HULDIGING
Wij veroorloven ons bij het opmaken van dit artikel een dankbaar doch vrij gebruik te maken van het uitvoerig verslag in „Kerknieuws", Weekblad onder hoofdredactie van W. C. F. Scheps onder de volgende titel. *)
BIJ HET HEENGAAN VAN PROF. DR. J. SEVERIJN ALS GEWOON
HOOGLERAAR Predikant - Kamerlid - Hoogleraar - Voorman van de Geref. Bond - Publicist - Oificier.
Er is alle reden om in dit nummer van ons blad nader stil te staan bij prof. dr J. Severijn, een van de markantste hoogleraren van de rijksuniversiteit te Utrecht.
Prof. Severijn mocht 8 Mei j.l. de zeventig-jarige leeftijd bereiken en het is wet in Nederland, dat een hoogleraar dan aftreedt. Toch moet men hier geen afscheidscollege verwachten, want prof Severijn blijft zijn plaats op de katheder nog innemen, nu hem opdracht is verleend onderwijs te geven in de wijsgerige inleiding tot de godsdienstwetenschap, de encyclopaedie der godgeleerdheid en de wijsbegeerte van de godsdienst.
Bovendien blijft professor Severijn nog werkzaam als bijzonder Hoogleraar voor de Gereformeerde Bond in de Ned. Herv. Kerk.
Prof. Severijn staat nog midden in het volle leven en toen wij poogden met hem een afspraak te maken voor een persgesprek te zijnen huize, klonk het bescheid : Ik heb Maandag college en Dinsdag en Woensdag. Niettemin slaagden wij er in j.l. Woensdagmorgen in het gebouw der rijksuniversiteit een ogenblik beslag te leggen op de aandacht van de nestor van de theologische faculteit.
Prof. Severijn, zo mogen wij onze lezers eerst vertellen, werd 8 Mei 1883 te Utrecht geboren. Hij bezocht de rijksnormaallessen aldaar, want het was de bedoeling, dat de jonge Severijn voor het onderwijs zou worden bestemd. Voor het Lager dan altijd. In verschillende betrekkingen was hij bij dat onderwijs werkzaam en Intussen bereidde hij zich voor voor het staatsexamen ter toelating aan de universiteit. Aanvankelijk voornemens rechten te studeren, volgde hij, eenmaal voor dit staatsexamen geslaagd, de colleges in de theologie, aan de Utrechtse universiteit. In 1913 legde hij met lof zijn doctoraal examen af en met de mobilisatie onzer troepen in 1914 kwam hij als reserve-officier onder de wapenen. Inmiddels werd hij in 1914 door 't prov. kerkbestuur van Noord-Holland toegelaten tot de Evangeliebediening in de Ned. Herv. Kerk en 23 Mei 1915 werd prof. Severijn te Wilnis in het predikambt bevestigd door prof. dr H. Visscher. In 1918 vertrok ds. Severijn naar Leerdam, welke standplaats in 1920 met Dordrecht verwisseld werd. Tijdens zijn verblijf te Leerdam promoveerde prof. Severijn bij wijlen prof. dr Hugo Visscher cum laude tot doctor in de theologie op een dissertatie getiteld : „Spinoza en de Geref. theologie zijner dagen".
In 1929 vaardigde de Anti-Rev. partij hem af naar de Tweede Kamer. Dr. Severijn aanvaardde zijn benoeming en legde de toga af. Maar dat was maar voor korte tijd, want in 1931 volgde zijn benoeming tot hoogleraar aan de Rijksuniversiteit te Utrecht als opvolger van prof. Hugo Visser, „de man met de geuzenkop". Dr Severijn, die benoemd werd om onderwijs te geven in de wijsgerige inleiding tot de godsdienstwetenschap, de wijsbegeerte van de godsdienst, de wijsgerige ethiek en de encyclopaedie der godgeleerdheid, nam deze benoeming aan en trad als kamerlid af.
