GODS ENE KERK EN ONZE VELE KERKEN
Absolutisme en relativisme in de kerkbeschouwing brengen volgens dr. B. dezelfde vruchten, omdat zij innerlijk ten nauwste verwant zijn (blz. 50).
Het absolutisme zegt : mijn Kerk is de ware, de enig zaligmakende Kerk. Het relativisme, denk aan de leer van de pluriformiteit, erkent de verschillende kerkgemeenschappen als meer of minder zuivere kerken, maar houdt de kerk, waartoe men zelf behoort, voor de zuiverste openbaring.
Dr. B. meent, dat absolutisme en relativisme, eigenlijk op dezelfde wortel stoelen. Immers het absolutisme wordt nooit zo absoluut genomen, dat men iedere andere kerk ten enenmale uitsluit en het relativisme kent ten slotte ook nog grenzen, omdat het nog ergens een maatstaf heeft van zuivere openbaring.
Wat dan eigenlijk die gemeenschappelijke wortel is ?
Dat is nog al duidelijk : Wat de Kerk tót Kerk maakt. Wie meent dat hij dat, wat de Kerk tot Kerk maakt, voor 100% heeft, zou een volmaakte absolutist moeten worden genoemd, aannemende, dat hij de mening is toegedaan, dat dat eigenlijke aan iedere andere kerkgemeenschap ontbreekt.
De relativist gaat uit van de onderstelling, dat de onderscheidene kerken in verschillende mate deel hebben aan datgene, wat de kerk tot Kerk maakt, en neemt aan, dat de kerk, waartoe hij zelf behoort, boven de andere te verkiezen is.
Begrepen, maar, wat is dan dat eigenlijke, dat de kerk tot Kerk maakt ? Daar ligt nu juist de kwestie. Dr. B. zegt het waarheidsbegrip of eigenlijk de wortel van een gemeenschappelijk waarheidsbegrip.
, , Voor beiden", zegt hij, „is de Waarheid een geheel van opvattingen". Men kan menen, dat , , geheel" te bezitten. Men kan ook menen, dat niemand dat geheel bezit, maar „ieder" slechts een deel.
Is dat zo ?
Wij willen niet achterstaan bij wie ook in de bestrijding van het intellectualisme, maar het verstand is een gave Gods, die wij hoog hebben te waarderen, zodat wij niet zo spoedig schrikken voor het woord begrip. Doch als het waar is, dat een bepaald waarheidsbegrip ten grondslag ligt aan de verschillende kerkbeschouwingen, die dr. B. op het oog heeft, dan moet ik aannemen, dat die kerkbeschouwingen met hetgeen de kerk tot kerk maakt, heel weinig te maken hebben.
Zonder twijfel wordt het kerkelijk leven verward, zelfs verwoest door mensen, voor wie het gaat om beschouwingen der waarheid. Die indruk wordt althans onmiddellijk gewekt door degenen, die het altijd hebben over de waarheidsvraag in de kerk.
Die dat doen, verraden reeds daardoor dat zij, of de kerk, die zij op het oog hebben, inderdaad van een waarheidsbegrip uitgaan.
Als gij met die mense'n in discussie treedt, zult gij vernemen, dat zij de waarheid Gods zozeer van andere Orde en boven de. aarde verheven achten, dat geen sterveling bij machte kan worden geacht omtrent die waarheid een zodanige kennis deelachtig te worden of te zijn, die wegens haar zuiverheid gezag zou hebben in de kerk.
Een gemeenschaippelijke kennis, d.ï. een binnen de kring der kerk doórallen beleden of te belijden kennis zou dus reeds daarom uitgesloten zijn. , .
Wij kunnen volgens dat standpunt God niet kennen, zoals Hij is, en al wat als kennis van God wordt aaiigediend onder de. mensen, is maar zeer betrekkelijk. Wat de èèn gelooft behoeft daarom nog niet bindend te zijn voor het geloof van de ander.
Men kan het nog verder drijven; zodat het er practisch op neerkomt, dat een ieder zo zijn eigen geloof aangaande God heeft.
