DE GEZANGENKWESTIE
IV.
We hebben verschillende bezwaren uiteengezet, die van gereformeerde zijde tegen het gebruik van gezangen worden gevoeld. Tot besluit willen wij nu enige voorbeelden behandelen van hoe deze kwestie in het gewone kerkelijke leven een rol speelt. Treden er minder gewenste nevenverschijnselen op ? Zo ja, zijn deze te elimineren of binnen de perken te houden ?
In het algemeen kan men zeggen, dat veel verkeerde sentimenten door deze kwestie zijn en worden wakker geroepen.
In de inleiding stipten wij reeds enkele dingen aan. Wij merkten op, dat het gereformeerde publiek bij voorbaat sceptisch staat tegenover de prediking van een predikant-met-gezangen. In hoeverre is dit terecht ?
In een vorig artikel schreven wij, dat de gelovigen aard en voorwerp van hun geloof in de psalmen beschreven vinden, en aan de neiging om gezangen te (laten) zingen dus een geestelijk leven van twijfelachtig gehalte ten grondslag kan liggen. Zo bezien is het wantrouwen der gereformeerden dus op zijn plaats en lijkt ons niet van een ongewenst nevenverschijnsel te moeten worden gesproken.
Gelukkig wordt deze theorie door de practijk op soms verheugende wijze doorkruist. Vooral vroeger, ook nog nu, zijn er onder de confessionele predikanten, die onder het gereformeerde kerkvolk een goede naam hebben en tot het wantrouwen geen aanleiding geven. De gereformeerde weet echter doorgaans een gereformeerde preek van een predikant-met-gezangen als zodanig te herkennen en te waarderen. Bovendien zullen juist zulke predikanten de eersten zijn om in een gereformeerde gemeente geen gezang op te geven, niet om gereformeerd te schijnen •— zij behoeven daarvoor niet zulke uitwendige middelen — maar met het prijzenswaardig besef van zulke gemeenten niet te moeten plagen, vanuit een zeker begrip voor hun gevoelens in dezen.
Zij doen echter niet af aan de algemene tendenz, dat geestelijke vervlakking en de neiging tot gezangen zingen samengaan, en daarmee blijft het niettemin bestaan van het wantrouwen toch wel begrijpelijk. Bovendien heeft de devaluatie van de confessionele prediking vooral in de laatste decennia, die we met een barbaars, maar wel duidelijk woord vermiddenorthodoxing zouden kunnen noemen, aan het wegnemen van het wantrouwen nu niet bepaald meegewerkt. Ook zal een middenorthodox predikant in een gereformeerde gemeente — b.v. bij een vacaturebeurt — niet licht de schijn kunnen wekken van ook gereformeerd te zijn door de gezangen achterwege te laten. De psalmen maken niet de gereformeerde dominee, en zulk een gemeente laat zich geen middenortihodoxe knollen voor gereformeerde citroenen verkopen.
Wij zeiden, dat een predikant-met-gezangen, die zichzelf — en zijn gereformeerde gastgemeente — respecteert, daar geen gezang zal opgeven.
Het lijkt ons dan ook dwaas, wanneer dr. Streeder in het Hervormd Weekblad in het kader van een bespreking van het Hervormd Gereformeerd Verband van een gereformeerd predikant verlangt, dat hij een confessioneel predikant van dat Verband voor zich zal laten preken zonder hem te vragen het gezang te laten vervallen. Afgezien daarvan, dat wij dus veronderstellen, dat die confessionele predikant dat wel uit zichzelf zal doen, spreekt hieruit — dr. Streeder moet ons dit ten goede houden — een zeker gebrek aan kerkelijke hoffelijkheid.
Het is niet zo, dat meneer A het ene wil en meneer B het andere, neen, meneer A wil het ene (psalmen) en meneer B het andere plus het ene (gezangen en psalmen). Welnu, laten meneer A en B zich gezamenlijk dan tot dat ene, de psalmen, beperken, dan is toch iedereen tevreden ? Als in een treincoupé (gelukkig nog net niet in onbruik geraakt) iemand last heeft van een open raam, dan zetten de anderen het immers niet tóch open ? Niemand, die er aan denkt, te gaan roken in een gezelschap, nadat een of meer der aanwezigen op een desbetreffende vraag bezwaar maakte.
Zo zou mevrouw Groskamp—Ten Have op het kerkelijk erf nog heel wat onopgevoede jongetjes wat wellevendheid kunnen bijbrengen — lang niet alleen op het punt van de gezangen trouwens.
Over de invloed van de gezangenkwestie bij het beroepingswerk spraken wij al in de inleiding. Men stelle zich dus voor ogen, dat een gereformeerde kerkeraad bij het beroepen van een predikant met gezangen afgezien Van belangrijker motieven een veel groter, immers principiëler, offer brengt dan een niet-gereformeerde kerkeraad bij het beroepen van een gereformeerd predikant. Die laat immers alleen psalmen zingen en tegen het zingen van psalmen op zichzelf kan toch niemand bezwaar maken.
