De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

CORNELIUS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

CORNELIUS

7 minuten leestijd

En hij zeide tot hem : uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. Handelingen 10 vs. 4b.

Wat is de Heere toch vrijmachtig in de bedeling van Zijn genade. In Cesarea, een havenstad aan de zee, woonde een man, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende, genaamd de Italiaanse.

Wie zou hebben verwacht, dat op de aankondiging van deze heidense officier zouden volgen de w^oorden, die ons in het tweede vers staan opgetekend : godzalig en vrezende God met geheel zijn huis en doende vele aalmoezen aan het volk en God geduriglijk biddende.

Dat zijn allemaal dingen, die hem de mensennatuur niet hebben geleerd.

Hoe deze officier is gekomen tot het licht van de kennis der genade, weten wij niet. Het ligt wel voor de hand aan te nemen, dat deze man in contact is gekomen met het Joodse volk. Uit hun mond moet hij stellig gehoord hebben van de ware God van Israël, die. de hemel en de aarde heeft gemaakt.

De ogen van deze heiden zijn door God geopend, zodat hij de ijdelheid van de afgoden van zijn volk heeft leren inzien. Hij heeft die God leren vrezen, die ook eenmaal als Rechter hem zou oordelen naar al hetgeen in het lichaam geschied was, hetzij goed, hetzij kwaad.

Dat zal aanleiding gegeven hebben tot reusachtige veranderingen in zijn leven. Hij leerde van toen af de zonde te vlieden. Hij heeft er zich niet voor geschaamd om in de synagoge van dat verachte Joodse volk te luisteren naar het geklank van dat aloude profetische Woord.

Stellig is hij een aanzienlijk man geweest, maar ziet, wat hij vroeger gaarne besteedde in de dienst der wereld, bestemde hij nu gaarne om het leed van arme Joden nog te verzachten. Van vroegere heidense hebzucht is nu geen sprake meer.

En wat heeft deze heiden gedurig het aangezicht van God gezocht ! Zou er voor hem, zulk een groot zondaar, nog redding te vinden wezen?

Zou die Messias, die aan het Joodse volk beloofd was naar het profetische Woord, ook hem nog willen redden en zaligen?

En ziet, de Heere laat het ons in deze schone geschiedenis zien, dat Hij een hoorder, ja, een verhoorder van de gebeden is. Immers in een gezicht omtrent de negende ure des daags, zond de Heere een engel tot de bevende Cornelius met de woorden : Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.

En nu zou menigeen bij zichzelf hebben gezegd : Ga voort, heraut van de hemel, en verkondig deze heilzoekende heiden de blijde boodschap des heils.

Maar neen, die taak is niet weggelegd voor een engel.

Voor dat heerlijke werk, een heraut te wezen van de blijmare des heils, wordt nu op het bevel van de engel Simon Petrus uit Joppe ontboden, die te huis lag bij Simon, een lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee.

Nu willen we zien, hoe diezelfde Heilige Geest heeft gearbeid aan het hart van de apostel Petrus. Hef was omtrent de zesde ure, dus midden op de dag, toen Petrus op het platte dak klom om aldaar tot God te bidden.

Wat een groot voorrecht is het, als iemand de behoefte gevoelt om de aardse beslommeringen voor een wijle te ontvlieden en zich in de eenzaamheid af te zonderen teneinde het aangezicht van God in den gebede te zoeken.

Wat is er echter veel, wat een mens van dat gebed kan aftrekken. Zo lezen we van Petrus, dat hij hongerig werd en begeerde te eten. We zien hier duidelijk dat zelfs lichamelijke behoeften de ziel van de dienst des Heeren kunnen aftrekken.

Juist op dat ogenblik kwam er een vertrekking van zinnen over Petrus. Wat dat geweest is, is niet zo gemakkelijk te zeggen. Zijn menselijke geest zal wel voor een poos aan zijn lichaam onttrokken zijn, zonder dat dat menselijk lichaam zonder ziel aan de ontbinding werd prijs gegeven.

In die visionaire toestand, waarin hij toen verkeerde, zag hij de hemel geopend en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden en nedergelaten op de aarde, in hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde en de wilde en de kruipende dieren en de vogelen des hemels.

