EEN GEVOELIG PUNT
De belijdenis aanhangen en in de Hervormde Kerk blijven ! Een gevoelig punt. Dit blijkt uit de reacties in verschillende gereformeerde kringen, als De Waarheidsvriend daaraan raakt.
De gescheiden kerken, die zich tot de gereformeerde gezindheid rekenen mogen, hebben nog altijd grote belangstelling voor de Hervormde Kerk — dit verheugt ons intussen zeer —-, en voor het gedrag van de Gereformeerde Bond.
Het eerste behoeft ons niet te verwonderen. Zij hebben nog altijd betrekking op de Hervormde Kerk. Hoe zou het anders kunnen ? Ongetwijfeld zijn er ook onder de gereformeerden van '86, die de breuk van de gereformeerde gezindheid betreuren. En dat wel naar twee kanten heen. Men heeft gesproken van de , , voortzetting van de kerk der Reformatie". Op grond, waarvan eigenlijk ? Ja, op grond van de verknochtheid aan de belijdenis der Reformatoren. Men kon zijn geloof en zijn belijdenis — deze belijdenis der Reformatoren mede nemen en zich kerkelijk institueren naar de wijze van Dordt! Zeker, dat kon !
Maar wat niet kon ?
Men kon niet verhinderen, dat anderen, evenzeer verknocht aan de belijdenis en door hetzelfde geloof niet mede uittrokken en met hun geloof en met de belijdenis der Reformatoren — nog altoos ook de belijdenis der Hervormde Kerk — in de Hervormde Kerk bleven.
, , Voortzetting van de kerk der Reformatie" is het wel helemaal juist ? Kunnen de Gereformeerde Kerken dat wel helemaal verantwoorden ?
ledere afgescheurde groep, die aan de gereformeerde belijdenis wil vasthouden en zich als gereformeerde kerk wil aandienen en institueren, kan dat met enig recht zeggen, hoewel het nog wat meer zelfgenoegzaamheid vraagt om zich de voortzetting der Reformatorische kerk te noemen.
Dat recht wordt echter niet sterker door het genoemde feit, dat er nog altoos een gereformeerd volk in de Hervormde Kerk is, èn dat de gereformeerde belijdenis nog altijd de belijdenis van de Hervormde Kerk is.
Als dit nu maar niet meer het geval ware, als de Hervormde Kerk dermate, verroomst of verwereldlijkt ware, dat de laatste rest van het reformatorisch geloof ware afgeschud en geen mens van gereformeerde overtuiging daarin gevonden werd, dan zou men met enig meerder recht de Gereformeerde Kerken als de voortzetting van de Kerk der Reformatie kunnen aandienen.
Een zwak punt blijft voorts, dat degenen, die in 1886 uittraden zich niet aansloten bij de Christelijk-gereformeerde Kerk. Vergelijkenderwijs had deze niet minder recht om zich voortzetting van de Kerk der Reformatie te noemen.
Een tweede aanleiding om belangstelling te blijven gevoelen voor de Hervormde Kerk ligt in de geschiedenis der Gereformeerde Kerken. Met alle respect voor de pogingen dezer kerken om over haar waarheid en zuiverheid te waken, moet toch worden geconstateerd, dat zij ondanks verschillende afscheidingen niet hebben kunnen voorkomen, dat een Thijs Booy c.s. volkomen hetzelfde geluid doen horen in de Gereformeerde Kerken, dat wij in de Hervormde Kerk bij de nieuwe-koers-jeugd beluisteren.
Welke is nu de ware kerk ? De kerken van '86 of de jongste scheurkerk onderhoudende art. 31 ?
Wij stellen deze vraag niet ernstig, maar zij wordt ernstig gesteld door betrokkenen.
Er begint in verschillend opzicht gelijkenis te komen in de beoordelingen en de daarin aangeduide verhoudingen van de zes-en-tachtigers en de Hervormde Kerk enerzijds en de onderhouders van 31 en de Gereformeerde Kerken anderzijds.
Een en ander moesten wij bij wijze van inleiding optekenen, alvorens een antwoord te geven aan ds. A. M. Boeijenga, die zo vriendelijk was ons het , , Kerkblad voor de Gereformeerde Kerken der classis Haarlem" d.d. 9I9 Dec. '53 toe te zenden. In dit nummer reflecteert hij op onze discussie met , , de Reformatie" (vgl. Waarheidsvriend 3 December j.l.).
Ds. Boeijenga, die De Waarheidsvriend regelmatig leest, was nieuwsgierig, zo zegt hij, hoe prof. Severijn zou verdedigen, dat de gereformeerden met hun belijdenis in de Hervormde Kerk blijven. Daarop komt het althans neer.
Ik weet niet, hoe druk de kerkelijke organen in de Gereformeerde Kerken zich maken om de wederhorige en afvallige geesten, die waarlijk ook vrijzinnige elementen bevatten te bekeren en wat zij in dit opzicht beogen. Maar ik vraag dit ook niet en zij ook niet, dat ik voor het naaste houd, dat men een en ander in de Gereformeerde Kerken maar laat begaan.
