KENDE ONZE KERK VAN HET BEGIN AF TWEE PARTIJEN ?
Boven ons laatste artikel stond in het nummer van 6 Augustus j.l. , , De Dordtse Leerregels". In dat artikel kwamen we op de vraag of het wettig was, dat de Remonstranten op de Dordtse Synode veroordeeld zijn. Pater Fiolet heeft geschreven : , , De stem die sprak op de Nationale Synode van Dordrecht was slechts die der bovenliggende partij" De gereformeerde prediking zou dus niet wettig in de Hervormde Kerk zijn. Wij hebben toen als ons voornemen uitgesproken daar het volgende artikel aandacht aan te wijden. Men had hier te lande in de aanvang der 16e eeuw de alles beheersende Roomse Kerk. Tegen haar is in deze eeuw in vele landen, ook in Nederland, het grote verzet gerezen. Dat is bevorderd door de economische toestand. Het was in de eerste helft van de 16e eeuw geen paradijs in Nederland. Het was er echter ook niet het diepste dieptepunt van ellende, zoals men het wel eens voorstelt. In 1567 b.v. maakten de Nederlanden op een toerist een welvarende indruk. Eén zaak was er echter heel slecht in onze gewesten : het belastingstelsel. De boeren en de grondeigenaars moesten zich blauw betalen, de rijke handelsmannen gingen vrij uit. Onder ons is Alva met zijn tiende penning nog al een bekende figuur. Eigenlijk was dat een verbetering tegenover de landbouw. Het schijnt ook, dat deze 10de penning niet zoveel tot het verzet tegen Spanje heeft bijgedragen als men gewoonlijk schrijft.
Het was in de Nederlanden geen paradijs, schreven we. Karel V voerde oorlog op oorlog. Herhaaldelijk brak er pest uit, die velen aantasttte. Verscheidene stukken land lagen braak. Daar waren geen mensen genoeg en geen dieren genoeg voor de bewerking of het loonde niet. Hele troepen bedelaars trokken rovend en moordend door het land. Hun gruwelen dreven het platteland soms tot radeloosheid. De levensmiddelen waren duur. De, burgerij verarmde in vele steden.
Maar de toestand der Kerk was toch de voornaamste oorzaak van het verlangen naar reformatie. Ten eerste was de geestelijke verzorging slecht. In Delft waren 15000 inwoners en twee pastoors. Amsterdam had 20.000 inwoners en idem zoveel pastoors, 't Leek de Hervormde Kerk wel van tegenwoordig. Doch in de Roomse Kerk was nog een treffender schande. Men heeft uitgerekend, dat er boven de Moerdijk in 1514 600.000 mensen woonden. Daarvan waren er 10.000 priesters. Op het platteland hadden de pastoors vaak enkele tientallen gemeenteleden, dat zij vermeld tegenover het ontbreken van pastoors in de steden. Maar van de 10.000 priesters deden er 9000 niets dan kroeglopen en meer van dergelijke dingen. Een enkele van die 9000 deed wat aan studie. De pastoors van de dorpen woonden vaak in de steden. Slecht ontwikkelde huurlingen namen hun plichten waar. Velen van hen hielden een café of een boerderij om in leven te blijven. Voorts vroegen zij geld voor elke dienst, die ze bewezen. Eerst betalen dan dopen. Over betalen gesproken, nog niet zo lang geleden kon men in de Hervormde Kerk van Hekelingen tegen betaling van ƒ1.— vrijstelling van het beantwoorden der doopvragen krijgen, maar als men ze beantwoordde kostte ook daar de doop niets. Gans anders was het bij de huurlingen der pastoors. Altijd was het: eerst betalen. Daarom zei men toen in Nederland : Gods goedheid en der papen gierigheid zijn beide zonder einde. In die dagen heersten de rijken over het kerkegoed en zij moeten er veel van gestolen hebben. Ook hadden slechts weinigen begeerte om pastoor te worden. Zo waren de misstanden. Maar de ergste misstand was de valse leer, die overal gebracht werd. Van roomse zijde worden die misstanden van de praktijk wel toegegeven, maar dat de roomse leer niet deugde, dat was de voornaamste oorzaak van het verlangen naar reformatie, en dat geeft men niet toe, helaas. Het heeft weinig zin om te vertellen hoe slecht sommige pastoors hebben geleefd. Het waren vechters en drinkers en zo nog wat. Gelukkig niet allen. De pastoor van