Prof. Severijn drukte aanvankelijk de voetsporen van zijn promotor en voorganger, maar toen deze in de politiek meer en meer tot extreme richtingen verviel, kon hij hem niet meer volgen en werd zelfs zijn besliste tegenstander. Prof. Severijn is een van de kopstukken van de Geref. Bond tot verbreiding en verdediging van de waarheid in de Ned. Herv. (Geref.) Kerk en volgde in 1940 wijlen ds. M. van Grieken als voorzitter op. Ook is hij sedert laatstgenoemd jaar hoofdredacteur van, het orgaan van deze bond , , De Waarheidsvriend". Sedert 1951 is prof. Severijn ook bijzonder hoogleraar vanwege de Geref. Bond om onderwijs te geven in de , , Gereformeerde Dogmatiek".
Daarnaast heeft deze hoogleraar zich op verschillend gebied bewogen. Zo was hij o.a. lid van de Raad van Beheer van de dr. A. Kuyperstichting, lid van het hoofdbestuur van de Nat. Chr. Officierenvereniging en redacteur van haar orgaan „Het Christelijk Militair blad", bestuurslid van het Chr. Doofstommeninstituut , , Effatha" te Voorburg, lid en voorzitter van de hoofdcommissie van Geref. Schoolverband, lid van de Commissie van overleg der Ned.
Hervormde kerk 1940—1945, lid van de Classicale Besturen van Dordrecht en Utrecht, voorzitter van het Convent van Geref. kerkeraden en redacteur van zijn orgaan van 1923—1928, lid van de redactie van , , Anti-Rev. Staatkunde" — maandelijkse zowel als driemaandelijkse uitgave — en lid van de redactie van het Tijdschrift voor geschiedenis, terwijl hij nog deel uitmaakt van het Centraal comité der Anti-Rev. Partij en van het College van notabelen der Ned. Herv. gemeente te Utrecht, waarvan hij voorzitter is. Datzelfde is prof. Severijn ook van de Chr. H. B. S. in zijn woonplaats. Hij is voorts bestuurslid van de Vereniging tot bevordering van de geestelijke volksgezondheid op Geref. grondslag, lid van de Commissie van beroep voor de Schoolraad voor de Scholen met de Bijbel, en voorzitter van de Prot. Chr. Vereniging tot oprichting van een school voor slechthorenden. Prof. Severijn werd 11 Nov. 1904 benoemd tot reserve 2e Luit. der Infanterie. Hij verliet de militaire dienst als reservekapitein en werd benoemd tot reservemajoor-titulair.
In het academiejaar 1951—1952 was prof. Severijn rector-magnificus van de Utrechtse Universiteit.
Ook met de pen heeft deze Utrechtse hoogleraar zich niet onbetuigd gelaten. Behalve zijn dissertatie verschenen van zijn hand: Kerk en Staat (1923), Het Profetisme (1927), Kerk en Vrede (1931), Principia (1938), De geschiedenis der Ethiek (1940), Inleiding in het theologisch denken ; De encyclopaedie der theologische wetenschap ; Vragen van tijd en eeuwigheid (allen 1948). Voorts schreef hij: , , De roeping van het Christendom in onze tijd ten opzichte van het vraagstuk van de oorlog" in de bundel , , Kerk en Oorlog", waaraan ook vijf andere theologen medewerkten. In een met wijlen dr. K. Sietsma en prof. L. H. V. d. Meiden verzorgde bundel schreef prof. Severijn over , , De Hervormde kerk en de eenheid" (1941). Voorts schreef hij tal van brochures en publiceerde hij artikelen in Anti-Rev, Staatkunde, in het Tijdschrift voor geschiedenis, in het Chr. Militair blad en in verschillende dagbladen, terwijl hij nog schier elke week in , , De Waarheidsvriend" zijn artikelen schrijft!
Op tal van vergaderingen is prof. Severijn als referent of spreker opgetreden.
Prof. Severijn is gerechtigd tot het dragen van het officierskruis voor langdurige militaire dienst en werd in 1938 ter gelegenheid van het 400-jarig bestaan van de Universiteit te Debrecen in Hongarije, benoemd, tot ere-doctor. In 1946 volgde zijn benoeming tot ereprofessor van de Theologische Faculteit in Budapest.
