De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN

Bekijk het origineel

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN

12 minuten leestijd

II.

Zo zag men ongeveer 50 jaren geleden de ziekte der Kerk en trok er tegen te velde, om te saneren.

Nu, bijna 50 jaar later, lijken de oude fronten wel sterk verlegd, hoewel dat in de grond van de zaak toch veel minder het geval is, dan we vaak denken.

De Ethische Theologie is, althans naar het zichtbare, sterk afgenomen. Van onze kant kan dat weinig spijt oproepen. Anders staat het met de oude Confessionelen, die vlak naast onze deur woonden en ons nog het best begrepen. De linkervleugel onzer Kerk, de Vrijzinnigen, die thans in de Kerk zeer de wind mee hebben, vindt uiteraard de Gereformeerde Bond blijvend tegenover zich. We laten nu terzijde, of de Vrijzinnigen in de grond der zaak wel zoveel verschoven zijn als men wel aanneemt. O.i. is er reden dit vooral niet te naïef, maar zeer critisch te beoordelen. In alle gevallen is wel duidelijk, dat de Geréforrneerde Bond de „doorbraak" niet als een feit, " maar als een fictie ziet. Dat verklaart ook, dat de Gereformeerde Bond er niet voor voelen kan mee te werken aan een , , Gemeenteopbouw", die op de grondslag van de , .doorbraak" staat, omdat hij dat met een goed geweten niet doen kan. Vastgesteld kan worden, dat de Gereformeerde Bond generlei lust voelt, een meer vrijzinnige allure aan te nemen. Eerder drijft een pro-linkse kerkpolitiek, zoals we. die thans opmerken, de Gereform. Bond in de reactie, om nog wat stijler te worden, dan hij al was.

En dan komen we tot die grote groep, die men sinds Berkhof's boekje pleegt te noemen : de middenorthodoxie. We willen niet vergeten, dat deze uitdrukking heel licht iets hoogmoedigs en schampers krijgt, zoiets als : de schare, die de Wet niet kent. In die zin zullen we het zeker niet moeten gebruiken, willen we de stijle paden der Farizeërs niet volgen.

Maar wie de hier aangeduiden in de Kerk ontmoet, staat toch wel voor een ontstellende saecularisatie, een verwereldlijken, nu nog wel „religieus" omzoomd en getemperd, maar in de kern schrikwekkend slap en wetteloos. Wie, de vaderlandse Kerk ook maar een weinig kent, ziet hier, met weinig verandering, de oude , , Rekkelijken" voor zich, die even scherp afwijzend stonden tegenover de , , Preciezen" als de middenorthodoxie de Geref. Bonders pleegt te schuwen.

Als we dat zo zeggen, dan praten we niet klakkeloos dr. Berkhof na. We hebben daar eenvoudig de kans niet toe, want elk van ons heeft in eigen gemeente een groep middenorthodoxen, , waarvan hij zichzelf een levend beeld leert maken. Het treft ons dan, hoe moeilijk deze onze gemeenteleden, ook als ze , , van goeden wille" zijn, een gereformeerde prediking kunnen verstaan. Het is altijd weer : te somber, te zwaar, te vreugdeloos. Als ge dan,  preekt, dat de vreugde des heils er niet is, noch zijn kan, zonder de droefheid naar God, om ons zelf, ook om ons christelijke zelf, dan vermag óok dat de ban niet te breken; Dat maakt verdrietig en moedeloos'; We zijn en blijven, met hoeveel tact. en paulinische, soepelheid we ons mogen bewegen : de mannen van de nachtschool, de gehate en gevreesde , , Bonders".

Naar die kant is onze plaats inroiïze. Hervormde Kerk waarlijk niet makkerlijk; En dat is zeker nog verergerd door dat de oude Confessionelen, vrijwel verdwenen zijn en de jongere Confessionelen, voor een groot deel, hand en hart aan Karl Barth hebben gereikt, niet ten voordele van Kerken Theologie.