Heenvliet was een goed pastoor, doch deze werd dan ook door de Roomse Kerk gedood, om van Jan de Bakker maar te zwijgen. Wilt u onze bronnen kennen voor de beschrijving van de droevige toestanden ? Het is een R.K. bron. Vond men dit in onze gewesten allemaal maar goed ? Volstrekt niet. Ten eerste had men in de 15de eeuw de ernstige roomsen, die al of niet onder invloed van Geert Groote stonden. Let wel, het zijn geen strijders voor een gereformeerd christendom, waarin de zaligheid alleen door het geloof in Christus verkregen wordt, maar het zijn ernstige roomsen. En dan is daar alles wat instemt met de kritiek van Erasmus. Doch ieder, die de grote kloof kent, tussen Luther en Erasmus, zal weten, dat hij in de grond te doen heeft met roomsen of met mannen van het ontwakend heidendom. Dit laatste vraagt misschien enige toelichting. Dan bedenke men, dat na de zondeval op aarde het heidendom heeft gewoond. Wat is heidendom ? Dat is alle denken, willen en leven, dat zich losmaakt van het gezag van Gods Woord. Adam heeft zich daar in het paradijs van losgemaakt en nu is er voor ieder mens een bekering nodig, een wedergeboorte om zich aan dat gezag weder te. onderwerpen. Toen het christendom staatsgodsdienst werd, was er officieel voor het heidendom geen plaats meer. Het bleef echter leven in het menselijk hart.
In de 14de eeuw nu stonden er in Italië mannen op, die dat heidendom , tot nieuw leven zochten te brengen. Dat zijn de mannen van de Renaissance. Het woord betekent letterlijk wedergeboorte. Bedoeld is een wederopleving, een wedergeboorte van het heidendom. Het heidendom begint zich te verzetten tegen het beslag, dat Gods Woord op de mens wil leggen. Wat is het beginsel van de Renaissance ? De mens is de maat van alle dingen. Hij heeft in wezen geen gezag boven zich. Het vasthouden aan dit beginsel kon bij de mannen van de Renaissance gepaard gaan met een uiterlijke onderwerping aan de Roomse Kerk. Nu weer terug naar de kritiek op het verval der kerk. Zij kwam van Erasmus, doch deze bleef de Roomse Kerk trouw. Daarnaast waren er anderen, die het met hem eens waren, doch die duidelijker naast de Roomse Kerk stonden. Pater Fiolet tekent hen als mensen, wier ideeën culmineren in het ideaal van de autonome mens, die in redelijke, zedelijke en godsdienstige zelfbepaling zijn waarachtige vrijheid vindt. „Het is dit ideaal, dat het karakter van de nationaal-gereformeerde richting heeft bepaald". Met deze naam wil men n.l. een legende scheppen, om het recht van hen, die van de belijdenis afwijken, daarop te gronden. Maar de nationaal-gereformeerden zijn niet nationaal en niet gereformeerd geweest. Zij waren niet nationaal, want zij maakten een heel klein deel der natie uit en zij waren niet gereformeerd, tenzij men dit woord wat anders laat betekenen, dan wat het gemeenlijk aanduidt. Het waren mannen met een totaal ander beginsel dan het gereformeerde, zoals ons bleek.
Wanneer dus Erasmus enerzijds het Nederlandse Christendom heeft gestempeld, dan is het Calvijn, die het anderzijds heeft gedaan. Er is niets tussen. De nationaal-gereformeerden zijn niet een deel der Hervorming, dat bijna Calvinistisch was. Het zijn enkele losse personen die moeilijk de Roomse Kerk los lieten, en zij hadden geen hervormende kracht. Men stelt zo wel eens de vraag, wat er van het Protestantisme in Nederland was geworden, als het Calvinisme daar niet ingekomen was. Die vraag is gemakkelijk te beantwoorden. Dan was Noord-Nederland net zo Rooms gebleven en geweest op heden als België. Van heel die z.g. nationaal gereformeerde beweging — afgezien van haar beginselen — ging weinig of niets uit op het volk. Het komt mij voor dat er behalve de kring rondom Erasmus ook nog anderen zijn geweest, eenvoudiger, bijbelser lieden, die echter op de juiste leiding hebben gewacht en. van wie er in de jaren tussen 1520 en 1530 velen zijn gedood door de rechters van Karel V. De hervormde gezindheid scheen toen onderdrukt te zijn.
