De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN *)

Bekijk het origineel

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN *)

10 minuten leestijd

I. Het Hoofdbestuur vroeg, dit onderwerp in te leiden. In te leiden, dus zéker niet: uit te putten. De gewekte reactie in de bespreking zal belangrijker kunnen zijn dan deze inleiding zelf.

Als we het onderwerp, dat hier aan ée orde is gesteld, op ons laten inwerken, dan valt het aanstonds in twee delen uiteen. In de eerste plaats wordt hier erkend, dat de Kerk en het kerkelijk leven ziek is : ontstemd, ontaard. Maar in de tweede plaats wordt hier toch uitgesproken, dat aan de mogelijkheid van een sanering, een genezing, niét wordt gewanhoopt.

In deze twee motieven herkennen we gemakkelijk de drijvende krachten, die vanaf het begin in onze Gereformeerde Bond hebben gewerkt, die hem deden ontstaan en zijn program uitmaakten in de voorbije 50 jaar.

Dat de Kerk ziek en ontaard is, is gemeengoed geweest in de overtuiging van welhaast alle richtingen in de vorige eeuw, de moderne alleen uitgezonderd.

De Oud-Ethische theologie, hoe weinig kerkelijk ze in de grond van de zaak dacht, heeft toch bij monde van Chantepie de la Saussaye Sr. en Gunning Jr. (in zijn latere periode) de nood der Kerk uitdrukkelijk erkend. Maar er tegen ondernomen heeft ze toch wel weinig.

De Confessionelen, dit behoeft weinig betoog, hebben blijkens hun onverdroten ijveren voor reorganisatie en kerkherstel er wel heel sterk bij geleefd, dat onze Kerk zeer gedesorganiseerd is. Als medicijn wezen zij met name aan : reorganisatie.

De Gereformeerde Bond heeft zijn eerste aanhangers zeker wel in hoofdzaak uit de gelederen van de Confessionele Vereniging gerecruteerd, althans uit een kring van met hen geestverwanten. Maar hij heeft, reeds blijkens zijn apart gaan staan, tot uitdrukking gebracht, dat de nood der Kerk bij de genoemden toch onvoldoende gepeild en gesaneerd werd. En sindsdien weerklinkt in onze kring nooit een ongebroken optimistisch geluid, wanneer het over de Kerk gaat, zoals ze zich onder ons vertoont.

Maar merkwaardig : dit pessimisme moge diep zijn, het is nooit radicaal geworden. De Gereformeerde Bond heeft van den beginne niet gewanhoopt aan de mogelijkheid van een herstel der Kerk. Anders had men hem ook nooit opgericht en was liever gegaan, hetzij de weg van het conventikel, hetzij die van Afscheiding en Doleantie.

Dat deed men niet. En dat is toch werkelijk héél veel zeggend. Want het gros, althans van de predikant-leden van de Bond, heeft sterk de bekoring van dr. Kuyper ondergaan. Maar ze zijn niet tot het eind met hem mee gegaan. Reeds in de politiek niet, al werd dat veel later pas naar buiten openbaar. Maar heel bijzonder in de Kerkbeschouwing niet. Dat merken we op in een dubbele zin. Het getuigt bij alle volgzaamheid dan toch van een eigen beginsel, als we zien dat Kuyper zijn grote belangstelling voor de institutaire Kerk aan onze voortrekkers niét heeft kunnen inhameren. Om het met Noordmans' bekende woorden te zeggen : het volk is onder ons altijd boven het instituut gesteld.

In dat eerste opzicht is de Gereformeerde Bond Kuyper niet gevolgd en zal dat ook in de toekomst licht niet doen. Maar ook volgde men Kuyper niet in zijn volkomen wanhopen aan de mogelijkheid van een regeneratie van de vervallen Hervormde Kerk.

Wij weten allen wel, dat men van den beginne in de Gereformeerde Bond niet veel anders wilde zien dan een late (té late) nabloei van de Doleantiegedachte. Maar reeds daarin heeft men de Bond slecht begrepen. Wij hebben de overtuiging, dat in de eerste vergaderingen van onze Bond wel menigmaal met warmte moet zijn gezongen Psalm 130. Dat moet wel sterk hebben aangegrepen : Is Israël in nood (en Israël is in nood !) : Er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot.

