. Kerk heeft sinds 1618/19 niet normaal geiunctionneerd - , een Generale Synode werd na die van Dordt tot 1945 niet gehouden".
En zeker, ook wij weten, dat door de politiek der regering het samenkomen van een Generale Synode na Dordt stelselmatig werd tegengegaan. Maar betekent dit werkelijk, dat wij zo „verstandig" moeten zijn, met gravamina te wachten, tot gelegenertijd zich aankondigt en het kerkelijk leven , , normaal" gaat functionneren? Hoe lang nog? Wij vrezen, dat de kerk dan weleens zou moeten wachten , , ad kalendas graecas", vrij vertaald : Tot de jongste dag !
Intussen, de redenering van het Synodaal rapport volgend, willen wij zelfs inplaats van één mijl twee mijlen met het antwoord medegaan. Wij willen zelfs vóór 1618 teruggaan. Hoe was toen de toestand der Hervormde Kerk ? Normaal, zegt u? Dan zijt gij nog wél een vreemdeling in het kerkhistorisch Jeruzalem.
Want welke tijd was woeliger en abnormaler dan die van de 80-jarige oorlog ? Talloos zijn de pogingen geweest om tot een uniforme kerkorde te komen en steeds werd dit streven bemoeilijkt. Herinner u ook de vervolgingen en de ballingschap om der wille van de Christelijke religie ! Voeg daarbij nog de troebelen, door de Remonstranten veroorzaakt en hun druk op de gereformeerde gezindte, gesteund door de sterke arm van Oldenbarnevelt, waardoor het saamroepen der Nationale Synode onduldbaar werd vertraagd. Ongelukkiger tijd was er voor de kerk niet te bedenken, dan die, waarin haar Belijdenis gestalte kreeg, een tijd van worsteling naar binnen en naar buiten. En zie, juist tóén kwamen de gravamina los, ook de gravamina, die Dordt met de Schrift in de hand zo meesterlijk beantwoordde. En als de Synode het dus nu de tijd niet vindt, zouden wij kunnen zeggen : In het licht der geschiedenis is uw argument tégen juist een argument vóór !
Het Synodale rapport voegt hieraan nog iets toe. Het zegt : „Wat in een normaal kerkelijk leven langs de weg van het indienen en behandelen van gravamina tot uiting zou moeten komen, kwam sinds 1618/19 en vooral in de 19e eeuw op ongeordende wijze tot openbaring". Wij leggen de vinger bij de passage over de 19e eeuw, toen de prediking van een onbewimpeld ongeloof verwoestend en zielverdervend van boven af beschermd werd. En dan denken wij rnet de Synode aan de vaders van Kerkherstel, aan de stroom van adressen dezer in 't diepst van hun ziel ontroerde en verontwaardigde mannen Gods — Molenaar, Moorrees, Heldring, Groen van Prinsterer, maar waartoe zullen wij de opsomming voortzetten van personen, kerkeraden, classicale vergaderingen en gemeenteleden, die vergeefs bij de Synode aanklopten ? Dan denk ik aan zovelen, die voor „Godes Woort gheprezen" op de bres hebben gestaan met de kreet des harten om handhaving van de Belijdenis der Kerk, die haar wezen uitdrukt. En de Synode heeft ook geantwoord — men leze in de trieste lectuur der , , Handelingen" bijna jaar op jaar de drogredenen van dit hoogste bestuur der Kerk — en men zal zien, hoe zij wederrechtelijk de afwijkingen dekte en de klagers vaak op hoge toon kapittelde, alsof zij een misdaad hadden begaan. Ziet, daarom hadden wij van deze ónze Synode nu eens een woord van diepgevoelde dankbaarheid verwacht bij het memoreren van hen, die in de naar de mens gesproken wanhopige situatie der 19e eeuw de kerk en haar hoogste besturen in die dagen altoos weer opriepen tot gehoorzaamheid aan de Koning der kerk !
