De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

ONDERWIJS

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

ONDERWIJS

6 minuten leestijd

DIDACTIEK

De schoolopvoeding geschiedt door onderwijs en tucht. Er is dan ook geen opvoedingsleer, die geen bespreking der tucht omvat, dat spreekt vanzelf, maar ook de didactiek, d.i. de onderwijsleer maakt er een deel van uit: opvoeding en onderwijs horen bij elkander. Deze didactiek wordt onderscheiden in :

1. Algemeene didactiek, die in 't algemeen de regel geeft, om de leerlingen naar hun aard te onderwijzen. Ze betreft de subjectieve zijde van het onderwijs en gaat over de wijze waarop de leerstof door de leerlingen wordt a opgenomen, b bewaard, c verwerkt.

2. Bijz, didactiek of methodiek. Deze betreft de objectieve zijde van het onderwijs en handelt over leergang, leervorm, leertoon, leermiddelen en over de wijze waarop elk vak op zich zelf als leerstof de kinderen wordt aangeboden.

De naam didactiek {onderwijsleer) wijst op een bepaalde leer en dus op een bepaald systeem van onderwijs geven. Inderdaad, zodra men overgaat tot opzettelijke opvoeding en onderwijs, zal men moeten komen tot systematisch werken ; tot een bepaalde gang, die ge­ gaan wordt indien men bepaalde leerstof wil onderwijzen. We kunnen ons voorstellen dat o.a. bij de gewone dagelijkse huiselijke opvoeding, hoezeer daarbij ook dikwijls bepaalde regels niet kunnen ontbeerd worden, toch een veel grotere mate van vrijheid heerst en van een systeem moeilijk kan gesproken worden. Ook, omdat hier niet in de eerste en voornaamste plaats sprake is van onderwijs in de gewone zin van het woord. En dus zeker niet van didactiek.

Anders wordt dit bij het schoolonderwijs. Daar zal rekening gehouden moeten worden met de aanleg en de vatbaarheid der leerlingen en eveneens met de leerstof, die het ejgendom der leerlingen dient te worden. Dit komt zeer duidelijk uit, als men b.v. even tegenover elkander stelt een klas normale leerlingen tegenover een groep debielen.

De wijze van onderwijs geven zal hier totaal verschillend zijn. Dat de eisen der leervakken ook een woordje meespreken is duidelijk als ge een paar vakken naast elkander zet, b.v. Geschiedenis en Rekenen, Taal en Aardrijkskunde.

Maar hoe moet men het nu doen ? Daarmee houdt zich in 't algemeen de didactiek bezig. Heeft zich daar trouwens al eeuwen mee bezig gehouden. En heus niet alleen de direct bij geinteresseerde, de schoolmeester, maar grote geesten hebben daar in de loop der tijden hun gedachten laten gaan, veelal als onderdeel van wijsgerige studie, 't Heeft ons toch ook wel iets te zeggen, dat mannen van naam, van zeker voor hun tijd (en ook nog wel voor later) grote kennis en bekwaamheid nadachten over het onderwijs aan het opgroeiende geslacht en de vruchten van hun nadenken, van hun studie te boek stelden en trachtten in practijk te brengen.

Een enkel woord over de ontwikkeling van dit denken met betrekking tot de didactiek.

In de tijd der Middeleeuwen werd bij het geven van onderwijs vooral een beroep gedaan op het geheugen. De leerstof werd in het geheugen geprent, of ze begrepen werd of niet. Werd al iets verklaard, verduidelijkt, dan geschiedde dit toch alleen met woorden. Men dacht er niet aan, de leerlingen wat te laten zien, er was geen sprake van aanschouwelijkheid, maar ook niet van zelfwerkzaamheid en evenmin — over 't algemeen — van enige belangstelling.

