De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

Wegen en middelen tot sanering van ons Kerkelijk leven

Bekijk het origineel

Wegen en middelen tot sanering van ons Kerkelijk leven

16 minuten leestijd

III

Wanneer we handelen over de genezing onzer kerk, dan spreekt het wel van zelf, dat we daarbij doelen op het middellijke. Wij hebben zelf niets te genezen. De Heere is onze. Heelmeester, Hij zal ons behouden, zei de profeet van ouds. En het is toch onder ons ook geen geheim, dat wij die genezing niet verwachten van onze kerkpolitiek, maar van Gods Heilige Geest, de Geest van Christus, die alleen levend maakt.

Wat zullen we nu moeten aanbieden als oplossing en uitweg ? Zeker zal worden teleurgesteld, wie van ons verwacht iets van Columbus : een reis naar verre, nooit geziene landstreken. We zien onze taak veel eenvoudiger. Eerder als die van een Jozua, die rondtrekt als verspieder en de zwakke plekken van het land opmerkt, die versterking behoeven.

We zullen pogen te wijzen op onontgonnen gebieden, verstopte bronnen, waaruit een zegen kan ontspruiten voor kerk en volk.

We spreken daarbij over de genezing van wat bij anderen èn bij ons zeer ziek en stervend is. Daarbij kunnen we niet splitsen. Want we staan allemaal in onze gemeenten niet voor één homogene groep, maar elk van ons ontmoet in zijn grotere of kleinere gemeente het richtingsgamma onzer kerk. We doen dus goed, hier de ogen open te hebben. Onze Bondsgemeenten zijn geen onneembare vestingen, bezet door mannen en vrouwen, die één van hart en ziel zijn, maar we hebben allen binnen onze muren andersdenkenden, andere richtingen of modaliteiten. En zo beleven wij allen elke dag, wat wij toch wel noemen mogen : de tragiek onzer kerk, die één moest zijn en zo gescheurd en gedeeld is. En we zien hier de moeilijkheden eerder groeien dan minderen.

Door de aanwas der bevolking, vooral door van buiten binnenkomenden, gaan tal van onze, gemeenten, die eertijds vrij homogeen waren, een veel gemengder karakter vertonen en bet ge^ volg is : minderheden, evangelisaties, strijd. De Veluwe en wat haar weelvaart kan hier voor symbolisch gelden. Maar deze zaak laten we rusten. Ze vereist een aparte grondige behandeling.

We doen in alle geval goed, er sterk mee te rekenen, dat wij, als „bondspredikanten", in onze pastorale arbeid nooit enkel voor „bonders" staan, maar voor een zeer gevarieerde kudde.

Dus de aanklacht, die nog al eens tegen ons wordt ingebracht, n.l. dat wij ons zou zouden isoleren en van anderen terugtrekken, heeft toch werkelijk geen grond. Gesteld, dat we het wilden, we zouden het niet kunnen. En als we het deden, dan zouden we aanstonds van „generaal" over een divisie degraderen tot , , korporaal", zij het dan mogelijk : ere-korporaal van een kleine sectie.

Maar dan voelen we ook, dat wij geen betere bijdrage kunnen leveren aan een herstel van heel de kerk, dan door het onder elkaar eens te worden over de fundamentele vragen. Wat onder ons, in engere kring, aansterkt of zuiverder wordt, dat komt zo aanstonds aan heel de kerk ten goede.

We zien daar ook uit, dat het apostolaire en het pastorale aspect, dat naar onze smaak in deze tijd zo tegenover elkaar gesteld wordt, toch werkelijk he.el dicht tegen elkaar aan - en zelfs in elkaar liggen.

Wij zijn allemaal, of we het willen of niet, in één persoon predikant en evangelist. We voelen ons verontrust, dat aan het middenfront der kerk de evangelist zó grote nadruk krijgt, dat het pastoraat, de belijdenis toch wel zeer in het gedrang komt. Maar als we eerlijk zijn, moeten we bekennen, dat ook in onze arbeid de evangelist het immers gedurig van de predikant wint. Tobben we er niet allen mee, dat de arbeid onder de randmensen, de afgedwaalden, zo'n groot deel van onze tijd verslindt, dat een wezenlijk pastoraat aan hen die binnen zijn, niet anders dan tekort kan komen ?