De eenheid in de liturgie lijkt ons een zeer gebrekkig motief om in zulk een geval niet een gereformeerd predikant te beroepen. De eenheid des geestes in een gemeente'kan niet door een eenheid in de liturgie te voorschijn worden geroepen. En als die eenheid des geestes er wel is, dan zal het kerkpubliek toch wel kerken zowel bij de predikanten met als bij die zonder gezang.
Zo worden de gemoederen in de gemeente door de gezangenkwestie soms danig in beweging gebracht, doordat men er blijkbaar min of meer bewust diepere en ernstiger motieven achter voelt. Zo ontstaat hierdoor een vrij rigoureuze scheiding. Dit is jammer.
Men kan natuurlijk zeggen: die scheiding is er toch al, maar komt in het al of niet gebruiken van gezangen alleen jnaar openbaar. Het betreurenswaardige is evenwel, dat de achtergrond, in ieder geval belangrijker is dan de gezangenkwestie op zichzelf, en de gereformeerden (onder andere) door het niet zingen van gezangen zó apart zijn komen te staan, dat men aan een gegprek over die achtergrond bijna niet meer toekomt. Zonder van de kerk in haar huidige situatie een gesprekkerk te willen maken, zoals velen voorstaan, kunnen wij het vanzelfsprekend alleen maar betreuren, dat men van andere zijde een gesprek over de fundamenten der Kerk niet begeert, althans de gereformeerden als partners in dit gesprek niet serieus schijnt te nemen. Hoewel hiervoor natuurlijk ook andere en dieper liggende oorzaken zijn (een analyse daarvan zou zeker bijzonder de moeite lonen), bestaat toch, vooral in „gemengde" gemeenten, stellig wel de neiging tot de gedachtencombinatie : geen gezangen — dus gereformeerd — dus laat maar zwemmen. Men kan aannemen, dat bepaalde zaken, van gereformeerde zijde geponeerd, meer de aandacht zouden trekken als zij naar voren zouden worden gebracht door mensen, die door het niet vermijden van gezangen geen odium van apartheid met zich dragen.
Wij hopen in deze artikelen evenwel duidelijk te hebben gemaakt, dat onze bedenkingen en tegenwerpingen te ernstig en gedeeltelijk te principieel van aard zijn, dan dat men van ons zou kunnen verlangen er overheen te stappen alleen terwille van de opportune overweging, dan meer ingang te hebben in het overige deel der kerk. Bovendien leeft de tegenzin tegen gezangen bij het gereformeerde kerkpubliek als geheel, en niet alleen bij de enkelingen die aan een eventueel gesprek zouden deelnemen.
De uiteilijke tegenstelling wel gezangen/geen gezangen zou echter op een andere wijze belangrijk kunnen worden verzacht. Wij menen te weten, dat in de Gereformeerde Kerken, waar sinds een twintig jaar ook gezangen worden gezongen, ook wel kerkdiensten worden gehouden waar geen gezang wordt opgegeven, door predikanten die het dus meestentijds wel doen, maar ook wel eens niet. Waarom kan dat in onze kerk nu niet ? Waarom moet een gezangen opgevend predikant dit in letterlijk elke kerkdienst doen ? Is men dan zó benauwd, voor gereformeerd of zelfs maar voor gereformeerd-freundlich te worden aangezien ? Zo af en toe een dienst zonder gezangen zou het beste middel zijn, het kerkpubliek af te wennen van de neiging, in het al of niet zingen van een gezang een kenmerk te zien, waar men juist van die zijde zo weinig op gesteld pleegt te zijn.
Zo hebben wij dus verschillende bezwaren behandeld die onzerzijds tegen de gezangen bestaan. We pretenderen geenszins, dit nu beter of duidelijker te hebben gedaan dan vroeger. Integendeel, wij zijn er ons van bewust, deze kwestie niet „uitputtend" te hebben behandeld. Zo hebben wij het kerkrechtelijk element vrijwel niet aangeroerd, noch hebben wij gebruik gemaakt van de mogelijkheid, triomfantelijk te wijzen op monstra, die ook weer in de nu in gebruik zijnde nieuwe gezangbundel voorkomen. Wij hebben ons er toe bepaald, te trachten de indruk weg te nemen die schijnt te leven, namelijk dat het niet zingen van gezangen noodzakelijk zou moeten voortspruiten uit een eigenzinnig conservatisme, waartoe ook de andere gereformeerde particulariteiten te herleiden zouden zijn, zodat men zich min of meer gerechtigd voelt, dit deel der Kerk te negeren.
Wij hopen dan, weer enig begrip te hebben kunnen wekken voor de motieven, die onzerzijds bij de gezangenkwestie een rol spelen. Zou het dan van de niet-gereformeerden teveel gevraagd zijn om, wanneer het niet zingen van gezangen in de eredienst in hun ogen dan zó erg is, te trachten voor zichzelf toe te komen aan het: tout savoir c'est tout pardonner ?
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 5 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's