ONVEILIG SEIN!
IV (Slot).
Tenslotte de beantwoording der IVe vraag. Het bleek, dat ook de Synode van gevoelen was, dat „de in versnelde mate voortgaande ontkerkelijking, separatie ën ontkerstening voor een belangrijk deel mede het gevolg geacht moet worden van de onzekerheid, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid in de prediking". De Synode betitelt deze laatste symptomen als „ernstige tekortkomingen der Kerk". Ons dunkt, dat men hier van de zonde der Kerk heeft te spreken. Er mag wel eens schuldbelijdenis gedaan worden over een'prediking, waarvan de kleuren met elkander vloeken, — gevolg van het feit, dat de Kerk de grondslag der Schrift en het zuiver kompas der Belijdenis verlaten heeft. Zeker is, dat de Kerk zonder waarachtige bekering en terugkeer tot het Woord des Heeren niet zal opstaan uit haar verval.
Doch dit geeft nog geen recht, om te zeggen, dat, gelijk de Synode nu doet, „binding aan de lettét der belijdenis en formele uniformiteit in de prediking op zichzelf geen waarborg is voor het tegengaan van vervlakkende en ontbindende factoren". Wat bedoelt de Synode daarmede ? Dat het tegendeel, het omgekeerde dus, de informele pluriformiteit en de operatieve vrijheid tegenover de belijdenis wèl een waarborg zouden zijn voor het tegengaan der kerkontbindende invloeden ? Dat kan zij toch niet menen ? Uitspraken als deze hoorden wij vroeger van vrijzinnige zijde meer dan eens en dan zat daar altijd achter, dat men principieel van geen binding aan de belijdenis horen wil.
Te meer klemt dit, wanneer de Synode daarbij als voorbeeld aanhaalt de gang van zaken in andere kerkgemeenschappen in Nederland, die van Gereformeerd belijden zijn, die „Op ontstellende wijze in de voorbijgegane tientallen jaren tot op heden toe" voor haar stelling, bovengenoemd, bewijzen af legden. Naar onze mening snijdt dit argument geen hout. Ten eerste hebben wij wel allerminst verlof, om andere kerken te laken. Daarbij komt, dat toch nooit vergeten mag worden, dat de scheuring der Kerk juist vanwege de zonde van haar afwijken van Gods Woord ontstaan is. Ons past ootmoedigheid. Tegenover de gescheiden kerken hebben wij in de loop der historie ook al bitter weinig roeping getoond. Had de Hervormde Kerk de roep om handhaving van hare belijdenis te rechter tijd verstaan, de situatie zou zeker nu geheel anders zijn. Losgeslagen smaldelen dobberen nu rond en betonen een vaak aanigrijpende onmacht tot een reformatorisch leven des Geestes. Dat wil niet zeggen, dat ook in andere kerken, die ernst maken met de belijdenis, al mogen wij onze bezwaren hebben, de geesten niet openbaar worden. Strijd zal er altijd en alom zijn, wanneer Jezus Christus naar Gods Woord beleden wordt. In de door de Synode waarschuwend uitgestrekte vinger naar de dissidente kerken van gereformeerd belijden, vernemen wij de oude roep om „rust" tot elke prijs. Men denke aan Kohlbrügge !
Voorts spreekt de Synode uit, dat „de actie van het Hervormd-(Gereformeerd) Verband niet zal blijken bij te dragen tot het tegengaan van verdergaande scheuring en ontkerstening" — gevolgen immers van de praktische leervrijheid, door het , , Verband" aangewezen. Wij ontkennen niet, dat er altoos dwaalleraars zullen zijn. Maar wij achten, dat in een gereformeerde kerk als de onze, die een belijdenis heeft, op Gods Woord gegrond, tegen dezulken behoort te worden opgetreden, daar Christus Zelf dit eist en zielen aan ons van Zijnentwege toevertrouwd werden. Gehoorzaamheid aan de Koning der Kerk is ook of juist in de tegenwoordige constellatie een eerste vereiste. En zeker zou het kunnen zijn, dat het „Verband" tot het tegengaan van verdere scheuring en ontkerstening niet zou bijdragen. Maar deze voorspelling zou zich met ontroerende ernst kunnen keren tegen een Kerk, die naar het profetisch getuigenis van haar verontruste ambtsdragers zou weigeren te luisteren. Ook dan zouden deze ambtsdragers alleen om der consciëntie wil toch hun stem verheven hebben. Daarom spreken wij uit, naar ónze vaste overtuiging, dat de wég, welke de Kerk nü bewandelt, noodzakelijk en onvermijdelijk tot verdere scheuringen, afscheidingen en doleantie's moet leiden, als God het niet genadig verhoedt. Alleen in de weg van bekering en schuldbelijdenis, in terugkeer tot de Levende God zal ook de ware geestelijke eenheid terugkeren. Tot bekering wil het , , Verband" in ootmoedige gehoorzaamheid aan Gods Woord oproepen. Of het Gode belieft, dat woord te zegenen, weten wij niet. Het moge onze bede zijn, dat het oordeel niet verder voltrokken worde aan de erve der vaderen. Maar wij hebben alleen te spreken, omdat zwijgen ons tot schuld geworden is. Verschillende kerken van gereformeerd type in ons land zijn toch , , niet anders te waarderen dan als splinters, dus als stukjes van de ene nationale kerk. Zij klagen, wanneer zij zichzelf goed verstaan, over de toestand der vaderlandse kerk en wonen tijdelijk van haar uit. In belijdenis, eredienst en kerkorde zijn zij met haar één. De quaestie van de toestand, waarin de tucht zich in de Nederlandse Hervormde Kerk bevindt, houdt ze van haar kerkverband geïsoleerd. Een werkelijke en complete (wij cursiveren !) reorganisatie van de Nederlandse Hervormde Kerk wijzigt de situatie als met één slag radicaal". (Prof. dr. A. A. van Ruler, Religie en Politiek, p. 211).
