De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

HET HART DER KERK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

HET HART DER KERK

9 minuten leestijd

Men kan zeggen, dat het leerstuk der praedestinatie (dit is meer omvattend dan de verkiezing) verschillende vragen oproept. Dat is een feit, maar wie ophoudt te spreken van het leerstuk en zegt het vraagstuk der praedestinatie, maakt deze tot een twijfelachtige zaak.

Hij, die zo gemakkelijk omspringt met een leerstuk der kerk, hetwelk bovendien van zulk een centraal karakter is, heeft zich te weinig rekenschap gegeven van het kerkelijk geloof en van het wezen der kerk.

Wij mogen niet onderstellen, dat de , , resultaten van de exegetische en dogmatische arbeid in onze eeuw", waaraan de Persschouwer van , , Woord en Dienst" heeft gedacht, als hij althans bepaalde resultaten op het oog heeft gehad, hem tot de conclusie zouden hebben gebracht, dat wij in een toevallige wereld leven of in een wereld, waarin alle dingen plaats vinden volgens een blinde noodwendigheid. Een exegetische en dogmatische arbeid, die tot zulk een conclusie geleid zou hebben, zou de Heilige Schrift eerst leeg geëxegetiseerd hebben om er dan een hoogst willekeurig dogma voor in de plaats te zetten.

Een exegese, die het er om te doen is de Schrift te verstaan, zal vinden, dat de bepaalde Raad en het voornemen Gods over de ganse schepping gaat, gelijk de Christus leert, dat er zonder de wil des Vaders geen muske ter aarde valt. (Matth. 10 : 29, 30).

Ware exegese laat zich toch niet leiden door een vooropgezette Godsideé of een ingebeelde Christus, welke als een maatstaf van Schriftuitlegging wordt gehanteerd om voorts alles, wat daarmede niet schijnt te stroken te negeren. Integendeel, de ware exegese wordt geleid door de inwendige Leermeester, van wien de Christus heeft gezegd, de Heilige Geest, die de Vader zenden zal, die zal u in alles leiden, wat_Ik u gezegd heb. (Joh. 16 : 13 ; 14 : 26).

Dezelfde Geest, die de onzienlijke Auteur van de Heilige Schrift is, is ook de verborgen werker van het geloof door het Woord.

Daaruit blijkt, dat Schriftuitlegging een zaak van het geloof is, althans een oefening, waarbij het geloof een onmisbare functie, vervult, wijl het gaat om de mening des Geestes te verstaan, die toch tegelijk de Auteur der Schrift en des geloofs is, ja, die ook de Leermeester van alle waarheid en ware wetenschap is.

Exegetische arbeid arbeid des geloofs. Het geloof ontvangt de Heilige Schrift als Gods Woord. Zonder dit geloof moet de uitlegging falen.

En dan nog vergete men niet, dat de uitlegging een gave is ! (1 Cor. 12 : 10).

De dogmatische arbeid kan evenmin buiten het geloof omgaan. Immers het dogma, dat deze naam in Schriftuurlijke zin mag dragen, heeft ook te maken met de Heilige Schrift, met de werking van 'de Heilige Geest en met het geloof.

Dogma, het woord is van huis uit gezagsvol. Er ging een dogma uit van de keizer Augustus. (Lukas 2 : 1). Derhalve een keizerlijk besluit, of zoals wij zeggen een koninklijk besluit. Achter het dogma staat een levend gezag.

Het heeft dus iets te zeggen, dat de apostelen dit woord gekozen hebben voor de verordeningen (Statenvertaling) of beslissingen (Nieuwe vertaling) van het apostelconvent te Jeruzalem. (Vgl. Hand. 15 : 28 v. en Hand. 16:4).

In Hand. 15 : 22 lezen wij: het heeft de apostelen en de ouderlingen goedgedacht Dat betekent : De apostelen en ouderlingen besloten. In vs. 28 : staat: Het heeft de Heilige Geest en ons goed gedacht, ulieden geen meerdere last op te leggen enz. Dat , , goedgedacht" is een vertaling van een werkwoord, waaraan het woord dogma rechtstreeks verwant is en heeft de zin van een beslissing nemen, die ook voor anderen gezag heeft.