In het onderhoud, dat wij met prof. Severijn hadden, stelden wij hem als eerste vraag : Hoe is uw visie op de huidige stand der theologische wetenschap?
— De theologische wetenschap — aldus luidde het bescheid — verkeert nog altijd in een crisis, niet het minst tengevolge van het nog steeds heersende naturalisme in de moderne cultuurontwikkeling.
— Hoe staat U tegenover de nieuwe Kerkorde? — vroegen wij voorts.
— De nieuwe Kerkorde is geboren uit een idealisme, dat niet beantwoordt aan het geestelijk leven der kerk, en dat is de fout. Aan het apostolaat wordt gewicht gehecht ten koste van de zorg, die aan de gemeente behoort te worden besteed.
— Hoe ziet u de taak van de Geref. Bond in de Ned. Hervormde kerk in de kerkelijke constellatie van vandaag ? , zo luidde onze derde en laatste vraag.
— Tegenover de ontkerstening van de tegenwoordige tijd ontmoeten wij verschillende pogingen, het Evangelie aan te passen aan de gesteldheid van de moderne mens. Dit geschiedt ten koste van de meest centrale leerstukken van de reformatorische belijdenis. Daarmede is de taak van de Gereformeerde gezindheid, die sedert de Aufklärung in het defensief staat, zowel in het binnen als in het buitenland — en dus ook van de Geref. Bond. — aangegeven, n.l. op te komen voor deze geestelijke goederen der Hervorming.
Het gesprek, dat een zeer ongedwongen karakter droeg, ging tenslotte over allerlei dingen, die een courantenman als hij met zijn „slachtoffer" aan het praten is, interesseren. Wij tekenden daarom nog op, dat zeven leerlingen bij prof. Severijn gepromoveerd zijn, terwijl twee dit binnen afzienbare tijd alsnog hopen te doen.
De huldiging.
Nadat prof. Severijn begeleid door dr. H. Bout, terwijl allen zich van hun zitplaatsen verheven hadden, de aula betreden had, nam allereerst de président-curator, mr. dr. G. A. W. ter Pelkwijk, het woord. Hij wees er op dat velen er prijs op stellen te doen blijken van hun grote belangstelling, hun warme vriendschap en hun oprechte waardering voor wat prof. Severijn voor de Universiteit gedaan heeft. Curatoren sluiten zich daarbij gaarne aan. 22 jaar is prof. Severijn met ere hoogleraar geweest. Ook buiten ons land werden zijn verdiensten erkend. Spr. releveerde in het kort de levensloop van de afgetreden hoogleraar. Utrecht kent hem inzonderheid als hoogleraar. Voor curatoren blijft vooral in herinnering wat prof. Severijn als rector-magnificus geweest is. Hij zorgde voor een uitstekende verstandhouding met curatoren en met de universitaire gemeenschap. Ook onder de burgerij geniet deze hoogleraar een goede bekendheid. De inaugurele rede van deze hoogleraar, op 19 Oct. 1931, was een belijdenis, evenals zijn rede als rector-magnificus. Deze diës-rede leidde tot een gedachtenwisseling die tot beter verstaan van elkander voerde. Figuren als prof. Severijn mist de Universiteit node. Curatoren achten het een voorrecht, dat prof. Severijn door een leeropdracht en door zijn bijzonder hoogleraarschap aan de alma mater, blijft behouden voor deze kring. Tenslotte deelde spr. mede, dat het H.M. de Koningin behaagd had prof. Severijn te benoemen tot ridder in de Orde van de Nederlandse Leeuw. Spr. kan begrijpen, dat dit voor de kring van vrienden en vereerders van deze hoogleraar een oorzaak van grote vreugde is. (Langdurig applaus).
