De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

GODS ÉNE KERK EN ONZE VELE KERKEN

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

GODS ÉNE KERK EN ONZE VELE KERKEN

9 minuten leestijd

Onder deze titel heeft dr. Berkhof een boekje geschreven, dat onlangs bij Callenbach in Nijkerk is verschenen. De prijs is ƒ 1.75.

Het is de uitwerking en de omwerking van een lezing, welke dr. B. op uitnodiging van de Haagse Oecumenische Raad voor de bij hem aangesloten kerkeraden heeft gehouden.

Een lief, vlot geschreven Oecumenisch boekje, dat op een prettige manier des schrijvers oecumenische gedachtengangen te kennen geeft.

, , Eén Nederlander een theoloog, twee Nederlanders een Kerk, drie Nederlanders een afscheiding", en dr. B. zou gaarne wensen „vier Nederlanders een hereniging".

Heel aardig gevonden, doch dit gezegde is niet zo uitzonderlijk Nederlands als het lijkt, want onder Franse protestanten kan men precies hetzelfde vernemen. Eén protestant zuiver in de leer, twee protestanten praten met elkander, drie protestanten vormen een secte.

Het euvel is dus algemener; misschien zelfs wel algemeen protestants.

Het kan dus zijn nut hebben over het oecumenisch streven te schrijven, hoewel dit op het standpunt van dr. Berkhof ten hoogste betwijfeld kan worden. Zoals hij zich een oecumenische Kerk wil voorstellen, komt het mij althans heel onwerkelijk voor.

Als wij dit gaan toelichten, komen wij tegelijkertijd bij een onzer voornaamste bezwaren tegen verschillende uitgangspunten of grondstellingen van dr. Berkhof, rakende zijn Kerkbegrip.

Op blz. 40 schrijft dr. B. : Want na de voleinding is er geen Kerk meer. Kerk en wereld vallen dan immers geheel samen. (Curs. van mij, S.).

Men kan dergelijke voorstellingen meer aantreffen in onze dagen. Zelfs in Fundamenten en Perspectieven, dat n.b. reformatorisch belijden wil zijn.

Hoe zulk een Kerkbegrip in iemands brein kan opkomen, die Schrifttheoloog wil zijn, is niet duidelijk. Zulk een universalisme van Gods genade moet eer uit wijsgerige consequenties verklaard worden, dan uit de kennis des geloofs.

Zo kloek echter de uitspraak is, dat er geen Kerk meer zal zijn, zo verwarrend is het weer als de schrijver op blz. 46 gewaagt van Christus, die eenmaal de schapen en de bokken zal scheiden. Hoe dat in overeenstemming kan zijn met het zo even beweerde : „Kerk en wereld vallen dan immers geheel samen" ?

Het moet een vreemdsoortige scolastica zijn, om dat met elkander te verenigen.

Maar gaan wij tot de Schrift zelf !

Waar leert zij, dat de Kerk na de voleinding niet meer zal zijn?

En hoe rijmt dr. B. zijn stelling met *de uitgesproken tegenstellingen tussen een rijk der heerlijkheid en een rijk des doods, en met zovele uitspraken der apostelen en profeten en van Christus zelf ? Denk slechts aan het bekende woord : alzo lief heeft God de wereld gehad, opdat een iegelijk, die in Hem gelooft, niet verderve, maar het eeuwige leven hebbe.

Dat is waarlijk niet de enige plaats die wij kunnen aanhalen. Wie de Schrift kent, kan dat weten.

Hoe rijmt dr. B. dat met de uitverkiezing van voor de grondlegging der wereld? , zouden wij haast vragen, maar wij hebben in ander verband kunnen opmerken, dat dr. B. daaromtrent ook anders denkt.

Geen kerk meer. Dr. B. spreekt zich in dit stuk daarover niet uit, maar degenen, die slechts een tijdelijk karakter aan de kerk toekennen, hangen gewoonlijk ook de mening aan, dat de kerk pas is ontstaan na de zondeval. Ook in de Lutherse theologie kan men dergelijke gedachten aantreffen.