Het komt in onze prediking uit en ons dunkt dat hier een zaak op nodige sanering wacht. Is onze prediking niet vaak veel te evangelisatorisch en daarom haast uitsluitend bezig met het abc van de aanvangers ? Maar dan moeten we wel tekort schieten, als het betreft het bieden van vaste spijs voor de „volmaakten". Als we hier afbrokkeling zien, overgaan vooral naar de Geref. gemeenten, dan heeft dat o.i. heel vaak grond in klachten over onbevredigdheid, over een prediking, die te „algemeen" is, die op de diepere vragen van het geloofsleven te weinig ingaat, vragen, waarop althans sommigen toch nog een antwoord verwachten.

Hier ligt een moeilijke opgave. Want zeer velen in onze gemeenten zijn in geestelijk opzicht aan de kinderschoenen niet of nauwelijks ontwassen en hebben dus „melk" nodig. Maar de gerijpten, die er ook zitten en die vaste spijs begeren, al versmaden ze de melk niet, moeten van die zelfde preek dus toch ook het hunne ontvangen.

Sanering van de prediking in dit opzicht lijkt ons een eerste dringende eis des tij ds. We bedoelen dan vanzelfsprekend een prediking, geheel ingebed in een pastoraat, dat er op uit is, een ieder der huisgenoten het hunne te geven op zijn tijd.

En dat betekent dan ook, dat we zullen moeten ingaan op die punten, waar velen van onze mensen op „vast" zitten en waar ze licht in nodig hebben. Wilt ge een paar punten, die op de aangegeven wijze moeten worden behandeld: evangelisatorisch, maar ook pastoraal en theologisch, dan noemen we de vraag van geloof en verkiezing, ook : geloof - bekering - wedergeboorte - bevinding. Maar ook geloof en blijdschap, maar dat vooral tegen de achtergrond van het thema : geloof en verdriet, vooral ook om de blijvende zonde. Daar komen weer naast te staan : geloof en kerk. Preken wij wel werkelijk kerkelijk ? En dan vergeten we niet : geloof en sacrament.

Voor hoevelen onder ons leeft en spreekt het sacrament ? Het is goed bijbels en goed gereformeerd, alles op de éne , , kaart" van de prediking te zetten. We verkondigen niets nieuws, maar wel een zaak, die we nooit te vaak herhalen kunnen : wanneer in deze fundamentele zaak onze inzet onzuiver is, dan leeft en herleeft onder ons de kerk ook niet.

Dat betreft dan het materiële, de inhoud, allereerst. Maar meteen grijpt daarin het formele aspect van ons taalgebruik.

Met verwijt ons gedurig, dat we veel te veel onze aandacht onttrekken aan de buitenkerkelijken, de „planeten", om eigenlijk alleen met de „vaste sterren" te rekenen, d.w.z. „onze eigen mensen", die we dan aanspreken met een vocabulair en een terminologie, die de anderen maar niet kunnen verstaan.

En is daar niet veel waars in ? Preken we niet vaak veel te tijdloos, zodat een preek van die soort evengoed 100 of 200 jaar geleden zou kunnen zijn gehouden ? Maar dan moet de actualiteit (in de gezonde zin) toch wel erg matig zijn! En het is ook wel waar : ons spreken in een ouderwetse, verouderde taal heeft ten gevolge, dat men ons toenemen niet meer kan verstaan. Dat is heel begrijpelijk. Wij allen zijn immers gedrenkt in taal en beeld van onze Statenvertaling, die ons lief en eigen werd en die de ingewijde met weinig woorden veel zeggen. Maar we vergeten toch niet, dat ook onder ons Statenvertaling en oude schrijvers in toenemende mate dicht blijven en zo niet meer verstaan worden ? We zullen met dit harde feit toch wél moeten rekenen. De ouderen èn de jongeren hebben hier grote moeite en wij hebben tenslotte toch alleen maar tot taak, zó te preken, dat onze mensen God in Zijn recht en Zijn genade, in het Evangelie, in Christus te zien krijgen ?