Ik verklaar het ook niet uit boos opzet, dat ds. B. zulk soort vragen aan de Gereformeerde Bond en zijn predikanten stelt en dan maar aanneemt, dat wij niets doen tegenover alle dwalingen en dwaalleraren.
Op één ding moet ik toch de aandacht vestigen. Hij zegt:
„En neem een ander punt: boeveel duizenden kinderen worden in de Herv. Kerk ten doop gepresenteerd, van wie de ouders geestelijk totaal dode leden zijn, die zich met de Kerk en godsdienst feitelijk niet meer bemoeien.
Naar Gods Woord, onze enige maatstaf, komen de beloften van Zijn genadeverbond alleen toe aan de gelovigen en hun zaad. En alleen aan die kinderen mag in de doop dat verbond betekend en verzegeld worden.
Doch de practijk is, dat ook al die andere kinderen gedoopt worden. Dat gaat toch lijnrecht tegen Gods Woord in, en devalueert tevens de doop op een verschrikkelijke manier.
En nu vraag ik : wat doen predikanten van de Gereformeerde Bond, wanneer zij — en dit zal toch vooral in steden vaak genoeg gebeuren — voor zulke gevallen gesteld worden ? Wanneer zij zulke kinderen toch dopen, moeten ze hun geweten wel ontzettend geweld aandoen.
En weigeren ze — waarvan ge soms eens hoort —, dan eindigen zij toch tenslotte met het hoofd te buigen. Want het is inderdaad zoals „De Reformatie" heeft gezegd : blijven zij zo'n totaal onschriftuurlijke doop weigeren te bedienen, dan is het eind van het lied, dat ze uit de Hervormde Kerk gezet worden.
Ik noemde nu slechts twee voorname voorbeelden : leertucht en doop. Doch de linie is nog veel breder.
En nu had ik gehoopt eens duidelijk van prof. Severijn te horen, hoe de gereformeerden in de Herv. Kerk hun houding rechtvaardigen en hun positie er met een vrij en goed geweten bewaren kunnen."
Ik hoor echter in het stuk van ds. B. precies de zelfgenoegzame toon van , , de Reformatie" en precies dezelfde strekking : , , Als jullie gereformeerde bonders metterdaad gereformeerd handeldet, dan zou je in een conflict komen, dat je buiten de Hervormde Kerk zou zetten".
En dan ? Waarheen ?
Naar de Gereformeerde Kerken ? Zou ds. B. heus menen, dat wij daar geen toestanden zouden aantreffen, die ons deden vragen, waarom zijn wij eigenlijk uit de Hervormde Kerk gegaan ?
Naar de Gereformeerde Gemeenten, die ook al in verwarring worden gebracht door ketterjacht en scheurmakers ?
Of naar de Christelijk-Gereformeerde Kerk, die ook reeds met dergelijke moeilijkheden heeft te worstelen ?
Naar art. 31, of maar weer een gereformeerde kerk in het leven roepen, met een uitzuiverende en uitgezuiverde naam en de nodige zelfgenoegzaamheid om op haar beurt eens de ware kerk te zijn ?
Zie ds. B., in welke situatie gij en wij verkeren ten aanzien van de gereformeerde gezindheid in ons vaderland.
Alle gereformeerden behoren in één kerkverband. Ik meen nog altijd, dat dit eis is van onze gereformeerde belijdenis en dat wij moeten streven naar die eenheid van kerkverband.
Of wij in de een of andere kerkgemeenschap al meer of minder overeenkomstig onze belijdenis leven is in de huidige situatie zo relatief en secundair geworden, omdat wij allen schuldig staan aan de kerkelijke gebrokenheid van de gereformeerde gezindheid, terwijl de voortgaande scheuringen de spot der wereld opwekken en de „gereformeerdheid" belachelijk maken.
Dit nu komt hoogst ongelegen in een tijd, die de meest kenmerkende leerstukken der Reformatie met afkeer bejegend ziet. Ik denk aan de belijdenis omtrent het goddelijk gezag der Heilige Schrift, omtrent de zonde, omtrent de praedestinatie e.d.g.
Er staan belangen op het spel, die alle gereformeerde belijders op een hoop moesten drijven om ze gezamenlijk te verdedigen.
Deze belangen worden waarlijk niet gediend door het uitlokken van een conflict als door ds. B. voorgesteld en het maken van nieuwe scheurkerkjes. Als de belangstelling voor het gedrag van de Gereformeerde Bond geen andere is dan een uitzien, of wij daaraan nog niet toe zijn, komt het mij voor, dat er nog weinig gevoel is voor die grote belangen.
Tegenover dat kijken, of wij er nog niet aan toe zijn over te lopen of nieuwe kerkjes te stichten, acht ik het veel meer gerechtvaardigd en in het belang van de vergadering der gereformeerde gezindheid, te vragen, of de gescheiden kerken en kerkjes niet inzien, dat een terugkeer van alle gereformeerde belijders tot de Hervormde Kerk een machtige openbaring van een gereformeerd kerkelijk leven zou inluiden.
Dat is ook een aspect van het kerkelijk vraagstuk !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 24 december 1953
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's