Voor dezulken is de kerk dus een aards-historisch verschijnsel, zonder eeuwigheidsbestemming, een voorbijgaande functie en niet meer. ^

Eensdeels zou dit kunnen verklaren, dat men zo gemakkelijk denkt over vereniging van „kerken", welke in confessie zó ver uit elkander liggen als Remonstranten en Hervormden, die nog altijd de belijdenis der Drie Formulieren als kerkelijke confessie hebben en in ere wensen te houden.

Men huppelt gemakkelijk over de belijdeniskwesties heen in zijn oecumenische dromen.

Maar anderdeels — en dat neme dr. B. mij niet kwalijk, want hij houdt er blijkens zijn geschrift van, de dingen tegenover elkander te zetten — anderdeels begrijp ik niet, waarom iemand zoveel drukte maakt over het oecumenische streven.

Als de kerk toch maar een functie is in de tijd en dus voor een tijd, een voorbijgaande verschijning, wat doet 't er dan. toe, of zij die functie vervult in ik weet niet hoevele instituten, die ieder afzonderlijk werken, of in één instituut, of onder leiding van een Wereldraad?

Als de eenheid in openbaring niet anders is dan dat allerlei geloven aan eenzelfde Avondmaalstafel zitten, want dat schijnt voor dr. B. het eigenlijke, het oecumenische hoofdmoment te zijn, dan wordt ook het Avondmaal misbruikt.

Gemeenschapsoefening met de levende Christus, is dat dan geen hoofdmoment? hoor ik iemand vragen.

Ongetwijfeld, doch hoor goed wat gij zegt: "Gemeenschapsoefening met de levende Christus".

Dat geschiedt toch in het geloof? Ook aan het Avondmaal?

Gemeenschapsoefening wordt dus als geestelijke werkelijkheid gedragen door het geloof in dezelfde Christus. Dat geloof, dat allen verenigt met Christus, is ook de samenbindende kracht der gelovigen.

In dat geloof worden zij aan zichzelf en tot op zekere hoogte ook aan anderen openbaar als leden van Christus' Lichaam.

Het Lichaam van Christus is een geestelijke werkelijkheid. De gemeente is in Christus geschapen. (Efeze 2 vs. 10). Hij is opgestaan als een Eersteling onder vele broederen.

Zou dr. B. nu willen beweren, dat de kerk en de wereld in de voleindiging geheel samenvallen in het Lichaam van Christus en tezamen het Lichaam van Christus zullen vormen?

Is hij van mening, dat de hele wereld aan het grote, hemelse Avondmaal zal aanzitten, zijnde de gemeenschap van het Lichaam van Christus?

Zo niet? Waarom zegt hij dan zulke dingen? Het kerkelijk instituut verdwijnt. Alle kerkelijke instituten, die wij op aarde kennen, verdwijnen in de dag van Christus' toekomst.

Op aarde kennen wij alleen de kerk in het instituut, of in enige misschien onkerkelijke gestalte.

Hoewel wij ons heel moeilijk losmaken van het instituut, wijst ons de geloofsbelijdenis nochtans op éen heilige, algemeene. Christelijke kerk en daarmede is een goede grond gegeven om de onzichtbare kerk niet te veronachtzamen.

En omdat wij geen kenners der harten zijn, én omdat wij niet weten, hoeveel ketterijen iemand kan hebben en toch nog een Christen zijn, kunnen wij geloven, dat ook binnen andere kerkinstituten dan datgene, waartoe wij zelf behoren, nog ware Christenen zijn, die geteld zijn onder de duizenden der uitverkorenen uit de stammen Israels (ook uit de afgescheurde stammen !)

Die Kerk is Christus bezig te vergaderen door Zijn Woord en Geest en Hij wil daarbij gediend zijn van de prediking van het Evangelie door mensen, die door de Schrift zelf medearbeiders van God worden genoemd.

Dr. B. legt zo grote nadruk op het gemeenschappelijk Avondmaal — wij komen daarop nog terug — maar het bevel des Heeren, ook voor de mannen, die zich zozeer bemoeien met het apostolaat, luidt : Predik het Evangelie aan alle creaturen, dezelve dopende in de Naam des Vaders, des Zoons en des Heiligen Geestes.

