Weent niet over Mij!
En Jezus, Zich tot haar kerende, zeide: Gij dochters van Jeruzalem ! Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en uw kinderen ! Lukas 23 vs. 28.
De, lijdensgeschiedenis van de Heere Jezus Christus spreekt van twee optochten, gehouden vijf dagen na elkander.
De eerste is de intocht van Jezus in Jeruzalem.
De tweede is de uittocht van Jezus uit Jeruzalem.
Bij de eerste weergalmde de Olijfberg van het Hosannah-geroep; de Heiland reed in het midden van een scharej die met palmtakken zwaaide, en... Hij weende. Het vreugdebetoon verblijdde Hem niet, want Hij wist, dat het oppervlakkig was, gelijk een stroovuur, en dat het op een valse grond rustte. Men begroette in Hem immers niet de van God gegeven Messias, maar de Messias van eigen dromen en verwachtingen.
Tussen de jubel van de Palmzondag en de tranen van de Goede Vrijdag was geen wezenlijk verschil. Ook de droefheid van de Jeruzalemse vrouwen was een ras voorbijgaande gemoedsaandoening, welke, bovendien een valse oorzaak had. Zij beklaagden voor een ogenblik het akelig lot van de rabbi uit Nazareth, doch diepere gedachten en gewaarwordingen roerden zich in haar niet. Het bleef alles aan de buitenkant. Zowel door de palmtakken als door de tranen, is Christus in Zijn wezenlijke waardij miskend zowel de juichende als de schreiende mensen waren blind voor de eigenlijke betekenis van Zijn Persoon en werk.
En zo is 't ook nu nog ! Daar zijn vele duizenden, die ook in deze weken in overdrachtelijke zin aanschouwers zijn van het kruislijden van Christus, maar voor hoe weinigen zal dat kruislijden een troost voor het hart, vrede en rust voor de ziel zijn? En daarom hebben we onszelf nauwkeurig te onderzoeken en te vragen, welke betekenis het kruislijden van Christus voor ons persoonlijk heeft.
Deze vrouwen weenden en beklaagden de Heiland op zijn smaadvolle weg naar Golgotha. Ze weenden, maar uit welke bron kwamen die tranen voort? Als we goed luisteren, vernemen we in dit klagen en wenen geen ware verbreking des harten. Zulk een wenen is niet hartvernederend. Het drijft de zonde niet uit en werkt geen onberouwelijke bekering tot zaligheid.
Vele tranen zijn geschreid onder een aandringende prediking of tijdens een samenspreking ; maar dat is nog geen bewijs van genade, ook al zien we liever een verbroken mens dan een koud gezicht. Het gaat echter menigmaal zó, dat tranen spoedig gedroogd zijn en dat gevoelige indrukken als vroeg opkomende dauw wegtrekken. Er verandert dan ook niets aan en in zulk een mens. Eerst wanneer niet onze eigen geest, doch de Heilige Geest er aan te pas komt, wordt het anders. Dan wordt er in het hart een droefheid geboren, welke wij niet met onze redeneringen en zelf-bedachte vertroostingen kunnen kwijt worden. We krijgen van doen met een heilig en rechtvaardig God. Deze vrouwen beklagen wel Jezus, maar zien Hem niet als het Lam Gods, daarom kunnen hun tranen niet behagen, omdat zij een miskenning van de Messias inhouden. In de smaad van Jezus zien zij niet en gevoelen zij niet mede eigen vloekwaardigheid. De zonde van deze vrouwen is, dat ze blind er voor zijn, dat aan Christus Gods rechtvaardig oordeel voltrokken wordt. De vrouwen letten alleen op wat mensen Jezué aandoen. Zij zien God niet. Zij zien Jezus alleen in Zijn verhouding tot de mens en niet in Zijn verhouding tot God.
Menselijk onrecht — dat zien ze. Goddelijk recht — dat zien ze niet. Als zij hier het recht Gods zagen, dan zou het voor haar de grote vraag worden : Als God Jezus zó vervloekt, hoezeer moet Hij mij dan wel niet vervloeken?
Deze vrouwen zeggen: , , Ach, die stakker !"
