BEKOCHT!
Over het Bronnenboek is al heel wat te doen geweest en het is ook wel te verstaan, dat velen naar dit boek hebben gegrepen. Men wil toch zijn eigen ervaringen toetsen aan die van anderen en eventueel ze laten corrigeren door mensen, die met grote nauwgezetheid de feiten hebben waargenomen en gerubriceerd.
In deze uitgave toch worden gegevens gepubliceerd, die ten grondslag liggen aan een rapport over de maatschappelijke verwildering der jeugd, welk rapport in 1952 bij de Staatsdrukkerij verscheen. Nu heeft men een keuze gedaan uit de grote hoeveelheid materiaal, dat in de rapporten was samengebracht en zo is het befaamde Bronnenboek ontstaan. Brokstukken worden aan de openbaarheid prijsgegeven van rapporten over de grote steden Amsterdam, Rotterdam, Den Haag en Utrecht, maar hier is ook materiaal uit Twente en de Groninger Veenkoloniën; u kunt lezen, hoe het er uitziet in Veenendaal en IJsselstein en Ooltgensplaat en Stolwijk ; het slot van het werk voert ons naar een Arnhems gezin. — En daarbij gaat het over woningtoestanden en gezinsverhoudingen, over verdienste en zakgeld en vrije tijds besteding, over godsdienstig en zedelijk leven en over nog heel veel dingen meer, over de verhouding van de ene sexe tot de andere, dit laatste vooral niet te vergeten. — Met belangstelling nam ik dit boek in handen ; men wil wel weten, hoe de godsdienstige en zedelijke toestanden, hier en elders in ons land zijn, vooral als men de, toestanden toch ook wel enigszins meent te kennen. Daarbij komt, dat op het titelblad gedrukt is : in opdracht van de Minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen samengesteld. Maar het begon voor mij al vreemd te worden, toen ik in het voorwoord las, dat het Ministerie toegestemd heeft in een gedeeltelijke publicatie, ! Het officiële stempel buiten op werd binnen in een beetje minder officieel. De opdracht werd een toestemming ! Maar och, arme wat stelt dit boek teleur. Na bestudering van dit boek weet u veel beter hoe de instelling van de rapporteurs is dan dat u nu alles van het gerapporteerde af weet. Er verschijnen allerlei boeken over Calvijn b.v. en als u een bepaald boek over Calvijn hebt gelezen, dan weet ge tenminste, hoe de schrijver over verschillende vragen van Calvijn denkt, niet hoe Calvijn zelf denkt. Zo is het hier. Het is op enkele uitzonderingen na meer reportagewerk dan verzameling van statistisch materiaal. De waargenomen feiten — en dan soms nog hoe waargenomen — zijn op een bepaalde wijze gegroepeerd en daardoor is niet al te moeilijk na te gaan, door welke bril de rapporteur heeft gekeken. Misschien behoort nog het artikel over de Middelbare Schoolieugd tot het best verwerkte. Aan de rapporteur ontbrak de liefde, heeft men wel gezegd, ja, dat ook, maar hij is er niet in geslaagd af te dalen van zijn (gewaande) grootheid ; ik mis een stuk solidariteits-bewüstzijn met de mensen, waarover deze rapporteurs schrijven ; zij distanciëren zich mij al te gemakkelijk van de gezinnen, waarover zij schrijven. Het gaat over gezinnen, die aan de rand van het a- sociale zijn of tot die categorie behoren en dan telkens leest men : men aanvaardt dit of dat als vanzelfsprekend. Gelooft u dat ? Maar men vergeet, hoe de mensen zoeken op een andere wijze, hun ontgoochelingen te verwerken dan de rapporteurs dit plegen te doen. Op een onwetenschappelijke wijze wordt over , , de jeugd" gesproken ; generaliserend scheert men alle jongeren uit een bepaald milieu over één kam; en dan — men mag toch verwachten, dat een rapporteur van de dingen tot in puntjes op de hoogte is, dat hij weet scheiding te maken tussen praatjes en werkelijkheid. De rapporteur over Utrecht is nogal gesteld op de uitdrukking : klein burgerlijke fatsoensopvattingen. , , In Tuinwijk is nog van een ruimere kerkelijke belangstelling sprake. Doorgaans komen de leden uit de wat bekrompen en conventionele gezinnen, waar het gedrag in hoofdzaak door gewoonte en burgerlijke fatsoensopvattingen wordt bepaald". Het zou de rapporteur goed doen eens studie te maken van het burgerlijke fatsoen in zijn betekenis voor het zedelijke en geestelijke leven ; dan moet hij ook in zijn onderzoek betrekken de vraag, hoe deze fatsoensgedachte als norm is ontstaan. Van Stolwijk weet de rapporteur niet veel goeds te vertellen ; hier is een , , jeugd zonder pit, zonder durf, zonder eigen meningen ; deze, gehele bevolking is ijzig netjes en degelijk, maar bovenal lauw". Merkwaardig, dat we toch lezen, dat de meeste jongens en enkele meisjes de een of andere cursus volgen ; er zijn er ook, die naast hun cursus nog een verenigingsavond hebben. Mij lijkt dit toch wel in tegenspraak met de typering van lauw, geen ideaal, enz. ; maar ik denk, dat men in Stolwijk andere idealen en andere ideeën heeft dan de rapporteur. , , De" jeugd van Stolwijk moest deze rapporteur eens uitnodigen en eens met deze meneer spreken over de pit, die gelukkig ook nog bij vele jonge mensen van Stolwijk zit, al leven ook zij in „een wereld zonder normen". Dat laatste schijnt de rapporteur niet te zien ; deze mensen wonen niet in een oerwoud, waar de golfslag van de tijd aan voorbijgaat! De rapporteur weet wel een oplossing : de mensen van Stolwijk moesten eens een goed toneelstuk gaan zien en een concert gaan horen, misschien zoude er dan een verbetering in dit dorp komen. Over het godsdienstige leven is het oordeel van de rapporteur volkomen negatief. , , Onder de laatsten (de niet-kerkgangers) vindt men soms meer levend geloof en meer persoonlijkheid dan onder de ijzig trouwe kerkgangers, want die trouw is vaak niet anders dan dwang van thuis ; wat geschreven is over de mensen, die het, , geloof van de Geref. Bond aanhangen, vindt men zoveel starheid", tekent onwetendheid en de vijandschap van de man, die hier aan het woord is.
