DE „VIER VRAGEN” EN HET SYNODAAL ANTWOORD
(Vervolg).
Gelet op hetgeen wij naar aanleiding van het Synodaal antwoord op Vraag Il hebben opgemerkt, zal het duidelijk zijn. dat wij over het antwoord op Vraag III niet veel meer zullen zeggen.
Het zou , , een zaak van kerkelijke orde en fatsoen zijn", dat iedere predikant en ook de andere ambtsdragers waren gehouden overeenkomstig de belijdenis der kerk te leren en te handelen.
Zolang men van die, kerkelijke orde niet uitgaat, is men aan de eerste regel van kerkelijke tucht nog niet toe.
Tenslotte het antwoord op de vierde vraag.
De Synode is van gevoelen, dat de in versnelde mate voortgaande ontkerstening, separatie en ontkerkelijking, inderdaad voor een belangrijk deel het gevolg zijn van de ernstige tekortkomingen der Kerk, die o.a. tot uiting komen in onzekerheid, dubbelzinnigheid en tegenstrijdigheid in de prediking.
De Synode stemt hierin toe, wat het Verband in Vraag IV stelde.
Zoudt gij nu verwachten dat de Synode dus ernstig gaat denken aan binding aan de belijdenis?
Neen, neen, zij komt er op wijzen, dat binding aan , , de letter van de belijdenis en formele uniformiteit in de prediking" op zich zelf geen waarborg is voor het tegengaan van vervlakkende en ontbindende invloeden.
, , De gang van zaken in andere kerkgemeenschappen in Nederland, die van Gereformeerd belijden zijn, maakte dit in de voorbijgaande tientallen jaren tot op heden toe op ontstellende wijze openbaar", zo argumenteert het ant woord van de Synode.
Dit argument het lijkt is niet zo raak, als men zou kunnen zeggen, ondanks de binding aan de belijdenis, vertonen de kerken van gereformeerd belijden tekenen van vervlakking en ontbinding, hoeveel te meer, indien de binding der belijdenis ontbreekt, moet een kerk aan die invloeden bloot staan.
De Generale Synode is van oordeel, dat de actie van het Hervormd Verband niet zal blijken verdergaande scheuring en ontkerstening tegen te gaan.
Wij laten deze zinsnede voor wat zij is, omdat de actie van het Verband zich nog slechts beperkt heeft tot het stellen van vragen.
Maar mijn persoonlijk oordeel is, dat de Synode tevergeefs een beroep doet op een bedenken, dat de weg tot genezing en opbouw der Kerk, die is gegeven in de vergaderingen der Kerk, nog slechts zeer aanvankelijk en zeer ten dele "betreden is. *
Voor zover die weg duidelijk is geworden, heeft hij tot een compromis met de vrijzinnigheid geleid, of is die weg dodr een voorgenomen vriendschappelijke houding tot de vrijzinnigheid bepaald.
Is dat slechts een aanvankelijke vriendschap op hope, dat de vrijzinnigheid naar de belijdenis toe zal worden getrokken, dan zou het kunnen gebeuren, dat een teleurgestelde hoop, die te laat inziet, dat vrijzinnigheid in de wortel wat anders is dan het orthodox geloof in de Christus der Schriften, de idee van een , , gesprekskerk" maar weer prijs geeft.
Of — is de middenorthodoxie (ongelukkige uitdrukking) bezig zich op te maken om de vrijzinnigheid tegemoet te treden en zullen zij versmelten in een gemeenschappelijk remonstrantisme om dan de thans slechts ten dele betreden weg verder te gaan tot het bittere einde ?
Wij vragen, wat heeft de vrijzinnigheid uit een oogpunt van Schriftgeloof en kerkrecht voor op de verdedigers van het kerkelijk geloof ? En waarom laat men zich niet door dit kerkelijk geloof leiden ?
Wij nemen aan, dat degenen, die verantwoordelijk zijn voor dit antwoord ter goeder trouw eindigen met een vrome wens, maar de uitdrukkingen formalistische handhaving der belijdenis, en van de letter der belijdenis doen toch de ernstige vraag rijzen, of zij in de grond der zaak wel verstaan, om welke geestelijke belangen het gaat ?
Men moest zo langzamerhand toch verstaan hebben, dat die terminologie uit de vrijzinnige hoek afkomstig is en dat het in de strijd van het geloof niet om de letter maar om de dingen, die des Geestes Gods zijn gaat. Men kan veilig zeggen, dat het nooit om de letter gaat ook niet bij degenen, die dat woord in de mond nemen. Ook bij hen gaat het om geloof of ongeloof, om een geestelijke houding of de afweer daarvan, om een ja of neen ten aanzien van een geestelijk getuigenis.
De Generale Synode grijpt de gelegenheid aan om het Verband en alle ambtsdragers op te wekken zich met alle kracht te wijden aan de opbouw van de Kerk, langs de wegen, die de kerkorde daarvoor aanwijst (cursivering van mij, S.).
Ik zal daarover niet veel zeggen, alleen dit, dat ik wel eens de indruk krijg, dat de gelegenheid om initiatief te nemen in enige zaak zelfs voor degenen, die op belangrijke en verantwoordelijke posten zijn gezet, volstrekt belemmerd wordt door de raden en commissies, die de kerkorde aanwijst.
Als men eens begon met die raden en commissies onbezet te, laten en de taken, waarvoor zij gesteld zijn, aan de betreffende vergaderingen der kerk op te dragen ? Dan zou de kerk zelf wat meer bij de zaken komen. Wellicht zouden nog meer bepalingen in aanmerking komen om op nonactief te worden gesteld, b.v. die der wijkgemeenten, waardoor zoveel bedorven wordt, hoewel zij in de geest der kerkorde is, als men daarvan mag spreken.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's