DE „VIER VRAGEN” EN HET SYNODAAL ANTWOORD
Over de eerste vraag, die gaat over de betekenis van de uitdrukking „in gemeenschap met" in art. X, hebben wij reeds geschreven in één van de laatste nummers van het vorige jaar.
Wij zijn nog altijd van oordeel, dat er moest staan , , in overeenstemming met". Wij kunnen „in gemeenschap met" wel in die geest verstaan, en dan ben ik er nog niet zeker van, dat prof. Van Ruler het met ons eens zou zijn. Prof. Van Ruler beweert immers, dat , , in gemeenschap met" zou insluiten : , , in overeenstemming met".
Het gaat echter niet in de eerste plaats over de opvatting van prof. Van Ruler, of van wie ook, maar over de opvatting van de Synode.
Daar is het ook het Verband om te doen.
Reeds onmiddellijk vermijdt de Synode een beslist ja of neen, om te zoeken naar een formulering, die tegelijk ja en neen zegt.
Zij verwijst naar de , , Handelingen der Generale Synode" om aan te tonen, dat de uitdrukking , , in gemeenschap met de belijdenis der vaderen" na een ernstige en diepgaande discussie gekozen werd.
De Synode is nog van overtuiging, dat deze uitdrukking het meeste recht doet aan de betekenis en de functie van de belijdenis der vaderen.
Met alle eerbied voor de ernst dergenen, die verantwoordelijk zijn voor deze redactie, vragen wij toch : Weten zij dan niet, dat in de kerk en in de Synode zeer verschillend wordt gedacht over beide, over de betekenis en de functie der belijdenis?
Wat heeft men dan aan zulk een mededeling?
Men drukt een opvatting omtrent betekenis en functie van wie. het Synodale antwoord voorbereiden aan de kerk op, in stede van de belijdenis der-kerk zelf te laten spreken, of men spreidt een rookgordijn.
, , Het was en het is de overtuiging van de generale Synode", zo gaat het antwoord verder, , , dat , , in gemeenschap met" bevindelijker en mystieker is dan , , in overeenstemming met", hetwelk gemakkelijker intellectualistisch kan worden opgevat".
Hier zoekt men het gevaar van intellectualisme te ontvluchten niet een lokkebroodje van bevinding en mystiek, welke zonder de tucht der gezonde leer zonder enige twijfel gevaarlijker zijn voor de kerkelijke samenleving en ook al weer zonder de tucht van de gezonde leer volstrekt niet vrij van een intellectualisme, dat meer gemeenschap dreigt te vertonen met wijsgerige dogmata dan met het geloof der vaderen.
, , , , Gemeenschap" heeft het voordeel een Bijbels woord te zijn", zegt het antwoord. Dat is wel zo en de Schrift bedoelt de gemeenschap met het lijden en "sterven en de opstanding van Christus, de gemeenschap met Christus en daarin de gemeenschap des geloofs. Eén geloof, één doop, één Heere. Met andere woorden : Hier is sprake van een door de Heilige Geest gewerkte gemeenschap.
Het antwoord der Synode drukt dit een beetje anders uit : , , , , Gemeenschap" wil zeggen : hartelijke, instemming met het getuigenis des Geestes, dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden en waarop zij in hun belijdenis antwoordden".
Ziehier, weer een samenhang van zelfs zeer individuele opvattingen, die met de gemeenschap met de belijdenis der vaderen weinig of niets te maken hebben.
Waar noemt de belijdenis het getuigenis des geloofs, waaraan zij uitdrukking geeft, een antwoord aan God?
Volgens welk getuigenis der Heilige Schrift gaat het Christelijk geloof op in een vraag en antwoord gesprek met de heilige God? Of is het niet God, die de mens door Zijn Woord en Geest onderricht, wederbaart en leidt in de verborgenheden des geloofs?
Het zou er haast naar uitzien, alsof God er mede ingenomen moet zijn, als de mens naar Hem wil luisteren en zelfs antwoorden !
Een eigenaardige indruk maakt ook overigens de formulering van deze zinsnede : het getuigenis des Geestes, dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden.
Wij moeten goede trouw aannemen en deze zinsnede kan ter goeder trouw bedoeld zijn, — let op de woorden hartelijke instemming met — en toch wat anders zeggen dan wij er in zouden willen lezen.
, , Het getuigenis des Geestes, dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden", is dit getuigenis anders dan wat de Synode in het woord der Schrift hoort, of bedoelt men dat het horen van het getuigenis anders is bij de vaderen anders bij de tegenwoordige kerk?
Dit is een vraag, waartoe deze zinsnede aanleiding geeft. Immers zij (de vaderen) antwoordden op dat getuigenis des Geestes in hun belijdenis, wordt gezegd.
Is die belijdenis dan niet de belijdenis der Kerk ?
Er spreekt iets van een distantie in deze formulering, distantie van de belijdenis der vaderen. Het is immers hun belijdenis. Men zou kunnen onderstellen, dat degenen die voor deze zinsnede verantwoordelijk zijn in een andere belijdenis hun eigen antwoord geven op het getuigenis des Heiligen Geestes, zoals zij dat op hun beurt in het woord der Schrift horen.
Iets van dat antwoord zou men b.v. in Fundamenten en Perspectieven kunnen vinden.
Het enige, dat zich gelijk schijnt gebleven in genoemde gegevens, is het , , Hartelijke, instemming met het getuigenis des Geestes", dat de vaderen in het woord der Schrift hoorden". Men zou zo zeggen, wat bezwaar is er dan tegen om hartelijke instemming met de belijdenis der vaderen te betuigen.
En ziet, dat is het nu juist, wat men vermijdt.