Wij gaan nog even naar Ooltgensplaat. , , De geest op het eiland is volgens de rapporteur sterk materialistisch; principes worden graag opgeofferd aan eigen voordeel; voor een jeugdprobleem heeft het grootste deel van de bevolking waaronder een dominee en meerdere kerkeraadsleden — helemaal geen oog ; de ouders kijken of de kinderen naar de kerk gaan, maar niet naar hetgeen zij verder doen, terwijl de kinderen zelf zich weinig storen aan de ge- of verboden der ouders." Zo zouden wij voort kunnen gaan om dit rapport door te nemen ; hoe de rapporteur over de geestelijke dingen denkt blijkt wel uit een zin als deze : „Een heel goede en practisch toepasbare toespraak moet ogenblikkelijk wijken voor het lezen van de BijbeL (het gaat in dit verband over de radio)". Van onze Herv. collega in Ooltgensplaat weten wij wel beter dan dat hij het probleem van de jeugd niet ziet; men moet wel stekeblind zijn om niet te weten, dat in deze tijd alles in beweging is, heus niet alleen in Ooltgensplaat of in IJsselstein ; volgens het boek zegt de pastoor van IJsselstein van zijn eigen parochianen : het is een gedegenereerd volkje, gelijk te stellen met de achterbuurten van Rotterdam".
Ik ben dankbaar dat collega Fokkema dezer dagen in de Kamer flink van zich af heeft gesproken over dit rapporten-materiaal, dat uit een bepaald vijandige hoek komt, wat de betekenis van Kerk en godsdienst betreft voor het dagelijkse leven. Men roept meer dan eens in dit rapport om een doorbraak !
En toch — bij veel kaf is wel eens een korreltje graan ; uit dit boek is veel te leren, niet alleen hoe, sommige mensen anderen zien — daarover had ik het al in het begin van dit artikel ; er is in dit boek iets wat ons stil maakt en verontrusten moet; hier worden toestanden aan het daglicht gebracht, waarover wij ons hebben te schamen ; hier wordt verteld, hoe ruw het toegaat, hoe, alle dingen van het huwelijksleven op een dergelijke wijze worden neergehaald, dat men er stil van wordt. Hier worden gezinstoestanden getekend, waarvan wij moeten zeggen : geen wonder, dat het dan verkeerd gaat met de jeugd. Ik denk aan een Engels werk, dat tot titel heeft: Is de jeugd te laken ? De jeugd niet alleen, maar toch ook wel! Een boek als dit, dat ons voor de rauwe, ruwe werkelijkheid stelt moet wel allen, die met de jeugd te maken hebben trouwer maken in hun werk, moet ons met elkaar meer de handen ineen doen slaan, zoekende naar wegen en middelen om aan de jeugd iets mee te geven als een steun en kracht in verleiding en bestrijding. Neen, ondanks alles — het is een vijandig boek, maar óok van de vijand moet ik leren, 't Schijnt wel alsof er bij de jeugd, die hier beschreven wordt — nu generaliseer ik ook maar mee, — maar één onderwerp is, het sexuele ; dat is erg. Wij geloven dat er maar één oplossing is : dat de ouderen allen in beweging komen, in de Kerk, dat men niet langer een klein kringetje alles laat opknappen en verder in de verte blijft klagen : er gebeurt niets. Ook voor de jeugd van ons volk zal het zijn : tot de wet en de getuigenis, en dan samen biddend werken en werkende bidden.
We lazen in de krant, dat de Minister van Onderwijs dit boek gedesavoueerd heeft; daarvan nemen we dankbaar nota. Het moet ons evenwel uit de pen, dat het zéér de vraag is of de Minister iets had geantwoord, indien men in de Kamer niet op de bres was gesprongen. In elk geval weten wij het nu : Als er weer een rapport verschijnt, moeten eerst enige maanden wachten ; want het kan best gebeuren dat de Minister enige maanden later nog verklaart, dat hij een publicatie, ook als deze, 440 pag. dik, niet kan waarderen. Maar wie het Bronnenboek gekocht heeft, moet zich wel bekocht gevoelen !
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1953
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 31 december 1953
De Waarheidsvriend | 6 Pagina's