Het is wel mogelijk, dat de opmerking van dr. B. over een , , gemeenschappelijk waarheidsbegrip" niet helemaal vreemd is aan een dergelijke opvatting ten aanzien van de waarheid.
In ieder geval raakt zijn redenering op blz. 51 over de Waarheid aan zulk een opvatting. Hij zegt : , , de Waarheid is de persoon en het werk van Jezus Christus, Hij staat boven de Kerken" (blz. 52).
Dat zijn uitdrukkingen, waaraan wij een Schriftuurlijke betekenis kunnen hechten, terwijl wij het toch niet eens zijn met wat dr. B. zegt, of daarmede schijnt te bedoelen.
, , Wie zich gelovig en gehoorzaam tot Hem keert, zoals Hij in het Schriftgetuigenis tot ons komt, krijgt aan de Waarheid deel. Hij begeeft zich op een nieuwe en onafzienbare weg, want in Christus zijn , , al de schatten der wijsheid en kennis verborgen" (CoL 2 vs. 3), en , , woont al de volheid der Godheid lichamelijk" (Col. 2 vs. 9) schrijft dr. B. verder. "
En dan komt het, als we het zo zien, kijken wij niet verder absoluterend of relativerend in horizontale richting naar de andere kerken, maar kijken wij naar boven. We meten dan niet allereerst andere Kerken aan onze waarheidsopvattingen, maar daar wij zelf in de gemeenschap met Christus op één weg gezet en in één groei begrepen zijn, zijn wij allereerst bezig onszelf te meten aan deze Waarheid, dfe wij niet omvatten, maar die ons en met ons vele anderen omvat en in haar gemeenschap doet groeien", (blz. 52).' >
, , Wé meten dan niet allereerst andere Kerken aan onze waarheidsopvatting".
Laat mij nü met dat zinnetje Van dr. B. eens beginnen.
Wat doet hij nu anders dan alle kerken én alle mensen, die hij met zijn absolutisten en relativisten in zijn boekje op het oog heeft, meten aan de waarheidsopvatting van dr. Berkhof?
En op welk gezag kan deze opvatting aanspraak maken dan op het gezag van dr. B. ?
Wij willen dat gaarne eerbiedigen op alle terrein, waarin hem dat toekomt, maar als het gaat over geestelijke dingen, zal geen ander gezag dan dat van de Heilige Schrift kunnen gelden.
Het is zonder twijfel waar, dat de Heilige Schrift ons het woord van de Christus : , , Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven" bewaart.
Daarmede stelt de Christus zich tegenover alle leugen, tegenover de vader der leugen en tegenover de leugenachtige mens, tegenover de leugen in de wereld. Of betuigt Hij niet tegen Pilatus : Hiertoe ben Ik geboren en hiertoe ben Ik in de wereld gekomen, opdat Ik der waarheid getuigenis zou geven ? (Joh. 18 VS. 37).
En het is ook volkomen waar, dat die Christus, zijnde de Waarheid, eeuwig boven ons en boven de Kerk, zo men wil de Kerken, staat. De Schrift betuigt ook, dat in Hem al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn en dat in Hem al de volheid der Godheid lichamelijk woont. Het is zelfs zó, dat een iegelijk, die Hem door een waarachtig geloof is ingelijfd, deel heeft aan al die schatten én gaven. .
Maar dat waarachtig geloof is het dan ook, dat een kerk tot kerk maakt en van iedere andere gemeenschap onderscheidt. Niet een gemeenschappelijk waarheidsbegrip, maar ons algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof. Waar dat geloof is, is de kerk en waar dat geloof, niet is, is de kerk niet.
Of dan dr. B. misschien bedoelt, dat het algemeen en ongetwijfeld Christelijk geloof tot een waarheidsbegrip wordt gemaakt?
Misschien bedoelt hij dat wel, maar hij schrijft het in ieder geval niet. In dit verband spreekt hij helemaal niet over het geloof en hij noemt zelfs het woord geloof niet.
Het, geloof in de Christus is een levende betrekking tot deze Christus en de gemeenschap met die Christus is een gemeenschap in en door het geloof.
