De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

EEN HONGEREND VOLK

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

EEN HONGEREND VOLK

9 minuten leestijd

Zie, de dagen komen, spreekt de Heere HEERE, dat Ik een honger in het land zal zenden; niet een honger naar brood, noch dorst naar water, maar om te horen de woorden des HEEREN; en zij zullen zwerven van zee tot zee en van het Noorden tot het Oosten, zij zullen omlopen om het Woord des HEEREN te zoeken, maar zullen het niet vinden. Amos 8 VS. 11, 12.

Men meent wel, dat de profetie van Amos een donderslag is geweest bij heldere hemel: te midden van velerlei voorspoed en rijkdom zou daar in eens het woord des Heeren door de dienst van de profeet Amos het einde verkondigen over Israël. Toch is dit niet zo. Zeker, in de huizen van de rijken was veel luxe, het bed was met ivoor versierd, de maaltijden waren overvloedig en met wijn was men niet karig ; in de paleizen waren heel wat schatten opgestapeld, want er werden goede zaken gedaan en veel geld wejd verdiend. Maar niet allen deelden in deze overvloed ! Groot was het sociale onrecht en verdrukking en afpersing was aan de orde van de dag. Wie de tekenen der tijden verstond, zag de dreigende ineenstorting zich aftekenen. Wie door de schijn zich niet liet bedriegen, peilde de innerlijke voosheid van het gehele leven van het volk des Verbonds. Het leek veel, maar het was niets ! Dat gold ook van het godsdienstige en zedelijke leven. Men was wel stipt in het brengeorvan offers en tienden, in het vieren van sabbatten en niéuwe-maandagen ; men trok wel naar Gilgal en Bethel, maar de Heere zocht men niet. Men leefde in grenzeloze zelfverzekerdheid en overmoed en zorgeloosheid : „de Heere is immers met ons", en men had geen oog voor de heilige wandel, waartoe de Heere Zijn volk roept: Indien gij naarstiglijk Mijn stem gehoorzaam zult zijn en Mijn verbond houden, zo zult gij Mijn eigendom zijn uit alle volken, want de ganse aarde is Mijn en gij zult Mij een priesterlijk koninkrijk en een heilig volk zijn (Ex. 19 vs. 5, 6). Israël zocht in de dienst des Heeren in Amos' dagen en toen niet alléén — zichzelf. En omdat nu het volk de Heere niet geeft, waarom Hij vraagt — het hart, aanvaardt de Heere niet wat het volk Hem aanbiedt : het offer. Hun godsdienst was vormendienst; naar buiten was 't alsof men God zocht, in werkelijkheid ontvlood men Hem en zocht de afgoden.

Kan dan de prediking van de profeet een andere zijn dan die van gericht ? Is het dan wonder, dat Amos van onontkoombare rampen moet spreken ? Paleizen zullen worden geruïneerd en heiligdommen verwoest; niemand zal ontkomen, het zondige koninkrijk zal vergaan ; het grote huis, maar óok de woning van de kleine man. Israël is rijp geworden voor het gericht en om dat gericht uit te voeren staan natuurkrachten en vreemde volken de Heere ter beschikking.

Toch — God onderhandelt nog met Zijn volk. Hij zendt Amos naar het heiligdom van Bethel en laat Zijn woord nog uitgaan en deze opdracht aan Amos betekent een nieuwe genadetermijn voor een zondig volk, dat zoveel geduld en zoveel bemoeienis des Heeren niet heeft verdiend. Maar men liet Amos praten, ja, nog erger, zocht hem de mond te snoeren, men joeg hem weg en trachtte de fakkel van de waarheid, die de profeet droeg, te doven. Men wilde van het woord des Heeren ontslagen worden ; laat ons maar met rust. En nu komt de profeet in de naam des Heeren met de dreiging van het , , ergste teken van verwerping, wanneer God de Israëlieten van alle licht der leer zal beroven, zodat zij als blinden, in het duister zouden ronddwalen". (Calvijn). Vele jaren heeft de Heere Zijn handen naar dit volk uitgestrekt; als al deze bemoeienis des Heeren te vergeefs blijkt, dan zal de Heere het licht van de kandelaar nemen. — Honger is een scherp zwaard ; het is heel erg, als het brood schaars is ; als het allernoodzakelijkste voedsel gaat ontbreken, dan zwerft men door 't ganse land, op zoek naar brood, want zonder brood kan men niet leven. Maar, zegt de profeet : er is een erger honger dan de honger naar brood en een erger dorst dan een dorst naar water, en dat is een honger naar de woorden des Heeren, en die nood zal over het volk komen.

Maar is het dan geen onbeschrijflijk grote zegen, als een volk gaat hongeren en dorsten naar het woord des Heeren? Is het niet een wonder van Gods Geest, als de harten opengaan voor de rijkdommen van Gods getuigenis? Zouden wij niet blijde zijn, als zulk een wonder in het midden van ons volk in deze tijd zich voltrok? Waar honger is naar het Woord, zal daar de Heere niet verzadigen met het goede van Zijn woning? Uw Woord kan mij, ofschoon ik alles mis, door Zijne smaak èn hart èn zinnen strelen. Mijn ziel is bezweken naar Uw heil ; op Uw Woord heb ik gehoopt. Dat is alles waar. Gelukkig de mens, voor wie het Woord des Heeren spijze der ziele is, die hem verkwikt en versterkt en hem de weg met blijdschap doet gaan. Op Uw Woord heb ik gehoopt !