Hij zegt niet: En vergadert ze tot het Avondmaal.

Er zijn trouwens meerdere punten van verschil en onzekerheid.

Dr. B. meent, dat er geen voleindiging denkbaar is in een wereld, waarin de Gemeente van Christus zo weinig tot openbaarheid is gekomen, als in onze dagen het geval is.

Dat schijnt wel te bedoelen, waarin de eenheid der Gemeente van Christus zo weinig tot openbaring is gekomen, als in onze dagen het geval is.

Hij brengt in dit verband de hereniging van Israël en de Gemeente ter sprake.

Aannemende, dat Israël zich tot de Christus zal bekeren in de laatste dagen, zal toch een hereniging van Israël en de Gemeente der Christenen uit de heidenen weinig van de kerkelijke situatie van het heiden-Christendom afhangen. En dat wel om twee redenen : ten eerste, omdat de bekering van Israël een werk Gods is, en ten tweede, omdat er geschreven staat, dat de volheid der heidenen is ingegaan, zodat de Christelijke kerk uit de heidenen niet zoveel meer zal betekenen. (Rom. 11 vs. 25).

Het is ook zéér de vraag of de Joodse Christenheid en de Kerk uit de heidenen zó oecumenisch zullen gevoelen, dat zij één zijn.

Zouden de twee profeten uit Openbaringen 11 misschien die twee, kerken zijn?

Ten tweede kan men moeilijk verwachten dat de Christelijke Kerk der laatste dagen een groots georganiseerd en invloedrijk leven beschoren zal zijn.

Als de Kerk machtig is in geestelijke openbaring en kracht, kan de Antichrist niet machtig zijn.

De eenheid der Christelijke Kerk zal echter in de verdrukking wel tot stand komen, maar gelijk als in de catacomben. Trouwens, dat ziet dr. B. ook in, maar dan kan er ook geen aanleiding zijn om aan een grootse oecumene te denken.

Intussen kunnen wij ook voor een oecumenische bekering, zoals hij die zich schijnt voor te stellen, niet warm lopen. , , Alle kerken moeten bereid zijn haar leven te verliezen om het te behouden". Dat is waarlijk een gewaagde en moeilijk te handhaven uitspraak. Als een kerk waarlijk kerk is en leeit, dan is haar leven voor zover zij leeft, een leven in Christus. Dat is nu juist het waarachtig oecumenisch stuk, dat alle kerken, voor zover zij leven, in de Christus leven. Wat zij daarbuiten hebben is aards uit de aarde en geestelijk dood.

En nu wil dr. B., dat zij haar leven moeten verliezen om oecumenisch te worden. De kerk is een vergadering van ware Christgelovigen, zegt de belijdenis. Voor zover zij echt Kerk is, is zij dus een vergadering van wedergeborenen, deelgenoten in de nieuwigheid des levens uit de kracht van Christus' opstanding. En zo heeft de Kerk ook eeuwigheidsbestand. Hoe dat in eeuwigheid zal zijn, kan niemand zeggen, want de apostel Johannes zegt: Het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen. (Joh. 3 VS. 2).

Ik kan niet aannemen, dat dr. B. zou bedoelen, dat de kerken dat leven moeten verliezen, want dan zijn zij geen kerk meer.

Maar wat dan?

Zou hij eigenlijk bedoelen, dat iedere kerk datgene, wat haar bijzonder eigen is, moet afleggen? Wil hij, dat de Roomse kerk het echt Roomse, de Lutherse kerk het echt Lutherse, de Gereformeerde kerk het echt Gereformeerde aflegt, enz.?

Wat krijgt men dan voor een kerk?

Dat is niet gemakkelijk te zeggen, doch in ieder geval geen historische, want die moet gestalte hebben, en dan is zij Rooms, Luthers, Gereformeerd, of een mengsel daarvan.

Ziedaar, enkele vragen. Duidelijk wordt de oecumenische op zulk een wijze niet.

Alvorens tot een conclusie te komen, willen wij dr. B. een volgende keer verder horen.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

GODS ÉNE KERK EN ONZE VELE KERKEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 21 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's