GEEN GEHEEL VAN OPVATTINGEN
Zoals wij gezien hebben, brengt dr. B. in zijn boekje , , Gods ène Kerk en onze vele Kerken" het vraagstuk terug op een waarheidsbegrip, dat door de veelheid van opvattingen de eenheid der kerk in de weg zou staan.
Sprekende over absolutisten en relativisten zegt hij dan : „Voor beiden is de Waarheid een geheel van opvattingen". „Men beschouwt de Waarheid als iets, wat de mens bezitten en waarover hij, beschikken kan".
Deze laatste uitdrukking krijgt bij sommige scribenten het air van een gevleugeld woord. Het is echter zeer de vraag, of de zin, welke men daaraan wil verbinden recht heeft en of er een goede zin aan verbonden kan worden. Dit echter terzijde om ons te bepalen bij het genoemde , , waarheidsbegrip als een geheel van opvattingen".
Er zijn in de historie inderdaad voorbeelden genoeg van personen, die het religieuse leven willen doen opgaan in een begrip of een gedachtensysteem. Het is waarlijk niet moeilijk om dergelijke systemen in de geschiedenis der wijsbegeerte aan te wijzen, maar dat heeft met de eenheid der kerk niet zoveel te maken en heeft eer tot haar verdeeldheid medegewerkt door een ongerechtvaardigde inmenging in het leven der theologie.
Onder die invloed is het ook, dat de theologie van haar fundament en methode werd afgeschoven in dagen van een overheersend rationalisme, zoals die in de geschiedenis der kerk zijn aan te wijzen, en inderdaad moet worden toegegeven, dat de theologische verwarring in onze tijd voor een niet gering deel daarvan gevolg is.
Niet alleen, dat het rationalisme nog altijd en bij velen een rol speelt, en waarlijk niet alleen bij de vrijzinnigheid, maar ook de verschillende pogingen, die zijn in het werk gesteld om de theologie te redden, zoals sommigen dat uitdrukken, hebben in de verwarring mede een aandeel gehad en hebben dat in hun nawerkingen nog altijd.
De ontwrichting van het kerkelijke leven in de reformatorische kerken kan dus aan een rationalistische ontwikkeling der theologie, voor een goed deel worden verweten en terecht, want de scheuringen in de reformatorische en met name in de gereformeerde kerken vinden wederom voor een belangrijk deel aanleiding en zelfs oorzaak in het zoeven getekende proces van theologische ontaarding. Hier te lande noemen wij de afscheiding van 1834 en de doleantie van 1886.
, , Onze vele kerken" zijn echter met deze argumenten nog niet verklaard, hoewel zij verder strekken dan menigeen onderstelt.
Dat moet reeds dadelijk blijken, als wij even over de grens van onze kerk heen blikken in de richting van de oecumenische beweging.
„Onze vele kerken" bereiken dan een niet gering getal. En deze veelheid te willen verklaren met dat gemeenschappelijk waarheidsbegrip als een geheel .van opvattingen, zoals dr. B. wil, lijkt ten enenmale ontoereikend en zelfs onwerkelijk. En dan nog dat zinloze om niet te zeggen onzinnige argument „van de waarheid als iets, wat men min of meer kan hebben, als iets, wat de mens bezitten en waarover hij beschikken kan".
Onzinnig, omdat het zo gewild misverstandig is en wij zeggen dat niet alleen aan het adres van dr. B., want ook anderen maken zich daaraan schuldig.
Het hele waarheidsbegrip wordt in een wanverhouding gezet, hoe men het ook bekijkt.
ïn de laatste jaren heeft men niet de waarheidsvraag aan de orde gesteld, maar alarm gemaakt met het woord waarheidsvraag en ook wel propaganda.
In het kader van hen, dié dat doen, zou het dus volkomen passen, dat gepoogd werd die waarheidsvraag met een waarheidsbegrip te beantwoorden, en dan zou het ook kunnen zijn, dat het in verschillende opvattingen uiteenviel.
Waarheidsvraag, waarheidsbegrip, vele opvattingen, het blijft alles even vaag en onbepaald of ieder denkt er het zijne van.