Mr. ter Pelkwijk speldde vervolgens de onderscheiding prof. Severijn op de borst, waarbij opnieuw 't applaus hoog opklaterde. Prof. dr. H. C. Rümke, rector-magnificus, sprak eveneens woorden van dank voor alles wat prof. Severijn voor de Universiteit gedaan had en hij verheugde zich de eerste te mogen zijn, die prof. Severijn met de hem ten deel gevallen onderscheiding gelukwensen mag. Spr. verklaarde zich een groot voorstander van huldigingen, alléén, ze komen wat te laat! Prof. Severijn gaat weg, maar hij blijft. Daarom moet spr. ietwat voorzichtig zijn met zijn toespraak. De senaat heeft hem de grootste onderscheiding reeds gegeven, n.l. de tegel. Die is nergens te koop, terwijl de aanschaffingskosten niet behoeven betaald, nóch de tegel t.z.t. behoeft te worden teruggegeven. Wij komen — aldus spr. — met lege handen, maar met volle harten. Zo iemand, dan heeft prof. Severijn een eervolle plaats in de senaat ingenomen. Spr. kan met wijlen prof. mr. D. P. D. Fabius zeggen : ik heb mijn oor te luisteren gelegd bij mijn volk. Spr. wees er op, dat collega Severijn in zekere zin een legendarische figuur is geworden (vrolijkheid). Hij is theoloog, en daarvoor hebben we allen groot respect, zij het ook met enkele kleine tegenstromingen (vrolijkheid). Sommigen zeggen dat men prof. Severijn geen groter genoegen doet, dan wanneer men hem aanspreekt met majoor. Hadden we geld — aldus spr. — dan zouden we prof. Severijn een ruiterstandbeeld gegeven hebben (vrolijkheid). In uw rectoraat — aldus spr. — is mij zeer opgevallen de wijze waarop gij de fata bij de overdracht behandelde. Dat was bij u niet vervelend, omdat gij het doet met distantie en met humor. Uw persoonlijkheid wordt gedragen door iets hoger dan gij zelf. Gij beschikt over humor en een klaar inzicht. Gij hebt een achtergrond, die relief geeft aan alles wat gij zegt. Moge deze huldiging — zo besloot prof. Rümke — haar waarde behouden als een geschenk tegen de achtergrond, die gij zo diep vereert.
Prof. dr. A. H. Edelkoort, 't woord voerend namens de Theologische Faculteit, wees er op, dat het onheus zou zijn als deze faculteit achterwege bleef. Wij hebben, aldus spr., veel te zeggen tot u en huldigen u in de werkelijke zin des woords om meer dan één reden. Als collega betoonde ge u hulpvaardig, vriendelijk en soliede, en dat gaat niet altijd samen. Spr. wees op de stiptheid waarmee prof. Severijn college geeft, soms op een matineus uur, om 9 uur 's morgens al ! Als examinator bewonderen we deze hoogleraar om de aartsvaderlijke lankmoedigheid, waarmede hij uit een weerbarstig brein een wetenschappelijke sententie wist te voorschijn te brengen. Spr. dankte zijn collega namens de faculteit, waarvan prof. Severijn reeds in Jan. '32 als secretaris optrad. Dat duurde tot 1935. Van 1935— 1939 was prof. Severijn voorzitter. Dat laatste was hij ook in de bange oorlogsjaren van '43 af. Met grote liefde en trouw aan het vaderland diende prof. Severijn en daarvoor komt hem grote dank toe. Wij danken God, die u tot dit alles bekwaamde. Vrees ging door de faculteit, toen in 1950 prof. Severijn door een ernstige ziekte getroffen werd. Maar God gaf herstel en nu krijgt deze hoogleraar zijn otium cum dignitate. „Dat de rust u aangenaam moge zijn" staat in de ontslagbrief voor predikanten. God geve u nog lang kracht voor uw werk in het belang van volk en kerk en Zijn genade verlichte de komende jaren. God schenke u, zo besloot prof. Edelkoort, rijkelijk Zijn zegen !
De heer M. Mettingh van Rhijn sprak namens de theologische studenten. Hij schetste prof. Severijn als een markante persoonlijkheid, die aan de Universiteit een stempel gaf. Zeer velen zijn door zijn lessen blijvend beïnvloed. Prof. Severijn heeft altijd gewezen op het eenvoudige en tastbare en de zuivere toepassing daarvan. Dankbaar zijn de studenten voor alles wat deze hoogleraar bood. Het dispuut , , Voetius" hoopt prof. Severijn nog lang als eindcriticus te bezitten. Dankbaar zien wij terug op uw theologische en universitaire arbeid.