Als dr. B. nu schrijft over de gemeenschap met „deze Waarheid, nader aangeduid , , de historische persoon en het werk van Jezus Christus, profeet, priester en koning, gekruisigd, opgestaan en verheerlijkt", dan zal daarmede wellicht de geloofsgemeenschap bedoeld zijn.
En als gemeenschap met de Christus der Schriften in het geloof wordt gekend en geoefend, zullen allen die, met die Christus in het geloof verbonden mogen zijn, ook met elkander gemeenschap hebben door datzelfde geloof.
Het geloof is het, dat de kerk over de ganse aarde verspreidt in ik weet niet hoeveel kerkgemeenschappen, ook onderling verbindt, nl. het geloof in de Christus der Schriften.
Als dr. B. dat bedoelt met de wortel van een bepaald gemeenschappelijk waarheidsbegrip, ware het toch wel wat duidelijker geweest als hij het ook maar gezegd had.
Maar daardoor zou zijn zaak niet sterker worden.
Want, als geloof het eigenlijke en onderscheidende van de kerk is, en ook een scheur trekt tussen geloof en ongeloof, tussen kerk en wereld, dan is ook het geloof in de Middelaar Gods en der mensen die ons in de Heilige Schrift wordt voorgesteld, de enige oecumenische kracht.
Zelfs, als men zou toegeven, dat het geloof op zijn beurt in deze wereld weer aanleiding geeft tot een soort waarheidsbegrip, dat in bepaalde kringen, met bepaalde opvattingen omtrent de inhoud des geloofs leeft, dan gaat de redenering van dr. B. nog niet op. Hij had dan over de wortel, d.i. het geloof, moeten handelen, want daarin ligt de kracht der gemeenschap.
Thans doet hij dat niet. Hij verwerpt een waarheidsbegrip terecht of ten onrechte, dat met zijn.opvattingen niet overeenkomt, en wijst op het woord van Christus : Ik ben de Waarheid.
Dat kan hij echter zo niet laten staan, want zo straks voegt hij daaraan verschillende dingen toe : de Waarheid is een historische persoon en betreft ook het werk van Christus. En al schrijvende schrijft hij „Jezus Christus, profeet, priester en koning, gekruisigd, opgestaan en verheerlijkt".
De Godheid van Christus wordt hier niet bijzonder genoemd, maar ook het genoemde wordt door sommigen bestreden.
Alleen dit, sobere, getuigenis van. dr. B. kan reeds bestrijding uitlokken, b.v, over de menselijke en goddelijke natuur en over de opstanding, welke door sommigen ontkend en door anderen wordt gespiritualiseerd.
Wat zal dr. B. nu zeggen? 'Dat dit alles als een verschil van opvatting moet worden beschouwd, waarover men heen ziet naar boven?
Gaan deze en dergelijke dingen om de Waarheid heen? Kunnen wij evenwel de Christus Gods belijden, of Hij ons in alles gelijk is geworden, uitgenomen de zonde of niet? En of Hij is opgestaan of niet?
Of moet dat alles wegzinken achter wat ons belieft omtrent God te geloven?
Waartoe is ons dan het getuigenis der Waarheid gegeven ? God, de Heere, heeft dat zoveel waard geacht, dat Hij Zijn Zoon in de wereld heeft gezonden, opdat Hij der Waarheid getuigenis zou geven. Én de Christus heeft het van zó, grote betekenis geacht Voor ons, dat Hij zalig prijst, die Zijn Woord bewaren en bidt voor degenen, die door het woord, der apostelen geloven zullen, aan wie Hij het Woord des Vaders heeft medegedeeld. (Joh. 17 VS. 14, 20).
Zo worden wij door de mond der Waarheid zelf op het getuigenis gewezen.
Dat getuigenis is ons gegeven als het getuigenis der Waarheid.
Wij drukken nog eens op het woord gegeven. Over dat getuigenis beschikken wij ; over Gods Waarheid, beschikt niemand. Die is in de hand Gods. Het beschikken over het getuigenis der Waarheid in deze wereld heeft vele facetten en kan op velerlei wijzen worden toegelicht, waarover wij het thans, niet willen hebben.
Doch de Kerk van Christus ontvangt het getuigenis als de levende stem Gods en een kracht Gods tot zaligheid.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's