Deze overgang kan ons niet verwonderen. Earth's gestadige angst tot het subjectieve, sluit wonderwel aan bij de voorliefde der Confessionelen tot, het objectieve. Toch verwondert ons wel, hoe zij zo gemakkelijk Earth's afkeer van het objectieve, het in Woord en belijdenis „gegevene", dat dan juist hun kracht was, op de koop toe hebben kunnen nemen. Dat kan dan toch alleen een rouwkoop zijn. Voor ons besef heeft men een kostbare goed-bijbelse, en gereformeerde lading als ballast over boord geworpen, waardoor het kerkescheepje erg hoog op de golven is komen te liggen en daardoor een onzekere gang kreeg.

Als we dat zo opmerken en daarover nadenken, dan schiet het ons te binnen, dat ook de Confessionelen (Groen van Prinsterer) kinderen van het Réveil geweest zijn. Maar ze onderscheidden zich van de Ethischen, doordat zij het gereformeerde dogma weer tot eer wilden brengen. Dat lijkt ons uitermate hoopvol en veelbelovend. Maar dat huwelijk is toch wel heel onvast gebleken. Althans het gereformeerd erfgoed, dat de Confessionelen inbrachten, is sindsdien onrustbarend ingekrompen, zodat de afstand tussen de Gereformeerde Bond en deze nieuw-Confessionelen begrijpelijkerwijze evenredig is toegenomen.

Ziehier een summiere tekening van het aspect, dat onze kerk ons in hoofdzaak lijkt te vertonen.

Onze Gereformeerde Bond beschouwt dit als een ziektetoestand. Een verontrustende vervlakking en vernatuurlijking van het leven breekt zich baan. Dr. Berkhof heeft het niets te fel belicht : wegdrukken van de Wet, afdoen van de christelijke zede, zonder er nieuwe normen voor in de plaats te stellen, de , , goedkope genade", een gemakkelijke beschouwelijkheid, enz.

Als de Gereformeerde Bond zich daartegenover stelt, dan is dat niet, zoals we al aanduidden, om gemakkelijk te zeggen : Die anderen, dat zijn allen of bijna allen dwalende schapen. Maar wij, wij alleen hebben ons bewaard, onbesmet van de wereld. Deze houding wordt ons nog al eens toegedicht en we zullen werkelijk hebben te waken tegen voze zelfverheffing. Toch zeggen we in grote bescheidenheid, dat, wie een tijdlang verkeerde buiten onze kring in een, laat ons zeggen, middenorthodox milieu en daarna weerkeert in zijn oude sfeer, zeker God danken zal voor de vele kostbare dingen, die onder ons nog leven. We denken aan de eerbied voor het Woord, het sterk besef van het Heilige en de heiliging, de grote belangstelling voor de eeuwige dingen, die we elders zeer pijnlijk hebben gemist.

Maar deze schat hebben wij wel degelijk in aarden vaten. Wie zijn kring en zichzelf een weinig kent, die weet, dat er ook onder ons vele zwakken zijn en velen die slapen. We zijn toch werkelijk niet zó homogeen, al lopen de scheuren wel anders, dan men vaak meent!

We dachten, het zó te kunnen stellen. Ook in onze Bond merkt ge nog de sporen op van het Réveil, al zijn die, sterk teruglopend. Zo goed als de Confessionede Vereniging gepoogd heeft, Réveil en gereformeerde dogmatiek te, verenigen, heeft ook onze Bond dat bedoeld. En dan is daar het gereformeerde gehalte overheersend geworden. Maar niet geheel. Als wij de gemakkelijkheid zien, waarmee men zich, ook onder ons, van zijn kerk losmaakt, omdat zijn behoeften niet bevredigd worden, en we de oorzaken naspeuren, die dat ten gevolge hebben, dan kan men heel wel op Labadisme en het conventikelwezen van de 18e eeuw wijzen en daarachter op nóg oudere factoren, maar dan lijkt het ons toch onhistorisch, voorbij te gaan aan het meest recente verleden, d.w.z. de 19e eeuw : Réveil en Afscheiding. Het Réveil was ook zeer onkerkelijk. Als men maar „een goede waarheid" kon horen, werd al het andere weinig geteld. Onder ons óók al te zeer. Het gemak, waarmee men evangelisaties opricht, zonder de laatste noodzaak daartoe, mocht onder ons wel meer onrust wekken. En ook die neiging tot overgeestelijkheid, die Woord en Sacrament zo kan bagatelliseren, laat zich het dichtstbij in het Réveil aanwijzen, hoewel daaroverheen ook de erfenis van eeuwen meespreekt.