En daarom vrezen wij, juist omdat het tot deze „werkelijke en complete" reorganisatie niet gekomen is, dat alle kunstmatige synthese van tegendelen, varende onder de valse vlag van een religie der belijdenis, die allerminst de belijdenis der religie is, ons een tijdperk wil doen aanvaarden van een , , Christendom boven geloofsverdeeldheid", naar de nieuwste mode getailleerd. Van deze, onware synthese moet de Kerk de noodlottigste gevolgen duchten.
Het beroep op de vrijmacht van de Heilige Geest neemt onze verantwoordelijkheid niet weg. Als het de Synode ernst is — en wij nemen dit aan — met haar betuiging, dat de Kerk aan de belijdenis der vaderen ontzonk, laat haar dan tot die belijdenis met ernst terugroepen. En dan zal die belijdenis niet alleen een „staf en een steun", maar ook richtsnoer en regel der prediking hebben te zijn.
En als de Synode zegt : „Aldus kan worden voorkomen, dat er een heilloze strijd zou ontstaan om de formalistische handhaving der belijdenis, een strijd, die zich zou afspelen in de voorhof, terwijl het heiligdom der Schrift daarbij gesloten zou blijven", constateren wij hier een beslist ongereformeerde tegenstelling van Schrift en Belijdenis. Ook vragen wij : Is al wat in de belijdenis geleerd wordt, dan voorhof ? B.v. ook de leer aangaande de Godheid van de Heere, Jezus Christus ? Maakt de Synode hier de belijdenis der Kerk niet onbewust of welbewust los van de Schrift, een valse tegenstelling scheppende ? Wij kunnen deze zinsnede wel 't minst waarderen.
Tenslotte wekt de Synode de leden van het , , Verband" en alle andere ambtsdragers op, „zich met al de hun gegeven kracht te wijden aan de opbouw der Kerk, langs de lijnen die de kerkorde daarvoor aanwijst". De kerkorde krijgt hier wel een zwaar accent. Het lijkt wel, of zij iets absoluuts is. Wat bedoelt de Synode : In „gemeenschap" met of in , , over eenstemming" met de Kerkorde? Waarom wordt juist nu niet naar Gods Woord verwezen ? En als men deze Kerkorde een „door God geschonken werktuig" noemt, is de Belijdenis dat dan soms niét ? Ongetwijfeld — de Kerkorde kan dit ook zijn, als zij wegen en mogelijkheden aangeeft naar Gods Woord en daarom — het zij nóg eens gezegd — aan de belijdenis der Kerk bindt!
De Synode roept vervolgens tot de dienst van „Jezus Christus, onze Profeet, Hogepriester en Koning". Het verblijdt ons, dat de Synode de drie ambten des Heeren hier noemt. Zij erkent de Heere Jezus Christus immers ook als Koning Zijner Kerk. Dat de ganse Kerk zich dan ook onder dit Koningschap buige, want waar het Woord des Konings is, daar is heerschappij !
Klaagt de Synode over gebrek aan „geloof, ijver, liefde en gebed" — zo paren wij onze stem aan de hare. Een ieder klage vanwege zijne zonde. En ziet zij de toekomst der Kerk zeer ernstig in, gelijk zij betuigt, dan toch zeker wel niet, omdat het hun, die vragen om binding aan de belijdenis, juist daarom aan liefde zou ontbreken ! Zouden allen, die de gereformeerde belijdenis liefhebben, maar harteloze drijvers zijn ? Confessionalisten ? Onverdraagzaam en eenzijdig en achtergebleven in hun groei ? Ook wij, die, om handhaving der belijdenis vragen, moeten erkennen, dat wij met alle anderen schuldenaars zijn voor God. Daarom kunnen wij echter slechts te scherper formuleren, wat, gezien de geweldige schuld der Kerk in verleden en heden, thans de roeping der Kerk is. Daarom zeggen wij : Laat de Kerk met de Synode vooraan, belijden!
Wil men werkelijk een innerlijke levensgemeenschap met de belijdenis der vaderen, d.i. de III Formulieren van Enigheid, dan zal het ons benieuwen, hoe dit beginsel verdisconteerd wordt in de benoeming der kerkelijke hoogleraren. Daar zal duidelijk worden, wat men onder deze formulie verstaat. En hetzelfde zal tot openbaring komen, waar over de plaats, de betekenis en het gezag der Heilige Schrift een verklaring zal worden afgelegd. Wij wachten af.
In de Grote Kerk te Dordrecht hebben de vaderen in den jare 1619 plechtig afgekondigd, dat de III Formulieren van Enigheid , , de waarachtige en volkomen leer der zaligheid zijn". Had de Synode dit oordeel onderschreven, wij zouden ons verblijd hebben.
Nu dit niet geschied is, geeft dit ons aanleiding, de strijd om het gezag en de rechtskracht der Belijdenis in de kracht des geloofs en gedreven door de liefde, van Christus, voort te zetten. De nood is ons opgelegd.
Daarbij zij Jesaja's woord ons devies: , , Om Sions wil zal ik niet zwijgen en om Jerusalems wil zal ik niet stil zijn, totdat haar gerechtigheid voortkome als een glans en haar heil als een fakkel, die brandt. (Jesaja 62 : 1).
H. Stolk,
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 19 november 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's