De Almachtige schenke u, zo besloot spr., een rijke levensavond.
Toespraak van dr. Bout: Hooggeachte Professor,
Toen U de 8ste Mei de 70-jarige leeftijd hebt bereikt, hebt U zich aan alle huldebetoon volkomen onttrokken. Uw vrienden hebben dit aanvaard, wetende hoezeer U afkerig bent van alle mensverheerlijking. Maar zij hebben zich bezonnen op een mogelijkheid om hun waardering van Uw persoon en Uw arbeid op enigerlei wijze te tonen. De 70jarige leeftijd brengt nu eenmaal met zich het neerleggen van het hoogleraarschap, en het is daaraan, dat deze middag aanknoopt, al weten wij dat U voorlopig nog Uw college's blijft waarnemen en ook als bijzonder hoogleraar van de Geref. Bond blijft. Wij zijn dankbaar, dat U met mevrouw en uw zoon hier bent temidden van vele vrienden, die uit zovele oorden hierheen getrokken zijn. Het zijn niet alleen collega's, met wie U hebt samengewerkt, ook Uw oud-leerlingen, die de vormende invloed van Uw onderwijs hebben ondergaan, en die met dankbaarheid aan Uw onderwijs terug denken, ook enige vertegenwoordigers van Bonden, verenigingen, waarin U zitting hebt — niet alle, om een te breed uitdijen van dit samenzijn te voorkomen ; hier zijn vanmiddag ook vertegenwoordigers van Kerkeraden, die het ons euvel geduid zouden hebben, als zij niet van hun belangstelling hadden kunnen blijk geven. In dit laatste ligt een zeer verheugend element; als onze Catechismus, sprekende oVer het vierde gebod, wijst op de noodzakelijkheid, dat de Kerken en scholen moeten worden onderhouden, denkt de Catechismus niet in de laatste plaats aan de hogescholen. Voetius, wiens naam onverbrekelijk met deze Universiteit is verbonden, hield in de Dom een rede over de nuttigheid der Academiën en scholen, waarin hij de betekenis van de Universiteit voor Kerk en Volk uiteenzet. Onze Kerkeraden zeggen ook vandaag weer : wat op de Universiteit geschiedt, raakt ons ; wij zijn ten zeerste geïnteresseerd bij wat hier in de Universiteit geschiedt. Toen U in 1929 het praedicaat emeritus ontving, was Uw werk niet af : integendeel, wij denken aan het jeugdwerk, dat U jarenlang mede gedragen hebt, aan de leiding van de Geref. Bond en Uw arbeid aan het orgaan van de Bond, waardoor de vrucht van uw studie ook aan het gemeentelid ten goede komt; alleen insiders weten, hoeveel moeite dit geeft en hoevele Kerkeraden in U een adviseur vinden ; daarbij komt dat vele Kerkeraden U dankbaar zijn voor de hulp op Zondag, als U dan hier, dan weer daar wilt voorgaan in de dienst des Woords. Ik las, hoe de Utrechtse predikant ds. Comelis Gentman van Voetius zeide: , , hij was altijd het plechtsanker; men kwam hem nooit te onpasse". In de dagen van Uw ernstige ziekte was er gebed bij velen om Uw herstel, ook zeker om de wille van de Uwen, maar niet minder om der wille van Uw werk voor Universiteit en Kerk.