Het lijdt dus geen twijfel, of de keuze van dit woord door de apostelen heeft ons er op te wijzen, dat zij aan de dogmata, de beslissingen, van het convent der apostelen en ouderlingen gezag hebben toegekend, dat ook zou gelden in de gemeenten. Daarom moesten zij ook worden onderhouden door de gemeenten. (Hand. 16:4).

Dat gezag heeft zijn grond in hetgeen de apostelen en ouderlingen uitdrukken in de woorden : Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht, enz. Hun beslissing werd genomen in het geloof. (Zie Hand. 15 : 11. Maar wij geloven enz.), bij het licht van Gods Woord (zie Hand. 15 : 16) en in het besef, dat zij door de Heilige Geest werden geleid. (Het heeft de Heilige Geest en ons goedgedacht). Daar is iets in van Gods Geest getuigt met onze geest.

Wij hebben de aandacht willen vestigen op het geheel eigen en bijzonder karakter van het dogma en van de dogmatische arbeid.

Ook dogmatische arbeid is geloofsarbeid, staat op de grondslag van het geloof in de leer der apostelen en profeten als een goddelijke leer, terwijl de hoogste Profeet en Leraar Christus, die de profeten en apostelen heeft onderricht, ook de Zijnen onderwijst door Zijn Geest.

Dat betekent derhalve, dat resultaten van een exegetische en dogmatische arbeid, voortkomende uit overwegingen, die het goddelijk gezag der Heiligt Schrift in twijfel trekken en geheel of gedeeltelijk ontkennen, buiten het Schriftgeloof der Christelijke Kerk omgaan en uit het leven van Christus' gemeente niet zijn voortgesproten.

Het kan zijn nut hebben, de aandacht daarop te vestigen, want het is alles geen theologie, dat zich als zodanig wenst aan te dienen. Alle arbeid, welke op waardering van theologische arbeid aanspraak mag maken, begint met het geloof, dat de boeken des Ouden en Nieuwen Testaments ontvangt als heilig en kanoniek. (Ned. Gel. Bel. art. V).

Wie dat niet doet, stelt zich buiten de belijdenis der kerk.

En wat waarborg kan iemand geven, dat zijn leringen met de goddelijke Waarheid overeenkomen, als hij de enige maatstaf en regel des geloofs, die ons is gegeven, n.l. de Heilige Schrift, niet als zodanig aanvaardt?

Zulk een leraar kan ook wel dingen zeggen, die, naar die maatstaf gemeten, waar zijn, doch dan schrijve men die waarheid niet aan zijn ongelovig verstand toe. Wij geloven, dat ook als een goddeloze of ongelovige waarheid verkondigt, hij dat zonder het te weten aan de Geest der Waarheid heeft te danken, want alle mensen zijn leugenachtig.

Zo is het ook omgekeerd wel mogelijk, dat een godvrezend man zich vergist en dingen zegt, die in strijd zijn met de Waarheid, al is hij ter goeder trouw. De Heilige Geest vergist zich niet, maar een mens is feilbaar en gebrekkig in alles.

Vandaar, dat het nodig is, ons geloof voortdurend te oefenen en te beproeven bij het onderzoek der Schriften, waarbij wij de leiding van de Heilige Geest niet kunnen ontberen.

En wat nu de verkiezing en verwerping 'betreft, wij hebben reeds opgemerkt dat het woord verwerpen in absolute zin niet voorkomt in de Heilige Schrift.

Daaraan kan worden toegevoegd dat het woord verkiezen niet altijd in absolute zin, dus met het oog op de eeuwige zaligheid wordt gebruikt.

Beide woorden, verkiezen en verwerpen, komen dus in betrekkelijke, in tijdelijke zin .voor, maar er zijn verschillende plaatsen, waarin het woord verkiezen ziet op het besluit Gods tot eeuwige, zaligheid. In het Nieuwe Testament komt het woord verkiezing in 'de zin van eeuwig wèl of wee zes of zeven keer voor.

Hand. 9 vs. 15 : Deze is Mij een uitverkoren vat.

Rom. 9 VS. 11 : opdat het voornemen Gods, dat naar de verkiezing is ;

Rom. 11 VS. 5 : een overblijfsel naar de verkiezing der genade.