Zo is het ook weer niet helemaal, maar ondanks al dat manoeuvreren met de waarheidsvraag schijnt het voor velen echt Hervormd te zijn, als personen en groepen zo hun eigen opvatting hebben,
Datzelfde verschijnsel kan dan uitgebreid worden over „onze vele kerken". En dat schijnt dr. B. te bedoelen.
In gemoede vragen wij, of zij, die althans van mening zijn, dat de toekomst van het Christendom zou gered worden door een uitwendige zichtbare eenheid van de kerk geloven, dat zulk een eenheid zou bereikt worden indien men tegenover de werkelijke en vermeende veelheid van opvattingen van het waarheidsbegrip de stelling poneert : , , De Waarheid is in dé Schrift God zelf, zoals Hij in Zijn deugden en daden tot ons komt ? "
Voor degenen, die God kennen en in Hem geloven, is dat volmaakt overbodig, want, die door het Woord en de Heilige Geest onderwezen worden, leren zeer wel kennen, zowel tot hun verootmoediging en zelfkennis als tot hun vertroosting en eeuwige hope, dat God de Waarheid is. '
De Kerk des Heeren weet, dat God de Waarheid is en dat de Christus, die zegt „Ik ben de Weg en de Waarheid en het Leven", gezegd heeft, dat Hij in de wereld is gekomen om der Waarheid getuigenis te geven en dat Zijn getuigenis waarachtig is. Daarom ook is voor de kerk het getuigenis der Waarheid als de Waarheid zelf en ontvangt zij de Heilige Schrift als de levende stem Gods. De Waarheid is het Leven der Kerk, en deze vindt haar leven in de Christus der Schriften, gelijk zij zich ook door Zijn Woord en Geest tot leven gewekt weet.
Op deze dingen wijst ook het door dr. B. aangehaalde woord: , , Die uit de Waarheid is, hoort Zijn stem", want de Christus zegt: , , Ik ben de goede Herder; en Ik ken de Mijnen en word van de Mijnen gekend". (Joh. 10 : 14).
In het door hem genoemde opzicht is er derhalve voor de levende Kerk geen plaats voor de waarheidsvraag, want zo waarlijk Christus de Heere der Kerk is, zo waarlijk is Hij ook de Waarheid der Kerk en eert zij Zijn Woord als het getuigenis der Waarheid.
De Christus is ook geen begrip, geen waarheidsbegrip en geen begrip in welk opzicht ook, maar Hij is de levende Zone Gods, die ook ons vlees en bloed heeft aangenomen, de enige Middelaar Gods en der mensen, en de enige Weg der zaligheid. Aan hen die geloven, behoeft men niet te leren, dat Christus, de Waarheid, geen begrip is.
De levende kennis van die Christus is dan ook de gemeenschappelijke en waarlijk oecumenische kracht der Kerk en haar voorrecht.
De Kerk heeft ook geen andere wereldtaak dan die Christus naar Zijn Woord en bevel te prediken tot aan de einden der aarde en onder alle volkeren, m.a.w. van die Waarheid Gods te getuigen, waaruit zij leeft.
Christus, de Waarheid, kan niet worden gemaakt tot een systeem van opvattingen, waarover men geheel of gedeeltelijk beschikt.
Hij heeft zich eenmaal overgegeven in de handen der mensen, zodat zij macht over Hem schenen te hebben en over Hem schenen te kunnen beschikken, maar ook dit alleen, omdat Hij zich vrijwillig overgaf.
Weliswaar, dat over Zijn Woord in de wereld op allerlei wijze wordt beschikt, naar het schijnt.
Wij herhalen : naar het schijnt, want God waakt ook over Zijn Woord !
En dat wij over de Christus in de hemel niet beschikken, behoeft na het zoeven opgemerkte geen betoog.
Voor zover de opmerkingen van dr. B. over , , de Waarheid als iets, wat de mens bezitten kan en waarover hij beschikken kan, de Waarheid betreffen, zijn zij dus vrijwel overbodig, want de levende Kerk, die, uit de Waarheid is, denkt zo iets niet en die niet uit de Waarheid is, praat over dingen die hij niet verstaat.