U bent de jaren door U zelf gebleven en al is er ook bij U een ontwikkeling. Uw palstaan voor het absolute gezag van de Heilige Schrift en Uw opkomen voor de normatieve betekenis van de belijdenis der Kerk beheerst Uw gehele leven en denken. Geen wonder, dat dit tot diepgaande controversen moet leiden in deze tijd. U zoekt geen polemiek, maar menigmaal hebt U de beitel gezet in een theologisch stelsel om der wille van het heil van de Kerk. In onze Statenvertaling lezen wij meer dan eens van een strijdbaar held, de Nieuwe vertaling leest hier : dapper held. (Pedersen (Israël, lts life and culture, III, p. 46), leest hier : man of valour, kijk, dat zoude ik van U willen zeggen. Wat die polemiek betreft : ik gevoel nu eenmaal veel voor de historie, van onze Kerk ; zo las ik wat prof. I. van Dijk schreef over Franciscus Gomarus; van deze man wordt nogal eens verteld, dat hij een man van driftige aard was, „een twistziek man". Nu kwam prof. Van Dijk op voor Gomarus en hij geeft een onfeilbar procédé aan om iemand boos te maken : Iemand komt voor zijn ernstige overtuiging op en dan zegt U, dat de zaak, die hij voorstaat, niet van zoveel belang is. Dit is Gomarus in zijn strijd met Arminius overkomen. In de 2de plaats beantwoorde men iemands argumenten niet met tegen-argumenten, maar met een honingzoete vermaning tot verdraagzaamheid en eensgezindheid. Ook dit is Gomarus overkomen, en in de 3de, plaats verbulffe men de tegenstander met de verzekering, dat men het in de grond, in de hoofdzaken met hem eens is. Ook dit is Gomarus niet gespaard. (Dr. Is. van Dijk, Gezamenlijke Geschriften, dl. II, pag. 450 w). Ik ben geneigd deze geschiedenis wel eens te lezen, zó, dat ik andere namen voor Gomarus invul.
In het bijzonder wie onder Uw leiding zijn gepromoveerd, denken terug aan wat U voor hen hebt gedaan en wat U hebt meegegeven, aan de voortdurende prikkeling tot volhouden en doorzetten. U hebt belangstelling voor Uw leerlingen, ook dan als zij de Universiteit reeds lang hebben verlaten ; U hebt getracht tot zelfstandig nadenken te stimuleren. Gemakkelijk hebt U het Uw studenten niet gemaakt, en dat lag mede aan de door U gedoceerde vakken, die nu eenmaal veel van onze, denkkracht eisen. Maar zo worden velen bewaard om de geestelijke arrive te worden, die de spanning van het groeien in kennis en genade niet (meer) doorleeft. Het is geen wonder, dat meer dan één van Uw leerlingen op een dissertatie over de theologie van Calvijn promoveerde. In Uw eigen proefschrift vinden wij een programma, dat in Uw latere arbeid zou worden uitgewerkt. Daar hebt U gewezen op het gevaar, dat het Calvinisme de geestkracht en de tedere godsvrucht zoude inboeten, die er de cultuurwaarde aan geven en het alleen een toekomst kunnen waarborgen. Met Calvijn hebt U Uw uitgangspunt gevonden in de relegie der Schriften, waarbij de Heilige Schrift als principium objectivum geen oorkonde der openbaring is. Is de H. Schrift oorkonde der openbaring, dan zoude het criterium verlegd zijn naar de subjectieve religie, die daarmede normatief zoude zijn. Het is terecht, dat U er aan vasthoudt, dat met deze geloofsgrond de theologie staat of valt. Deze theologie onderscheidt zich van de overige wetenschappen als een afgezonderde en heilige, toch is zij wetenschap en terecht heet zij regina scientiarum. In de theologie hebben wij een wetenschap des geloofs. Hier ligt de divergentie tussen theologie en filosofie, waarover U reeds in hoofdst. één van Uw proefschrift hebt geschreven. Met Calvijn hebt U er aan vastgehouden, dat de scheppingsleer van fundamentele betekenis is voor de gehele Godsverhouding.
Hermann moge in zijn Dogmatik schrijven, dat de orthodoxe inspiratieleer in het evangelische Christendom zo onhoudbaar geworden is, dat zij door geen theoloog meer wordt verdedigd en velen mogen het hierin volkomen met hem eens zijn, maar velen in den lande, die de Universiteit van Utrecht een goed hart toedragen, verheugen er zich over dat aan de Academia Voetiana door prof. Severijn deze Schriftbeschouwing wordt verdedigd. Welk van Uw werken wij ook opslaan : , , De Inleiding tot het theologisch denken", „De Encyclopaedie der Theologische Wetenschap", „Vragen van Tijd en Eeuwigheid", , , De Principia", altijd weer vinden wij daar deze zelfde grondlijnen. Met Voetius meent U, dat wetenschap en godsvrucht bij elkaar behoren.