En als de Synode dan verder spreekt van het „verval, dat in al haar groeperingen der kerk maar al te zeer zichtbaar is", willen wij daaraan geenszins tornen. Allen dragen schuld ! Maar daarmede zijn wij er nog niet af. Want wie spreekt van „verval", moet dit dan toch geconstateerd hebben aan een maatstaf, volgens een bepaald kerkbegrip in een belijdenis vervat. Herstel der Kerk is toch niet anders te omschrijven dan als wederoprichting der Kerk naar het bestek der Belijdenis. , , De belijdenis is de tekening van de architect" (Dr W. Volger).
En spreekt het rapport van , , bijzondere wegen, die de Synode meende te moeten inslaan, „om de kerk te brengen tot gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift" en herinnert ze daarbij aan alles, wat er op allerlei terrein werd verricht, ook na de behandeling van het geschrift , , Fundamenten en Perspectieven", dan vragen wij verlof, om onze twijfel uit te spreken aangaande de doeltreffendheid dezer , , bijzondere" wegen. Ten slotte is er maar één weg, om uit de impasse te komen : Gehoorzaamheid. Er werden in vele vergaderingen pogingen gedaan, de Kerk weer terug te brengen tot gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift. Wij nemen het gaarne aan, maar wat was in deze de figuur der Classicale Vergaderingen ? Werden zij niet uitgeschakeld in de praktijk ? En al wederom hameren wij op het aambeeld: Wat moeten de Classicale Vergaderingen in een Gereformeerde Kerk eigenlijk doen ? Wanneer komt de gemeente nu eens werkelijk aan het woord ? En ook dit : Hoe kan men oproepen tot , , gehoorzaamheid aan de Heilige Schrift", als het geschrift , , Fundamenten en Perspectieven" geen belijdenis doet van de Schrift en niet zegt, wat de Schrift is. Hoe is 't dan mogelijk ? En wat zijn precies die dierbare , , fundamenten der Kerk"?
Als wij het goed zien, erkent de Synode, dat er afwijkingen zijn, maar waarom roept zij de afgewekenen dan niet tot de orde ? Zij doe het alsnog, indien de Belijdenis haar lief is. Zij verwijze hen, die dwalen, naar de Belijdenis der Kerk. Wil zij ernstig lezen : , , In gemeenschap met", zo dulde zij niet alle wind van leer.
Nu maakt weliswaar de Synode in de laatste alinea van haar antwoord op vraag II een , , restrictie", een slag-om de-arm. Zij zegt, dat „bepaalde, duidelijke bezwaren tegen hoofdzaken van de belijdenis op zulk een wijze leden der kerk kunnen vervullen, dat de behandeling daarvan ook thans langs de weg van ord. 11, V geboden is". Als wij het goed begrijpen, betekent dit, dat de Synode de mogelijkheid van uitzonderings-gevallen accepteert, waarbij zij ingrijpen noodzakelijk acht. Maar hoe ver zal de afwijking dan wel gegaan moeten zijn ! Er zullen „bepaalde, duidelijke bezwaren tegen de belijdenis" moeten zijn. Wij hadden gaarne nader vernomen, waar de grens ligt. Wij hadden juist hier gaarne nauwkeuriger definitie gehad.
De Synode zegt : „Leden der Kerk kunnen zo vervuld zijn van bepaalde, , duidelijke bezwaren".
Het is der Synode stellig bekend, dat er reeds nu van die duidelijke bezwaren bestaan tegen hoofdzaken van de Belijdenis. De Synode weet, dat er afwijkingen zijn. Waarom wacht ze dan ? Tast b.v. de loochening van de Godheid van de Heere Jezus Christus de hoofdzaak der belijdenis niet aan ? En ook niet de verwerping van het voldoenend bloed des Kruises ? Of moet een predikant eerst Boeddhist geworden zijn of de Mis gaan bedienen — en wie durft zeggen, dat wij fantaseren ? —, eer art. 11, V werkelijk meer dan een dode letter zal blijken. En wanneer is men niet meer „in gemeenschap met" de belijdenis der vaderen ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's