Toch zal die opmerking van dr. B. en anderen over dat bezitten en beschikken der Waarheid wat bedoelen. Uit wijsgerig oogpunt zou men kunnen aannemen, " dat zij willen zeggen : Ziet eens, de Waarheid, n.l. God, is zo hoog verheven boven onze menselijke bevatting, dat wij daaraan niet reiken kunnen en alles, wat wij daaromtrent denken of zeggen, is niet anders dan een menselijk gestamel, dat aan de goddelijke werkelijkheid niet raakt.
Men zou daaruit twee conclusies kunnen trekken, die ook wel getrokken v/orden in de wereld. De éne is, dat men dan maar beter doet om er niet over te denken en te spreken.
Wie er zo over oordeelt, moet maar, eens beproeven, of hij dat onder alle omstandigheden kan volhouden.
De andere komt er eigenlijk op neer, dat het een ieder vrij staat over de goddelijke dingen te denken, zoals hij wil en dat wij elkander daarover niet lastig moeten vallen.
Onweerlegbaar echter is het feit, dat de mensen zelfs op zulk een wijze betreffende de Waarheid Gods nog niet zouden kunnen spreken, als er geen Godsopenbaring in deze wereld ware, die ook tot dezulken nog doordringt, zodat zij er op reageren.
Maar daarom ook als het onder de mensen over de , , Waarheid" gaat, dan gaat het over de Godsopenbaring en wel in de zin van het door God geopenbaarde. Dan gaat het over het algemeen Godsbesef, over enige waarheid aangaande God en Zijn werk ons in de Hei- Üge Schrift geopenbaard, of over menselijke reacties op wat er van, de openbaring tot hun bewustzijn door kwam.
Anders gezegd, dan gaat het over een goddelijke aangelegenheid, welke dank zij de openbaring menselijke gestalte heeft aangenomen en een plaats in het menselijk bewustzijn heeft ingenomen.
Als iemand in de kerk de waarheidsvraag dus aan de orde stelt of gesteld wil, zien, verraadt dat een twijfelachtig standpunt aangaande Bijbelse waarheden, welke klaarblijkelijk bij hem geen geloof vinden of enig stuk der confessie, dat men niet verstaat of niet aanvaardt.
Nog anders gezegd, de waarheidsvraag in de kerk betreft het getuigenis der Waarheid, dat ons gegeven is door de God der Waarheid. Let wel, dat ons gegeven is. , , Ik heb hun Uw Woord gegeven zegt de Christus" (Joh. 17). En de apostel Petrus zegt: , , Wij hebben, let goed op, wij hehben het profetische woord dat zeer vast is ! (2 Petr. 1 : 19),
Het getuigenis der Waarheid is ons gegeven. Dit getuigenis kan worden misverstaan en wij kuimen persoonlijk menen, dat wij het beter verstaan dan een ander. Dat Is ook wel mogelijk, want de waarheid kan bij één zijn, maar het is toch verstandig met het getuigenis der kerk te rekenen.
En nu weer „onze vele kerken" ? Eerst een vraag !
Zijn , , onze vele kerken" het in de grote, hoofdstukken der openbaring officieel zo oneens, als wij op haar confessies letten ?
De belijdenis van God de Drieënige, de schepping, de ^schepping van de mens naar Gods beeld, de val des mensen, de Middelaar enz. enz., hebben zij in dit alles niet veel gemeen ?
Of er dan geen dogmatische verschilpunten zijn ? O, zeker, niet zo weinig, en zeer belangrijke.
Maar dit brengt ons nu precies bij het punt, dat moest worden aan de orde gesteld. Met een stel van waarheden, dat op éénmaal kan worden tot zwijgen gebracht door een opmerking omtrent de boven ons allen verheven Waarheid.
Het grote stuk, dat de kerken onderling onderscheidt en scheidt — en voor een niet gering gedeelte ook de richtingen — is daarin gelegen, dat men over de weg der zaligheid, over de toebedeling der genade, niet gelijk denkt, maar zelfs zeer ver uit elkander gaat. De één verwacht het van het ambt, een ander van het sacrament, een derde van de werken, weer een ander van de genade Gods en hij zegt met de reformatie door het geloof alleen, terwijl er ook zijn, die zo goede verwachting van de toekomst en van de mensen en van zich zelf hebben, dat zij zich over geen van deze dingen bekommeren.-
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's