Toen kwam hiertegen verzet (15de en 16de eeuw). De Humanisten en de Empiristen, mannen die wilden doen leren door ervaring, maar ook de Reformatoren en zelfs de Jezuiten keerden zich tegen dit dode geheugenwerk. De èèn meer in deze, de andere meer in die richting kwamen ze op voor aanschouwelijkheid, voor zelfwerkzaamheid, voor opgewektheid.

Niet dus maar alleen aanhoren en opdreunen en inprenten, maar ook de dingen zien en zó leren.

Niet slechts de meester die alles zei en alles leerde en de leerling die dit maar had te ondergaan, maar ook de leerling zelf moest iets doen, moest zelf iets doen, zelfwerkzaam zijn en aldus actief aan de lessen deelnemen.

Dan geen doodse eenvormigheid meer, maar levendige opgewektheid en een steeds meer belangstellend intern meeleven met het schoolwerk.

Ik geloof dat we deze 15de en 16de eeuwse reactie op het doodse geheugenwerk nog niet vergeten mogen. Het heeft ons ook thans nog wel wat te zeggen. Zeker, laten we niet vergeten, het zal niet zonder geheugenwerk gaan, maar dat het onderwijs daarin alleen of voornamelijk zou bestaan, 't is te hopen, dat we dat toch allang te boven zijn.

Maar de gang der didactiek stond niet stil. In de 17de eeuw begon de meer systematische studie der didactiek. De grote paedagoog Comenius schreef zijn , , Didacta Magna" (grote onderwijsleer) of te wel : , , De kunst om alles te leren".

In de 2de helft der 18de eeuw begon men de didactiek te doen rusten op de kinderpsychologie. Alleen wat het kind begrijpen kan, waar het rijp voor is, dat moet men het leren. Daar zal het dan ook belangstelling voor hebben en dan komt het leren als vanzelf. Een uitvloeisel hiervan was b.v. de poging van de Philantropijnen om het onderwijs prettig te maken. Het leren werd spelen of liever , , spelend-leren". Dat was de beste onderwijsleer. Let wel, dat hierbij de verstandsfactor, de factor van het begrijpen, van grote betekenis bleef, maar dat toch er nog iets anders bij kwam, de gevoelsfactor : het aangename, het prettige.

Nog weer verder komen we bij Pestalozzi (± 1825). Deze zoekt het in de leerstof zelf. Elk vak moet zo ontleed, zo geanalyseerd zijn, dat de allereenvoudigste elementen gevonden zijn. En deze moeten dan zo prettig mogelijk onderwezen worden.

Herbart was de man van de , , voorstellingen". Die voorstellingen moeten in de ziel van het kind helder gemaakt worden.

Merkwaardig voor zijn didactiek was naast de voorstellingsleer, de splitsing der moeilijkheden, verbetering van de leermiddelen, verklaring van alles en allerlei, waarbij de school weer dreigde te worden een , , praat-en-luister-school".

Daartegenover komt Fröbel (+ 1850), die vooral voor jonge kinderen een aparte didactiek geeft, met activiteitsdrang van het kind als nieuwe, zeer belangrijke factor. Vandaar dan ook zintuigoefening, handvaardigheid en eenvoudige spelletjes.

We moeten hierbij de namen noemen van Jan Ligthart en Maria Montessori, die dit nader in hun onderwijssysteem ook voor oudere kinderen hebben uitgewerkt. Sinds is ook Handenarbeid als facultatief leervak bij het L. O. gekomen. Vooral van groot belang bij het B. L. O.

In de nieuwere tijd zijn weer nieuwe wegen gezocht ; de experimentele didactiek ontstond, waarbij men door proeven er achter tracht te komen, op welke wijze een klas 't vlugst en 't best de leerstof opneemt.

Voeg daar nu bij van de allerlaatste tijd het streven naar vernieuwing of zoals anderen zeggen verfrissing van het onderwijs en noem daarbij voor onze scholen het C. P. S. het Christelijk Paedagogisch Studiecentrum — en we hebben in grote lijnen de gang der didactiek doorworsteld.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

ONDERWIJS

Bekijk de hele uitgave van donderdag 3 december 1953

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's