Maar Jezus zegt: , , Weent niet over Mij !", want Ik kan voor God verschijnen. Ik durf Hem recht in de ogen te zien. Want Mijn levensboom is groen en sappig en vruchtdragend. Wat klaagt ge dan, o vrouwen? Klaag veeleer over uzelf, want gij en uw kinderen moeten ook voor God verschijnen. En hoe zal dat aflopen? Wat zal er met u, die dorre en vruchteloze houten zijn, gebeuren? Durft gij de heilige God recht in de ogen te zien?
Neen, dat durft ge niet. Want ziet er komen dagen, waarin men zeggen zal : Zalig zijn de onvruchtbaren en de buiken, die niet gebaard en de borsten, die niet gezoogd hebben. Alsdan zullen zij beginnen te zeggen tot de bergen : Valt op ons !, en tot de heuvelen : Bedekt ons ! Want dan, zo besluit Jezus, zult ge met schrik tot de ontdekking zijn gekomen, dat ge dor hout zijt. En wat zal er dan met u gebeuren?
Als Ik, de enige groene boom in Israël, zo door God bejegend word, wat zal er dan wel met uw dorre levensboom geschieden? Wat zal dan uw toekomst zijn?
Hier is Christus' laatste bediening des Woords. Dit is Zijn laatste boodschap voor Jeruzalem, dat Hem uitgeworpen heeft. Wonderlijk klinkt Zijn sprake tot de vrouwen : „Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en uw kinderen". Dit is een machtwoord, een wónderwoord, een woord dat door het lijden heendringt en boven het lijden uitgaat. Dit is een woord van onderwijzing en terechtwijzing voor allen, die dwalen, die het misschien zo goed menen, maar toch zo verkeerd inzien.
, , Weent niet over Mij !" Dat zegt Hij tot allen, die Zijn Messiaswaardigheid verduisteren, hoe dit ook moge geschieden. Ook in verheven muziekstukken over het lijden en dramatische passiespelen. Het wordt alles als onreine offerande afgewezen. Hoeveel eigengerechtigheid gaat er schuil achter vroomheid voor het oog. Wat vlieten de tranen bij velen snel, wat is het hart week en groeit het medelijden ! En wat zijn ze rijk in zichzelf en onbekend met de diepe nood hunner diep schuldige zielen !
M'c Cheyne heeft deze toestand zo juist bezongen, toen hij zeide :
„Ik deed als Jeruzalems dochters weleer. Ik weende om de pijn van mijn lijdende Heer',
En dacht er niet aan, dat ik zelf door mijn schuld
Zijn kroon, had gevlochten. Zijn beker gevuld".
En toch is wenen noodzakelijk ! Een leven zonder zielesmart bergt een hart zonder leven. Noodzakelijk, want als God werkzaam wordt aan de ziel, dan komt er verbreking des harten. Neen, niet over de gevolgen der zonde, maar over de zonde zélf.
Daarom zegt Jezus : , , Weent niet over Mij, maar weent over uzelf en uw kinderen". Met priesterlijke barmhartigheid zegt Hij Koninklijk het oordeel aan over de zonde. Hij ziet het oordeel komen over Jeruzalem en hare bewoners. Ja, Hij ziet daar doorheen, in rechte lijn, het wereldgericht.
Eenmaal weende Jezus Zelf over Jeruzalem. Nu roept Hij op tot wenen. Terwijl Hij als priester heengaat om Zichzelf te offeren, oefent Hij nochtans Zijn profetisch ambt uit, tot de dood toe getrouw in de roeping, waartoe Zijn Vader Hem had geroepen. Wie Hem zó kent, mag wenen in het geloof en zich verliezen in de Man van smarten, die ons zo uitnemend heeft liefgehad. Het geloof toch heeft immer vochtige ogen, zelfs bij de hoogste vreugde, door verbrokenheid over zoveel eeuwige ontferming.
Alle ware aandacht voor de Man van smarten beginne steeds met weeklagend de hand tegen onszelf op te heffen. In den beginne verzetten we er ons tegen — en zij, die genade kennen, vallen telkens nog in het verzet terug — doch niettemin overreedt de Geest der waarheid ons, en slaan wij de met tranen besproeide bladen van ons schuldboek voor Hem open en roepen om erbarming.
De droefheid der wereld werkt de dood, maar de droefheid naar God werkt een onberouwelijke bekering tot zaligheid. Alleen om Christus' tranen en om Zijn offer kunnen de onze worden gedroogd.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 4 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's