Deze middag betekent geen afscheid, en daar zijn wij blijde mee; hartelijk hopen wij, dat U lang met de gaven, die de Heere God u gaf, de Kerk en zo ons volk moogt dienen en nog velen ten zegen moogt zijn.
Met onze allerbeste wensen voor de toekomst, bieden wij U als een bewijs van vriendschap en erkentelijkheid Uw geschilderde portret aan.
Hierna beklom piof. Severijn de katheder. Hij verklaarde zeer onder de indruk te zijn gekomen van alles wat gezegd werd. Allereerst betuigde spr. zijn diep respect en grote dankbaarheid voor het feit, dat zovelen gekomen waren. Spr. dankte de vertegenwoordiger van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, benevens de burgemeester van Utrecht, voor hun aanwezigheid en richtte zich ook tot curatoren, collega's enz. Ik heb mij, aldus spr., inderdaad niet onttrokken. Ik ducht alleen maar het gevaar, dat ik me wat zou gaan verbeelden. Spr. dankte de president-curator voor de woorden van waardering, welke hij had gesproken en voor zijn vaderlijke zorgen voor de Universiteit.
Wat is huldiging? , vroeg professor Rümke. Huldiging is verrassing. Spr. is verrast door de hem geschonken onderscheiding, welke het H.M. de Koningin behaagd heeft hem te verlenen. Het gesehilderd portret kon thans uitteraard geen verrassing meer zijn.
Collega Rümke heeft leuk gesproken. Spr. heeft inderdaad hobby's. Hij mocht graag ruiter zijn en hij zou nog wel eens op een Arabier willen zitten, want dat is mooi rijden (gejach). Spr. heeft zijn sabel weggezet, toen hij bemerkte dat de studenten, die bij hem op bezoek kwamen, er altijd over gingen praten.
Huldiging is ook herinnering. Spr. heeft onder zijn collega's vele vrienden. Hij voelt zich onder hen thuis en betreurt het, dat men gewoonlijk geen tijd kan vinden om met elkander eens een uurtje rustig te spreken. Als hij tijd krijgt als emeritus, zou hij ook gaarne bij sommigen hunner college willen lopen. Want hij zou graag wat willen weten van kem-psychica, kristal-chemie en biologie (vrolijkheid). Dat komt er van, als men encyclopaedie doceert. Het is spr. een eer en een voorrecht nog aan de senaat verbonden te blijven. Hij denkt ook bijzonder aan de prettige gelegenheid, die in de wisseling van het secretariaat en rectoraat gelegen is om met collega's van andere faculteit samen te werken en elkander te leren kennen en waarderen in hun vak en als persoon.
Dit vlecht een snoer van vriendschappelijke betrekkingen door het leven van de Senaat.
Spr. denkt aan de rectores magnifici Verzijl en Koningsberger, aan wie hij zich verbonden weet.
De theologische faculteit is een prettige faculteit. Er is geen sprake van een rabies theologorum, hoewel ook In de faculteit vejschillende geesten zijn saamgebracht. De omgang ook onderling is vriendschappelijk en goed.
De voorzitter maakte gewag van het vroege uur mijner colleges. Het vroeg college geven heeft tengevolge dat daar merendeels studenten komen die 't niet nodig hebben. Spr. heeft zich meermalen verwonderd over de opkomst op die vroege uren. Er moet echter één vroeg beginnen. Spr. heeft dat vroege uur strak volgehouden en zo kreeg hij op zijn colleges het neusje van de zalm (vrolijkheid).
Dr. Bout sprak over de achterban van kerk en volk. Het is mooi niet alleen maar een theoreticus te zijn, maar te weten dat er een volk achter staat, dat geestelijk beleeft en geniet van wat wetenschappelijk wordt onderzocht. Het is een voorrecht een band te hebben aan het gewone volk. Het sterkt spr. te weten door de gemeente gedragen te worden. Het schilderij is naar mijn oordeel goed uitgevallen. Gen. Duymaer van Twist zeide : je hebt er net een kop voor (vrolijkheid).