In het woord van Amos evenwel hebben wij met een benauwende dreiging te doen. Als wij brood wegwerpen, als wij het goede voedsel vertreden en vernietigen, als wij de goede gaven Gods verachten, dan weten wij zeer goed, dat de straf des Heeren daarover niet kan uitblijven. In dagen van schaarste, dan moeten wij meer dan eens met schaamte belijden : vroeger hebben wij het brood veracht en nu, nu is het er niet! Maar als dat geldt van het gewone brood, hoeveel te meer zal dat gelden van de hemelse spijze ! God zorgt voor brood, en elke dag is daar om ons te tonen, dat wij een ontfermend God hebben, die voor ons zorgen wil. Maar Hij zorgt ook voor geestelijke spijs. Ik heb niet genoeg aan alles wat de wereld mij bieden kan. En zo dikwijls als nu ons de zuivere leer wordt voorgehouden, zijn de handen Gods naar ons uitgebreid. Zo dikwijls als het Woord verkondigd wordt is dit „een bijzondere weldaad Gods en een getuigenis van Zijn Vaderlijke zorg" (Calvijn). Wij zijn van nature als de Israëlieten : men kon wel zonder dat Woord. Ja, dat is waar, het Woord des Heeren maakt het de wereldse mens moeilijk in het leven der zonde ; het Woord jaagt ons op uit onze zelfgenoegzaamheid, uit onze eigengerechtigheid. Aan Amos legde men het zwijgen op en men verjoeg hem van het heiligdom. Straks, dan zal ik de Heere wel zoeken en bij het scheiden van de markt zal ik mij wel zien te dekken ; als de deur van de ark dicht gaat, dan zal ik wel zoeken in te gaan en op het laatste moment wel zien binnen te glippen. — Maar de Heere is ons niets, schuldig, geen brood voor het natuurlijke, leven ; wat wij ontvangen is genade, en de Heere is ook niet schuldig, de geestelijke spijze van Zijn eeuwigblijvende Woord. Hij is vrij te geven op Zijn tijd, en te onthouden op Zijn tijd.,

Wij staan met alle gaven des Heeren in het heden der genade.

Aan het volk van Israël zullen straks de uiterlijke gaven ontvallen, maar het ergste zal zijn, dat dan het volk geen God tot troost heeft. Nu heeft Israël geen oog, hoe rijk zij zijn, dat hun de woorden Gods worden toevertrouwd ; maar als hét woord van Amos in vervulling zal gaan, dan eerst zullen zij verstaan, hoe zij vroeger het woord niet hebben gewaardeerd. Opgejaagd door innerlijke onrust en onvrede, zal men gaan zoeken naar een woord des Heeren hier en een woord des Heeren daar. Innerlijk gekweld door de beschuldigingen der consciëntie, zullen zij zwerven door het ganse land, van de Middellandse Zee naar de Dode Zee en van de Libanon en in het Noorden naar verstverwij derde streken in het Oosten. Wat een arm volk ; zij hadden zo rijk kunnen zijn, maar zij hebben niet gewild. De Héere heeft geroepen, maar zij hebben geweigerd ; de Heere heeft Zijn hand uitgebreid en daar was niemand die opmerkte ; zij hebben al de raad des Heeren verworpen en Zijn bestraffing niet gewild.

Aan vele poorten zal men aankloppen ; bij denkers en dichters zal men het zoeken, maar de leegte blijft en de onrust blijft; woorden zal men wel vinden, maar woorden van mensen en woorden van beneden en niet van Boven. Het zal nacht worden vanwege het gezicht en duisternis vanwege de waarzegging. Men zoekt wel, maar gaat aan Christus voorbij! De eigenlijke nood des harten peilt'men niet en het woord ionde heeft men niet leren spellen ; het hart is voor de Heere gesloten. ''

Als Gods kinderen iets gevoelen van dë tekenen van Gods toom, dan zullen zij met beröuw en boete tot Hem de toevlucht nemen, opdat het oordeel afgewend worde en zij weer, het gevoel der genade en der verstroostingen des Geestes mogen deelachtig worden. Overal zoeken en niet vinden. Wij denken aan Ezau, aan Saul. De Heere antwoordde Saul niet, noch door dromen, noch door visioenen, niet door urim en tummim, noch door een profeet, en dat Saul, die zovele malen met de profeet en met het Woord des Heeren in aanraking was gekomen ; deze man vindt geen God meer, die spreekt ; in donkerheid gaat Saul's leven onder ; hij sterft in zijn overtreding. Hij heeft niet verstaan het heden der genade.

Ook wij kunnen niet zonder Gods Woord en het is de barmhartigheid des Heeren, die ons Zijn Woord voorhoudt ; Hij vermaant tot bekering en waarachtige verootmoediging; scherp is dat Woord en diep veroordelend, maar ook in die diepe veroordeling onder dat Woord zal Gods kerk zeggen : als Uw woorden gevonden werden, heb ik ze opgegeten.

De Heere onderhandelt ook met ons door dit woord van benauwende dreiging ; Hij geeft een genadetermijn en zegt : zoekt de Heere, terwijl Hij te vinden is, roept Hem aan, terwijl Hij nabij is. — Als wij die mensen eens waren, aan wie dit woord van Amos in vervulling zou gaan! Vandaag uiterlijk meelopen en meeleven, maar zonder waarachtig deel te hebben aan Christus, zonder hart te hebben voor het woord van veroordeling en vrijspraak. Maar Hij strekt Zijn hand nog uit en houdt niet op ons tot Zich te roepen. Voorwaar, wie Mijn Woord hoort en gelooft Die Mij gezonden heeft, die heeft het eeuwige leven!

Bt

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

EEN HONGEREND VOLK

Bekijk de hele uitgave van donderdag 28 januari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's