En, als men het met die belijdenis der vaderen niet eens is, hoe kan men weten, dat men , , hartelijk instemt" met het getuigenis des Geestes, dat die vaderen in het woord der Schrift hoorden?
Dat getuigenis, n.l. hoe zij het hoorden, kan men toch alleen maar kennen uit de belijdenis der vaderen.
Als iemand die belijdenis niet tot de zijne kan maken, hoe kan hij dan weten dat hij hetzelfde getuigenis des Geestes op het oog heeft, dat de vaderen hoorden?
Wel vervolgt de Generale Synode, dat zij er geen bezwaar tegen heeft te verklaren, dat , , in gemeenschap met" impliceert , , in overeenstemming met", , , indien met dit laatste wordt bedoeld een binding door het getuigenis van de Heilige Geest aan de religie van de belijdenis".
Dat bedoelt de voorstander van de uitdrukking , , in overeenstemming met" nu juist niet. Deze gelooft, dat het getuigenis van de Heilige Geest datzelfde geloof werkt, dat in de belijdenis aan het woord is. Reeds meerdere malen hebben wij het gebruik van de uitdrukking : „religie der belijdenis" van de hand gewezen in een zin die iets anders bedoelt dan het gelooi, dat in de confessie belijdenis doet.
Zonder twijfel zal de Heilige Geest de belijdenis der kerk kunnen verrijken, doch dezelfde dingen zullen ook in het geloof dezelfde dingen blijven en de verrijking van de belijdenis zal slechts een verrijking van het geloof der kerk kunnen zijn. Wij hebben er reeds eerder de aandacht op gevestigd, dat de Schrift spreekt van het geloof, dat de heiligen is overgeleverd.
Er is een objectief geloof, waaraan wij persoonlijk deel moeten hebben om het leven des geloofs te kennen. Het is daarom niet duidelijk, dat de kerk van heden dezelfde dingen, die de vaderen spraken, . op een andere, evenzeer in de Schrift gewortelde wijze, zal zeggen en dat — let wel op de argumentatie — , , daar immers elk tijdsgewricht zijn bijzondere vragen en noden heeft".
Wij weerspreken niet, dat de kerk in een veranderende maatschappij voor andere vragen wordt gesteld dan het voorgeslacht. Dat bepaalt de taak der kerk tegenover die vragen, maar wat verandert daardoor aan de grote levensvragen, die voor onze vaderen en voor ons dezelfde zijn? Wat wijziging brengt dat in de rechtvaardiging van de zondaar, in de belijdenis der schepping, der voorzienigheid, der praedestinatie, omtrent aard en wezen der kerk, en zoveel meer?
Het antwoord der Generale Synode op de eerste vraag van het Verband, is dus zeer onbevredigend.
De tweede vraag betreft de kerkelijke tucht over de leer.
De Synode acht het bepaalde in Ordinantie 11. V inzake het indienen en de behandeling van een gravamen onontbeerlijk.
Dat is heel vreemd, want, als men de strengen der belijdenis opzettelijk laat vieren, zijn ook de banden der leertucht geslaakt.
Onmiddellijk volgt dan ook, dat de Generale Synode betwijfelt, of de gezondmaking der Kerk er door gediend zou zijn, indien Ordinantie II. V zou worden toegepast op een wijze, gelijk die het Verband blijkbaar voor de geest staat.
Nu is het niet duidelijk, op welke wijze het , , Verband" zich een en ander voorstelt.
Persoonlijk ben ik van oordeel, dat de tuchtoefening begint bij de prediking des Woords, d.w.z. waar het Woord gepredikt wordt, daar oefent het Woord ook tucht uit op degenen, tot wie het komt. Vandaar, dat de Dienst des Woords zelf onder de tucht des Woords moet staan. Dat Woord moet gepredikt worden, zoals de Kerk dit in het geloof leert verstaan, d.i. overeenkomstig het geloof der Kerk, want de Geest der profetie is ook de Geest, die het geloof werkt.
Hier komt alzo een voorname functie van de belijdenis in het gezicht, zijnde deze expressie van het geloof der Kerk.
De zwevende houding der Synode jegens de eerste vraag, laat tevens zien dat zij deze eerste en voornaamste functie der belijdenis niet wil.
Dit standpunt kan niet verdedigd worden door het zeggen, dat de ziekte van de Kerk ernstiger is dan de Synode uit het schrijven van het Verband op maakt. De Kerk kan zo ziek zijn, als zij is, dat kan nimmer reden zijn om haar het enige middel van genezing te onthouden, n.l. de gezonde leer.
Onderstel, dat de dokter aan zijn patiënt een onfeilbaar geneesmiddel voor zijn ziekte niet wil toedienen, omdat de patiënt zo ziek is.
De Synode heeft het over het indienen en behandelen van gravamina, bij een normaal functionerend kerkelijk leven, waardoor de Kerk bij haar belijdenis bewaard wordt.
Wij geven toe, dat het geenszins tot sanering van het kerkelijk leven zou strekken, in de huidige toestand van verwarring en verwildering gravamina in te dienen en te behandelen.
Laat men zich daarvan vooral onthouden, want er kunnen wel ontevreden geesten zijn, die gravamina indienen; maar de Kerk is niet competent om ze te behandelen en dat wordt zij bij de methode der Generale Synode, menselijk gesproken, nooit.
Men krijgt ook de gravamina der Kerk, zo die daar zijn, niet te behandelen, en doet ook niets om de Kerk competent te maken gravamina te behandelen als men niet begint met het recht der gemeente te erkennen op een prediking overeenkomstig de confessie en de Dienaren des Woords daaraan te binden.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 14 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's