Vs. 7 : De uitverkorenen hebben het verkregen, maar de anderen zijn verhard geworden.

Vs. 28 : maar aangaande de verkiezing zijn zij beminden, om der vaderen wil.

1 Thess. 1 VS. 4 : wetende, geliefde broeders, uw verkiezing uit God,

2 Petr. 1 VS. 10 : benaarstig u om uw roeping en verkiezing vast te maken.

Wat de verwerping, als begrepen in de praedestinatie, zoals ook de verkiezing tot zaligheid daarin begrepen is, aangaat, zou gewezen kunnen worden op Jesaja 41 vs. 9 : Gij zijt Mijn knecht; u heb Ik uitverkoren en heb u niet verworpen. Dit gaat echter over de verkiezing Israels en het woord verworpen staat hier niet in positieve zin.

De Heilige Schrift gebruikt echter nog wel andere woorden als verstoten en verharden. Men denke aan Rom. 11 VS. 1 en 2 : Heeft God Zijn volk verstoten? God heeft Zijn volk niet verstoten, hetwelk Hij tevoren gekend heeft.

Joh. 12 VS. 40 zegt: , , Hij heeft hun" ogen verblind en hun hart verhard ; opdat zij met de ogen niet zien, en met het hart niet verstaan en zij bekeerd worden, en Ik hen geneze". (Vgl. Matth. 13 VS. 14 ; Markus 4 vs. 12).

Rom. 9 VS. 18 : Zo ontfermt Hij zich dan diens Hij wil en verhardt, dien Hij wil. Deze plaats laat aan duidelijkheid niet te wensen over en er is geen belijdenisgeschrift, dat zo scherp zich uitdrukt als de apostel Paulus in deze Schrift.

Gij zult dan tot mij zeggen : Wat klaagt Hij dan nog? , d.w.z. wat heeft 'God dan nog over de mens op te merken, wat heeft Hij de mens nog te berispen, n.l. wegens zijn onverstandig en traag hart, als God verhardt dien Hij wil ?

Want wie heeft Zijn wil wederstaan?

Maar toch, o mens, wie zijt gij, die tegen God antwoordt?

Zal ook het maaksel tot dengene, die het gemaakt heeft, zeggen : Waarom hebt gij mij alzo gemaakt? (Vgl. Jesaja 45 VS. 9 ; Jer. 18 vs. 6).

Of heeft de pottenbakker geen macht over het leem, om uit dezelfde klomp te maken het ene een vat ter ere, en het andere ter onere?

En indien God, willende Zijn toorn bewijzen, en Zijn macht bekend maken, met vele lankmoedigheid verdragen heeft de vaten des toorns, tot het verderf toebereid, en opdat Hij zou bekend maken de rijkdom Zijner heerlijkheid over de vaten der barmhartigheid, die Hij te voren bereid heeft tot heerlijkheid?

En wat zult gij tegen God antwoorden?

De apostel Paulus ontloopt de vragen niet. Hij begint zelfs met de verwerping.

Wat zullen wij dan zeggen ? , zo vraagt hij verder, (vs. 30).

Komt dat dan niet geheel overeen met de woorden van de Heere Jezus Christus, als b.v. Joh. 3 vs. 36 : Die in de Zoon gelooft, die heeft het eeuwige leven, maar die de Zoon ongehoorzaam is, 'de toom Gods blijft op hem.

En zegt de Christus ook niet, dat Hij niet bidt voor de wereld, maar voor degenen die Gij Mij gegeven hebt? (Joh. 17 VS. 9).

Hij, die altijd de wil des Vaders doet? (Joh. 6 VS. 38 en 39).

Zo is ook dit niet bidden voor de wereld naar de wil des Vaders.

Niemand komt tot Mij, tenzij de Vader hem trekke. (Joh. 6 vs. 44). En die tot Mij komt, zal Ik geenszins uitwerpen. (Joh. 6 VS. 37).

Al deze woorden staan derhalve in het licht der preedestinatie. Het moet dus een vreemdsoortige uitlegging zijn, die deze dingen niet ziet.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

HET HART DER KERK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's