Dit subjectivistische, waarvan we nu niet nagaan, of het samenvalt met de „doperse geestesrichting", hebben velen onzer van het Réveil overgenomen. Andere dingen, juist zeer waardevolle, zijn blijven liggen. We bedoelen het blijmoedig getuigenis, een spontane zekerheid des geloofs, een sobere, maar zeer echte blijdschap des heils, die het Réveil op een wijze gekend heeft, die ons jaloers kan maken.

Misschien zal geantwoord worden : Ja, maar dat is dan wel het gevolg daarvan geweest, dat men de gereformeerde dogmatiek weer volop tot ere bracht!

Dat spreekt zeker mee, zelfs op een heilzame wijze, maar het is toch o.i. niet de juiste verklaring. We vrezen, dat hier wel heel sterk in rekening moet worden gebracht de overheersing van een verkiezingsidee, die men voor gereformeerd heeft gehouden, zonder dat ze dat was in de klassieke zin. Het is toch wel zeker, dat tot de merktekenen van onze prediking behoort, dat de schaduw der verkiezing over alle dingen glijdt en er ook wel op blijft rusten, drukken. Met nadruk zeggen we : de schaduw, de schrik der verkiezing. Maar veel minder leeft, in ons geloofsleven en in de prediking : de glans, de troost der verkiezing, of liever: van Gods verkiezende genade.

Calvijn handelt immers over de verkiezing Gods, niet in het begin, maar tegen het eind van zijn Institutie, n.l. als hij spreekt van de toepassing van het heil. Dus voor hem is Gods verkiezing niet een vooropgezette idee, van waaruit geredeneerd en geconcludeerd kan worden. Maar wij leren ze, „na deze" verstaan, in de ontmoeting met Gods genade in Christus, door de Heilige Geest en zo als verrassing, achteraf.

Zo staat bij Calvijn het Evangelie niet onder de ban van een afgetrokken, beredeneerde verkiezingsleer. Maar het Evangelie, waar het geloofd én omhelsd wordt, waar het openbaart, hoe God in Zijn genade het arme van de wereld verkiest en hetgeen niets was, daar is het een levende, presente werkelijkheid, waarin de zekerheid des geloofs en des heils rust. Wij zullen alleen maar spijtig kunnen erkennen, dat dit in onze gemeenten veel te weinig leeft. Ligt de schuld soms o.a. ook in onze prediking en zielszorg ?

De verhouding en verbinding van Evangelie, verkiezing en zekerheid des heils lijkt ons, vergeleken bij Calvijn, zeer verschoven en dat komt tot uiting in een vergelijking van Calvijn's prediking en de onze. Calvijn heeft zeer wel geweten, dat wij , , in hope" zalig zijn. Men verwijt hem zelfs, dat hij dat veel te sterk doet. Maar toch preekt Calvijn vanuit de zekerheid van Gods verkiezende genade, die in het Evangelie geopenbaard is. De mens, die zich als zondaar voor God kent en belijdt, smaakt die zekerheid, spontaan, bij verrassing, door de Heilige Geest en ziet achteraf Gods hand, Gods Raad, in alles, wat daarheen leidde.

Dat leidt tot een ander type van prediking dan dat onder ons veelvuldig voorkomt en dat veroorzaakt, dat zeer velen blijven staan in de voorhof der bekommerden en heilbegerigen en maar niet doordringen tot het Heiligste en Allerheiligste van de verzekerdheid en de echte blijdschap des heils.