Het moet daarom toegejuicht worden, en het moge de zwaluw blijken, die, een voorjaar brengt dat onze Bond voor Inwendige Zending er toe overging, met een traditie te breken, door in De Echo een poging te wagen tot een spreken van een heel andere taal, dan dat onder ons gewoonte was. Is het geslaagd ? De, buitenwereld heeft niet vriendelijk geoordeeld. Wij, kerkelijk ingereden mensen, hebben zeker moeite om de geluiden van de straat, die, vrijere, lossere toon te leren waarderen. Maar alle begin is moeilijk en toch heeft o.i. dit begin, vooral onder ons, beloften. Tegenover de vervreemden, maar ook wel degelijk tegenover de eigen mensen, die, ook nog wel mogen leren, dat op Pinksteren het ene Evangelie in zo verschillende talen en toch zo levend verstaan en geloofd werd.

De traditie is onder ons een sterke macht. Maar toch zeker de laatste en sterkste niet. We zullen goed moeten onderscheiden tussen beginseltrouw en conservatisme. Dat zal o.i. ook nog wel reden kunnen geven, een aanvankelijk vrij negatief oordeel over de Nieuwe Vertaling van de Bijbel te reviseren. Wie bij de Statenvertaling opgroeide, zal de Nieuwe Vertaling niet licht zo lief krijgen als de Oude. Maar we zullen er mee moeten rekenen, dat in onze kerk de N. V. zeker de toekomst heeft. En inplaats van deze ontwikkeling langs ons heen te laten gaan, doen we goed, onze critiek op zulk een wijze ter plaatse bekend te maken, dat die er toe meewerkt, dat bezwaren en gebreken worden overwonnen. En als dan tenminste de randmensen, , , de andere schapen", maar in sterke mate ook wel de jeugd, die onder ons al te weinig als probleem gevoeld wordt, op deze wijze het Woord van God te horen krijgen, waar anders onbegrepen klanken tot hen komen, dan zullen wij onze Heere God alleen maar kunnen danken en ons verblijden, dat Hij de God der eeuwen en der eeuwigheid is en niet de God van één eeuw en één spraakgebruik.

Als we samenvatten, dan lijkt ons nog altijd de eerste weg tot sanering onzer kerk : de sanering van prediking, zielszorg, catechese, en loutering van de motieven, die ze dragen.

Jean de Labadie heeft het pastoraat geëerd op een voor ons beschamende, wijze in zijn , , La Reformation de l'Eglise par Ie pastorat". Daarin wijst hij ons deze uitnemende weg naar sanering ; dat de wolven, die Christus' Kerk belagen niet worden verre gehouden door beroepsjagers, door eindeloze polemiek, maar door de herders, die hart hebben voor de Opperherder èn voor hun kudde.

Die herders hebben het dan ook niet makkelijk. Wat is ons leven veel meer gedeeld en bezet dan b.v. in de tijd van Beets en van Oosterzee !

Wie in zijn gemeente de gang van leven en dood poogt bij te houden en daarbij in Classis, Kerkprovincie of hele kerk ook iets van de lasten meedraagt, moet gedurig vragen : Is het eigenlijk wel verantwoord ? Kan ik nog pastor heten of ben ik eigenlijk niet veel anders dan een jachtopziener geworden? Dachten we, dat onze kerk daaronder niet lijdt ? En dan is het nog weer een extra triest aspect, dat onze geldmiddelen geen gelijke tred houden met de voortschrijdende saecularisatie, die het kerkewerk zo extra kostbaar heeft gemaakt ? Vele onzer gemeenten zijn veel te zwak bezet. Vergelijk eens, hoeveel zielen er b.v. in de Geref. Kerken voor rekening van een predikant komen en hoeveel bij ons. Men kent de pastor vaak meer van horen zeggen en mogelijk van horen preken, dan van horen spreken b.v. op huisbezoek. En toch moet het ons telkens weer treffen, dat het pastoraat, juist ook onder en na de kansel, in huis- en ziekenbezoek, in catechisatie en jeugdwerk toch wel de „penicilline" mag heten, die de zieke kerkeweefsels doortrekken en regenereren kan.