Wanneer wij na bijna 50 jaar nog weer eens spreken over wegen en middelen tot sanering van Kerk en kerkelijk leven, dan klinkt het geloof in dat zelfde nog door : Er kan en er zal verlossing komen. Gods goedheid is zéér groot!

Men kan ons mogelijk met enig recht verwijten, dat het genadeverbond onder ons zoveel minder spreekt als bij Kuyper CS. Maar heel het ontstaan en voortbestaan van de Bond is één belijdenis van het genadeverbond. We zeggen daar wel meteen bij, dat dit Verbond alléén ons geen panacee gold tegen al de kwalen der Kerk. Te roemen in het Verbond, sluit noodzakelijk in een leven in en uit het Verbond.

Daardoor is de weg der Doleantie, die de weg der wanhoop is, sinds 1906 tot nu toe voor ons gesloten. Dit is ons heel zeker géén weg of middel tot sanering.

En dan verwondert het ons ook, dat Kuyper, die een groot kerkhistoricus was en als zodanig het verloop van de Hervorming in ons land uitstekend gekend heeft, zo opeens in de jaren rond 1880 zo volkomen is gaan wanhopen aan de mogelijkheid van sanering der zieke Hervormde Kerk. Het lijkt ons niet juist, de stichting van de Vrije Universiteit, die haar kwekelingen kwijt moest, daarvoor alleen aansprakelijk te stellen, al heeft ze zeker ook wel zwaar meegewogen. Kuyper heeft toch heel goed geweten, wat velen, ook onder ons, nogal eens vergeten, dat de toestand van onze Hervormde Kerk, ook in een z.g. Gouden Eeuw, nooit paradijselijk was en zelfs maar zelden redelijk kerkelijk verantwoord. Van buiten remde steeds weer de tegenstand van de hoge heren, wat bijzonder ergerlijk uitkomt in de remonstrantse twisten. En van binnen heeft een libertijnse volksaard, o.i. veel meer dan de „doperse", de Kerk de handen vol, te vol gegeven. Want het is duidelijk, hoe die volksaard vierkant indruiste tegen een Kerk, die naar haar belijdenis zich Calvijns-puriteins wilde openbaren.

Kuyper heeft dus zeker geweten, hoe het er, naar de mens gesproken, wanhopig voorstond, vanaf de vestiging der Hervormde Kerk, met die weinige procenten overtuigde christenen, gereformeerden, tot aan het eind van de Staatskerk, waarbij de. Verlichting al meer deed ontbinden. Het spreekt boekdelen, dat een groot deel van onze Vaderlandse Kerkgeschiedenis tevens de geschiedenis van de z.g. Nadere Reformatie is. Want die Nadere Reformatie is niet anders geweest dan een heroïeke poging, om wegen en middelen te zoeken tot sanering van het kerkelijk leven en die wegen ook te gaan.

We weten niet, of onze voortrekkers de Kerkgeschiedenis van ons vaderland hoofd voor hoofd zoveel beter hebben gekend dan Kuyper. Vermoedelijk is dat niet het geval geweest. Maar heel zeker hebben zij Kuyper's pessimisme, dat naar onze overtuiging toch ongeloof is gebleken, hoezeer Kuyper in gemoede gedacht heeft aan een daad van geloof, niet gedeeld. Ze zijn hem dan ook niet gevolgd op een weg, die toch wel heel veel lokkends moest hebben. Vanaf het begin is er gedacht over en gewerkt aan datzelfde thema, dat ons weer bezighoudt: de verbreiding en de verdediging van de Waarheid in de Hervormde Kerk, die naar haar belijdenis een gereformeerde Kerk moet zijn, dus : wegen en middelen tot sanering van het kerkelijk leven.

Hier beëindigen we onze historische aanloop. We wilden dit alleen in herinnering brengen, dat we op vertrouwde grond staan. We wagen het te zeggen : op heilige grond. Hier is gebeden en gestreden, meer dan het nageslacht vermoedt. Hier is het woord van Psalm 22 bewaarheid: Op U hebben onze vaderen gehoopt. En ze zijn niet beschaamd geworden.

Na deze aanloop, die wilde aanwijzen dat wij nog staan „in de band van voorheen", komen wij dan tot ons thema. Maar eer wij spreken van de therapie, de weg tot genezing, heeft het goede zin, dat we eerst een diagnose stellen en het ook niet versmaden daarbij iets van de geschiedenis van het ziekteproces te verhalen.