Deze stand van zaken kan ons overvloedig stof geven tot zelfbeproeving. Als wij anderen in gebreke moeten stellen, laat ons vooral niet aan ons zelf voorbijgaan. Is het hart der kerk ziek — en de belijdenis van Gods verkiezende genade is het hart der kerk —, dan moét de kerk wel ziek zijn. En alle zoeken naar genezing beginne bij dit hart!

In kerkbegrip en kerkbesef, in het wèl verstaan van Gods verkiezing hebben wij heel zeker een paar zwakke, zieke plekken.

En daar komt nog wel wat bij. De, verhouding van geloof en bekering, geloof en wedergeboorte, is onder ons zeer controvers. Merkwaardig en bedenkelijk die voorliefde van velen onder ons voor woorden als : wedergeboorte, bekering, bevinding, boven, wat toch het zelfde is : een levend geloof.

Het is toch wel oergereformeerd te erkennen, dat de blijvende zonde het nieuwe leven in ons zeer ten dele doet blijven. Maar dan moeten wij ook wèl toezien, dat wij op dat zeer aanvankelijke nieuwe leven geen ongeoorloofde klemtoon leggen en er meer willen uithalen, dan er in kan zitten. De kern en de grond van ons heil is toch niet : het ethische, of wilt ge: mystieke, n.l. Gods werk in ons, in wedergeboorte, bekering. Maar het hart van ons heil, hoezeer er een werk Gods, des Heiligen Geestes, in ons is en zijn moet, blijft toch : het religieuze en dus het geloof in Christus, die goddelozen rechtvaardigt. Hier staan de Labadie, een ontspoord Piëtisme en Kuyper als waarschuwende voorbeelden !

De vrees voor het woord : geloof onder ons, valt wel te verklaren. Er is en wordt veel mee gesold. Allerlei tijdgeloof en praatgeloof heeft men er onder willen begrijpen en dat wekt begrijpelijke reacties. Maar dat geeft ons nog geen reden, om dan maar , , gemeen" te achten, wat God geheiligd heeft !

Het sluit hier al weer dadelijk op aan, hoe weinig er met name in de leer van de Heilige Geest, onder ons eenstemmigheid heerst. Wat blijft het veel te veel abstract en schraal, hoe weinig concreet en levend ! Wat men Barth verwijt, vinden we ook bij ons zelf : de eeuwigheid drukt gedurig de tijd en het leven in de tijd dood. En dan blijft er niet over dan dorre schema's en praten over de zaak.

De bevinding, ook al weer in verband met het zo even genoemde, is onder ons ook nog vrij controvers, ja, ze is nog maar nauwelijks behoorlijk aan de orde gesteld. Hier is voor ons nog veel te doen. Want „bevinding" is werkelijk niet alleen iets, dat op gereformeerde grond gevonden wordt. Ook het Réveil, dat we met opzet weer noemen, kende een , , bevindelijke" stroming, die verbonden was aan ds. Laatsman van Rheden. Ze is tenslotte droevig verziekt in een gevoelsanarchie, velen tot beschaming.

De gereformeerd verstane bevinding, in verband met de zekerheid des heils en Gods verkiezing, heeft een heel andere structuur dan de bovengenoemde. Ze is de bevinding, de erkenning door de Heilige Geest van de waarachtigheid van het Woord van God, als Woord van Recht en Genade in Christus. En de bezegeling daarvan door de Sacramenten, waarin Gods heil wordt verzegeld, gesmaakt, bevonden. Onder ons is lang niet alles, wat zich als zodanig presenteert, de bevinding van Romeienen 5. Met name hier valt nog heel veel op te klaren en te saneren.

Met deze beknopte poging tot een diagnose van de ziekte en zwakheid der Kerk besluiten we. We pogen nu te komen tot het voorstellen van een therapie, de weg tot genezing.

(Wordt vervolgd).

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

WEGEN EN MIDDELEN TOT SANERING VAN ONS KERKELIJK LEVEN

Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 februari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's