Als dus het pastoraat, intens beleefd, van zo grote zegen voor onze kerk is, dan heeft de opleiding tot de pastores ook zeker recht op onze levende aandacht. Dat hééft ze, onder ons zeer zeker. Maar we kunnen toch niet ontkennen, dat hier grote lacunes zijn, die schreeuwen om vervulling. Zal een kerk — juist een zieke kerk — geleid, gevoed, genezen worden, dan hebben we pastores nodig, met veel hart, maar zelfs ook met veel hoofd. Onze ervaring op het colloquium, dat toelaat tot de Heilige Dienst, die overeenstemt met de algemene indruk, geeft reden tot grote bezorgdheid. Wat is er veel gekeuvel en nagepraat, veel termengezwaai en pseudo-sartriaans pessimisme! Het zal heel onze kerk en ook onze groep alleen maar deugd doen, wanneer onze aandacht steevast gericht blijft op de opleiding der pastores. Onze theologische jeugd zal Schrift en belijdenis hebben te kennen maar ook verleden en heden, opdat ze verweer hebben tegen opdringende modernistische tendenzen in kerk en gemeente. Ook dat kan een factor tot sanering blijken.

Een ander punt, dat o.i. onvoldoende de aandacht heeft is de voorlichting van heel de kerk en van onze mensen aangaande onze doelstellingen. Het treft ons immers gedurig, hoe een kinderlijk (ook wel : kwaadaardig) misverstand heerst aangaande onze bedoelingen. Wij worden aan alle kanten verdacht en besproken. Het is te lang geleden, sinds onze Geref. Bond haar uitstekende brochure uitgaf : Ons kerkelijk standpunt. Later volgden enkele propagandaboeken en het Gedenkboek 1906—1931. Aan al die geschriften hebben we wat gehad. Daarna is deze vorm van voorlichting, helaas, gestaakt. En toch lijkt ze ons zeer nodig. De voorlichting van de periodieke pers is waardevol, maar is toch weer te snel vergeten. Iets meer substantieels, dat blijft en kan worden nageslagen, zou mede kunnen bijdragen tot versterking van de werfkracht van liet gereformeerd beginsel. Ook dat moet tot sanering, opbouw bijdragen. Evenzo de actie onder de intellectuelen; die onze groep telt, opdat ze ook voor ons geen verloren groep worden. Het hier voorgedragene doelt alles op versterking van de binnenkant van het pastoraat.

We kunnen niet nalaten ook te spreken van de buitenkant er van, met name over onze plaats in de kerk onder de nieuwe Kerkorde.

Dan zal wel aanstonds moeten — en kunnen vaststaan, dat we leven onder deze Kerkorde ; dat we er onder moeten leven, maar ook blijken te kunnen leven. Waar men uitkomt, als men saboteert, hebben we zeer onlangs kunnen opmerken en daar willen we heel zeker niet heen. Onder ons wordt de Kerkorde van 1816 en die van 1951 nog al eens vergeleken. Sommigen komen tot de conclusie, dat de oude dan toch nog te verkiezen is boven de nieuwe. Daarop zou ondeugend kunnen worden geantwoord, dat dat heel veel lijkt op een verheerlijking van deze oude Kerkorde, waaronder wij zeggen, te hebben gezucht en om welker afdoening we zeggen gebeden te hebben. Natuurlijk bedoelt niemand zo'n verheerlijking. Maar ook niet degene, die als zijn mening uitspreekt, dat de Kerkorde van 1951 dan toch lichtpunten heeft, die we niet moeten negeren. Ze is toch wel een andere dan die van 1816. En wij moeten toch wel geducht onderscheiden deze Kerkorde zelf en de geest, waarin ze gehanteerd wordt. Als wij op dit ogenblik leefden onder de Dordtse Kerkorde en de constellatie in de kerk was gelijk, dan zouden de klachten van nu zeker ook gehoord worden. Het lijkt ons dan toch geen kleine zaak, dat in Classis, Provinciale Kerkvergadering en Synode kan worden gesproken op een wijze, waarop dat vóór '51 volkomen uitgesloten was. Wie dat niet telt, veracht de dag der kleine dingen. Als wij te klagen hebben over de Commissies, dan weten we toch ook wel, dat in de oude tijd de klachten ook vele waren over synodale deputaten ?