Zo is huldiging tenslotte ook ijdelheid en aan deze schilderij een plaats te mogen toedenken in de galerij der portretten van degenen, die aan onze Universiteit gearbeid hebben, is ook een stukje ijdelheid. Maar spr. ziet het als waardering van allen, die belang stellen in de arbeid der Universiteit. Het was een theoloog — Witsius — die voorstelde de portretten der hoogleraren op te nemen in de senaatzaal. Spr. hoopt, dat hij echter nog lang in levende lijve in deze kring vertoeven mag. Spr. dankte dr. Bout voor diens omvangrijke arbeid en in hem allen, die medewerkten aan deze ure. Dank tenslotte jegens Hem, Die dit alles wilde geven.
In het licht van Gods voorzienigheid ziet spreker allen, die hebben willen medewerken aan deze huldiging als handen Gods. Door Zijn gunst worde dit alles geheiligd.
Een langdurig applaus, dat een ovationeel karakter aannam, volgde op deze sprankelende rede.
Het gezelschap begaf zich hierna naar de senaatszaal, waar een druk bezochte receptie volgde. Honderden hebben hier prof. en mevr. Severijn — aan laatstgenoemde werden vóór de plechtigheid fraaie, bloemen aangeboden — de hand gedrukt. Onder hen zagen wij o.m. naast de pres.-curator, de curatoren mr. dr. J. Donner en jhr. mr. H. G. van Holten tot Echten en de secretaris van het curatorium, de heer J. H. des Tombe. Voorts alle hoogleraren van de theologische faculteit, behalve prof. dr. J. A. Hoekendijk, die ongesteld is, tal van hoogleraren van andere faculteiten, de heer J. Platteel, referendaris aan het departement van onderwijs, namens de minister van O., K. en W., jhr. mr. H. C. de Ranitz, burgemeester van Utrecht, ds. H. J. F. Wesseldijk van Eindhoven, praeses en dr. A. J. Rasker van Haarlem, assessor van de Generale Synode der Ned. Hervormde Kerk, generaal L. F. Duymaer van Twist, oud-lld van de Tweede Kamer der Staten-Generaal en lid van ons Hoofdbestuur, ds. J. J. Timmer van Nieuwerkerk a.d. IJssel en J. L. Verbeek Wolthuys van Zeist, leden van het Hoofdbestuur, prof. J. J. van der Schuit, hoogleraar aan de Theol. School te Apeldoorn, voorzitter van het Nederlandse comité van de I.C.C.C., dr. B. J. Oosterhoff, Chr. Geref. pred. te Utrecht- Centrum en dr. J. van Genderen, idem te Zutphen, tal van predikanten en emeriti-predikanten der Ned. Hervormde Kerk, schier allen van de Geref. Bond, afgevaardigden van de Studenten Verenigingen : U.S.C, de Utrechtse Vrouwelijke Studenten Vereniging, Unitas, S.S.R. en Veritas, en van verschillende disputen, van de Herv. Gereformeerde Mannenbond, de Herv. Geref. Meisjesbond en de leden van het Huldigingscomité, waaronder dr J. de Lange, gemeente-secretaris van Utrecht; prof. V. J. Koningsberger, prof. H. W. Obbink, en vele andere belangstellenden.
Vele kerkeraden waren vertegenwoordigd, die van Genemuiden zelfs geheel, de Commissie van de Oudejaarsavondcollecte, van welke ook een schitterend bloemstuk aanwezig was, het Bestuur van de Christelijke Burgerschool, en de beide directeuren ir. Rodenburg en dr. de Bruïne,
Het was een glorieuze middag voor prof. Severijn en de zijnen, die hij niet licht vergeten zal en waarbij hem een zeer spontane hartelijkheid en waardering tegemoet trad.
*) Wij zijn zo vrij geweest hier en daar een kleine correctie aan te brengen en het uitvoerige verslag van de heer Scheps met enige aanvullingen te verrijken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 10 december 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's