Maar wat gebeurt er. Onverwachts springt er een vloedgolf van z.g. wederdopers of doopsgezinden over ons land. Dat was een echte volksbeweging, die grote massa's meesleepte. Maar dit is helemaal op niets uitgelopen. Het schijnt dat er veel wanhopige mensen onder geweest zijn, maar dan niet wanhopig en ellendig over armoede voor God, doch, over hun armoede in de wereld. Uit dit laatste wordt geen bijbelse reformatie geboren. Zij zijn niet te beschouwen als de voorlopers van het nakroost der nadere reformatie, zoals dr Woelderink dat propageert, doch veeleer als de voorlopers van nihilisme en communisme en als een uitbarsting van puur heidendom. Misschien is het nuttig, dat ik een volgend artikel aan de wederdopers enige aandacht schenk.
Nu alleen dit. Erasmus' invloed was onderdrukt, de mannen van de nationaal-gereformeerde richting hielden zich stil, de wederdopers waren zwaar getuchtigd, maar in alle stilte ging de evangelische beweging in ons land toch verder. En toen kwam na 1540 het Calvinisme. Daarop reageerde de kern der kinderen Gods in Nederland, die in waarheid de Heere vreesden, met een diepe dankbaarheid. Men weet nog niet hoe het Calvinisme in deze gewesten is ontstaan. Maar men geeft wel algemeen toe, dat het hier overheersend is geworden. Daar ging kracht van uit, de kracht van het evangelie. Want men spreekt wel van een gesloten leersysteem en van straffe organisatie en van zelfverzekerd optreden, maar systeem en organisatie en zelfverzekerdheid had Rome nog veel meer. Doch Rome had het evangelie niet en geen mannen in wie het evangelie van Gods genade een kracht was geworden. Het Calvinisme had het evangelie en de mannen. Gelukkig ook de organisatie. Die was er niet, maar die werd geschapen. En de Kerk die in het leven werd geroepen, de organisatie dier Kerk plaatste de enkeling in een steunend verband. Die Kerk was in de aanvang niet gedeeld in partij zus of zo. Die Kerk nam eenstemmig, op haar eerste synode, het besluit de Nederlandse en de Franse Belijdenis te ondertekenen. Al de leden der synode stemden met de letter daarvan in. Ook zou er in de Kerken geen andere Catechismus gebruikt worden dan die van Heidelberg of van Geneve. Niemand zou voortaan tot de dienst des Woords worden toegelaten, dan die door ondertekening der Belijdenis verklaarde het met haar inhoud en formulering eens te zijn. Niemand mocht in de Kerk prediken dan die zich op de predikstoel en daar buiten bewoog in de weg van het belijden der Kerk. Deze besluiten van de synode van Emden zijn op de volgende particuliere synoden goedgekeurd. Elke predikant in de Kerk van Nederland ondertekende de Belijdenis en preekte naar Schrift en Belijdenis.
Het is dus onwetenschappelijk en onjuist, als Pater Fiolet de gereformeerde synodeleden noemt: de bovendrijvende partij.
't Waren de enigen, die wettig in het ambt stonden in de gereformeerde Kerk in deze gewesten, want zij hielden haar grondslag vast. En nu nog is de belijder der Gereformeerde Waarheid, die daarnaar zich richt in zijn ambtswerk de enig wettige ambtsdrager in die oude Vaderlandse Kerk. Want de grondslag der Kerk veranderde niet, al veranderden haar reglementen. Anderen hebben geen recht in de Kerk. Zij zijn niet legitiem daarin.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 12 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's