Moeten we dan met alles meedoen ? Gevraagd wordt aan te geven welke lijn we hebben te volgen in het brede kerkelijke leven. Hoe verhouden we ons tot de anderen ? We antwoorden daarop door in herinnering te brengen het zeer plastische beeld van wijlen prof. Visscher van de paardenstaart, waaruit heel wat haren kunnen uitvallen, eer ze ophoudt, een paardestaart te zijn. Iemand kan vele ketterijen hebben en toch nog een christen zijn. Dan zou ons kunnen aanspreken het woord van Gomarus (? ) : Ik veroordeel niemand, in wien ik iets van Christus vind. Maar nog beter het woord van de apostel Johannes, dat een ieder, die belijdt, dat Jezus is de Christus, uit God geboren is en dus een broeder.

Maar dan heeft het ons altijd te gaan om klaarheid en waarheid. Als men als Hervormd predikant gebonden is aan het I.K.O.R. voor de radio-uitzending van kerkdiensten, dan zal daarvoor begrip moeten zijn en geen al te makkelijke kritiek. Maar dan zullen we toch ook moeten waken tegen het gevaar, dat op deze wijze een eenheid gesuggereerd wordt, die er niet is.

Het is erg makkelijk, in dit alles maar aan de kant te blijven staan en de handen thuis te houden. Sanering werkt dat echter zeker niet uit. Dat is een makkelijk ontlopen van verantwoordelijkheden, dat zich bitter zal moeten wreken. Men moge daarom een collega, die meent, om des gewetens wille, op enige post te moeten gaan staan, met sympathie steunen en niet te makkelijk van verraad aan onze beginselen betichten. Het zal o.i. niemand berouwen, deel te nemen aan b.v. de arbeid der visitatie.

Naar onze ervaring is deze werkelijk op hoger, pastoraler peil gekomen dan de armoedige, administratieve visitatie van vroeger. Onze kerk heeft onze critiek in dit alles hard nodig. Dat kan alleen genezend werken. Maar dan moge toch vooral opbouw ons doel zijn, niet enkel de makkelijke negatie.

We spraken over sanering onzer kerk. We zagen die niet in buitengewone dingen, maar in een met hart en ziel ons toeleggen op het ambt, dat de Heere God ons gaf en waardoor Hij Zijn Kerk wil reformeren. Wie andere dingen verwacht had : gloednieuw en verrassend, moet wel zijn teleurgesteld.

We vergeten toch niet, dat de kerk, die de Heilige Geest uit het verloren nienselijk geslacht tot Christus vergadert, alleen maar een kerk kan zijn : onder het kruis ? Daar bedoelen we het Kruis van Christus mee, maar ook in ons zelf het kruis van de blijvende zonde.

We spraken van sanering onzer kerk. Maar dit wil vooral niet betekenen, dat we daarmee het Kruis weg saneren en een Hemel op aarde willen brengen.

Het diepzinnige woord van Pascal brengen we in herinnering, dat Jezus Christus (in Zijn Kerk) in doodsnood blijft tot aan het einde.

We verwachten van alle wegen en middelen tot sanering der kerk het laatste niet. Dat verwachten we zelfs van de Heilige Geest in deze bedeling niet.

Onze plaats in de Hervormde Kerk is geen benijdenswaardige noch gemakkelijke. Daarom dan toch juist : een gezegende. Ze vraagt van ons niet veel handigheid en venijn, maar wel het geloof dat spreekt in Ps. 130 : Is Israël in nood. Er zal verlossing komen. Zijn goedheid is zeer groot.

Deze weg tot sanering der kerk is het, die Calvijn bedoelde in zijn diepzinnig woord : Per mediam desperationem prorumpere convenit.

D.w.z. Het gaat er om, midden door de wanhoop door te breken.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

Wegen en middelen tot sanering van ons Kerkelijk leven

Bekijk de hele uitgave van donderdag 11 februari 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's