Wanneer we dan uitgaan van de overtuiging dat onze Hervormde Kerk ziek is, dan leidt dat aanstonds tot een dubbele vraag. Deze : Is die afwijking, die ziekte er alléén bij de anderen : vrijzinnig, middenorthodox, confessioneel? Of zullen we het hoofd veel dieper moeten buigen en erkennen dat er ziekte en afwijking is, ook bij onszelf ?

We herinneren aan de vermaarde uitspraak van wijlen prof. Schilder over : Gereformeerd Farizeïsme. Daar tekent hij, terecht, hoe licht juist gereformeerden, door hun belijndheid, zekerheid en resoluutheid, zo heel makkelijk het pad van de Farizeer betreden : zeer zelfgenoegzaam en anderen niets achtend.

Het zou van weinig innerlijke kracht getuigen, wanneer de zelfcritiek onder ons geen ruime plaats had. Die moet en zal ze hebben, ook in deze uiteenzettingen. We zullen dan echter toch beginnen met ons aan anderen te spiegelen. Maar dan spiegelen we ons niet zacht!

Het feit valt dan wel niet te weerspreken, dat de Gereformeerde Bond, door apart te gaan staan en ook zo te blijven staan, anderen in gebreke stelde en nóg stelt. Het heeft begrijpelijk prikkelend gewerkt en dat doet het nog.

Wat dreef dan dë Gereformeerde Bond er toe, die weg tot kerkherstel in te slaan, die ze insloeg? *" ,

We laten het extreme modernisme, dat zich op trieste wijze uitte in de actie van dr. Bahler, de boeddhist, liever liggen, hoewel de actie van de Bond daardoor is versterkt. Natuurlijk stelde de Gerèform. Bond zich vierkant tegenover dit drieste en vlakke modemisme, welks dagen trouwens geteld waren.

Veel pijnlijker was het afscheid, dat viel tussen de Gereformeerde Bond en de orthodoxe groeperingen, een afscheid dat men ons tot op deze dag niet vergeven heeft. 

Het betreft hier allereerst de Oud- en de Jong-Ethische theologie. Het valt toch niet moeilijk te begrijpen, dat deze zo culturele, hooggestemde theologie, die veel meer van verlossing en dankbaarheid sprak, dan van de zonde, vooral de blijvende zonde, in onze kring geen begrip kon vinden. Zo moest het er wel toe komen, dat de Gereformeerde Bond deze theologie, dit zeer eenzijdig ontwikkelde kind van het Réveil, op een zelfde manier moest beoordelen als Kuyper het Van Oosterzee met de zijnen deed: als halven tegenover de helen.

Maar de Confessionelen waren toch wel heel anders georiënteerd. Ze dachten uitermate , , kerkelijk". Het genadeverbond, het Woord, de leer, de Sacramenten waren bij hen zeer hoog in ere. Zij spraken, anders dan de Ethischen, meer van het geloof, dan van de liefde. Dat zijn toch contactpunten in overvloed. Ja, en toch hebben ze de geestverwanten van de Gereformeerde Bond ook niet kunnen vasthouden. Toen niet én nu eigenlijk nog evenmin.

Wat men daar miste is juist iets, dat de Ethischen wel zeer overvloedig hadden, zij het dan in een andere grondtoon, n.l. het innerlijke, het bewogene, de persoonlijk doorleefde gemeenschap met God in Christus. Wilt ge het nog iets anders noemen, zegt dan : men miste er de bevinding, de nadruk op het werk van de Heilige Geest. Men wantrouwde verder Hoedemaker's spreken van „Heel de Kerk en heel het volk" en voelde daarin een verloochenen van de verkiezing, de souvereiniteit Gods. Hier is zeker veel misverstand geweest, maar het openbaart in alle geval een zeer verschillend geestelijk klimaat.

Zo konden de bestaande orthodoxe groepen niet bekoren. Bij de één vond men teveel subjectivisme ; bij de ander teveel objectivisme. En om daar bovenuit te komen wilde men de koninklijke middenweg inslaan, die tegenwoordig graag genoemd wordt: die van de voorwerpelijk-onderwerpelijke prediking.

v. d. L.

•) Het hier gebodene geeft weer wat op de Conferentie van 6—7 Januari op Woudschoten werd gesproken. De neerslag van een uitvoerige discussie zal er zoveel mogelijk in vérwerkt worden.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN *)

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's