O, wat zal Petrus wel zijn geschrokken, toen hij over de rand van het laken naast vele reine, ook vele onreine dieren zag.

Toen geschiedde daar een stem tot Petrus, die zeide: , , Sta op, Petrus, slacht en eet". Maar Petrus zeide : „Geenszins Heere, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was"..

Naar de wet van Mozes waren immers ook de reine dieren, die naast onreine dieren hadden gelegen, onrein geworden.

En ziet, dit gezicht geschiedde tot driemalen toe ön het vat werd weer opgenomen in de hemel.

En Petrus bleef in grote twijfel, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had.

Maar spoedig daarop werd het hem duidelijk, toen de drie mannen, die door Cornelius waren uitgezonden, hem kwamen ontbieden in het huis van hun meester.

Zonder dat gezicht zou hij er nooit aan gedacht hebben om zich te wagen in het huis van een Romeinse hoofdman. Tot een heiden kon men immers gerust zeggen: Raak mij niet aan, want ik ben heiliger dan gij zijt.

O, wat heeft de Heere het Petrus in dat gezicht op het platte dak van het huis van Simon anders geleerd. Ik denk aan het woord van Asaf, die bij het ontdekkende licht van Gods genade heeft uitgesproken : Ik ben een groot beest bij U.

Wie zichzelf bij het licht van Gods ontdekkende genade leert bezien, zal het moeten uitroepen : Heere, ik ben een onreine.

Maar dan is er óok geen enkele, reden meer om de arme heiden te verachten. De muren des afscheidsels tussen Jood en heiden worden verbroken.

In mijn gedachten zie ik Petrus met de vrienden uit Joppe zich opmaken naar Cesarea. Cornelius had die van zijn maagschap en bijzondere vrienden in zijn huis tezamen geroepen. Met spanning wachtte men de komst van Petrus af.

Wat een aangrijpend ogenblik, toen Petrus het huis van de Romeinse hoofdman binnentrad. Cornelius ging hem tegemoet en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. Maar Petrus richtte hem op, zeggende : Sta op, ik ben ook zelf een mens !

Welk een gezegende bediening des Woords volgde toen.

Het mag een ogenblik hard in hun oren geklonken hebben toen Petrus het uitsprak, dat het een Joodse man ongeoorloofd is zich te voegen of te gaan tot een vreemde, onmiddellijk laat hij er echter op volgen, dat God hem getoond had, dat hij geen mens zou gemeen of onrein heten.

En dan begint Cornelius zijn wedervaren te vertellen ; al hetgeen in die vier dagen door hem ondervonden was. Het slot van zijn relaas luidde aldus : Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is.

Welk een aandachtig gehoor. Zalig, zó te hongeren en te dorsten naar gerechtigheid. Hier waren arme zondaren onder het gehoor van de apostel Petrus. Het was te doen om de wetenschap des geloofs of er ook voor hen nog redding en zaligheid mogelijk was.

Neen, neen, deze Cornelius heeft geen grond gemaakt van zijn aalmoezen en van zijn gebeden. Dit waren slechts de vruchten van het nieuwe leven.

Hun ziel was begerig naar een weg ter ontkoming, ter verzoening van de zware schuld. Ze zaten daar als arme zondaren voor het aangezicht van een heilig en een rechtvaardig God.

En nu heeft Petrus niet zijn eigen woord te prediken aan deze heilbegerige schare. Hij heeft alleen te laten horen, wat hem van God bevolen was. En wat zou nu die heilsboodschap anders inhouden dan het evangelie des Kruises.

Petrus predikt een rijke Jezus voor een arm zondaar. Hij predikt, dat er alleen genade te vinden is bij die gekruiste Heiland.

En de dienst des Woords werd rijkelijk gezegend.

Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.

En groot was de verwondering, dat ook de gave des Heiligen Geestes op de heidenen was uitgestort.

Gelukkig de mens, die zó begerig onder de prediking des Woords mag nederzitten. Die kan zingen met het oude lied :

Mijn ziel bezwijkt van sterk verlangen, Mijn hart roept uit tot God, die leeft, En aan mijn ziel het leven geeft.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

CORNELIUS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 26 november 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's