De Waarheidsvriend cookies

Voor optimale prestaties van de website gebruiken wij cookies. Overeenstemmig met de EU GDPR kunt u kiezen welke cookies u wilt toestaan.

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies

Noodzakelijke en wettelijk toegestane cookies zijn verplicht om de basisfunctionaliteit van De Waarheidsvriend te kunnen gebruiken.

Optionele cookies

Onderstaande cookies zijn optioneel, maar verbeteren uw ervaring van De Waarheidsvriend.

Bekijk het origineel

BELOFTE EN WERKELIJKHEID

Bekijk het origineel

+ Meer informatie

BELOFTE EN WERKELIJKHEID

8 minuten leestijd

PROF. Dr. J. SEVERIJN

Deze titel van een geschrift van dr. Woelderink in 1945 verschenen geeft voor prof. Haitjema onmisbaar duidelijk de trefwoorden, waarmede hij de tegenstelling tussen de beide stromingen onder „de Gereformeerde richting" helder in het vizier kan krijgen (blz. 249).

En hoewel dit boekje betrekking heeft op de scheuring in de Gereformeerde Kerken, bewijst het toch, dat de auteur met dezelfde termen : „belofte" en „werkelijkheid" ook de spanningen onder de Hervormd-Gereformeerden nader kenschetst (blz. 250).

In dat boekje worden de , , synodalen" ook al in het verlengde gezet van het dopers spiritualisme", hetgeen prof. Haitjema toch ook nog al kras schijnt te vinden.

Het is er ons echter meer om te doen te ontdekken, wat prof. Haitjema nu eigenlijk bedoeld met die, tegenstelling , .belofte of werkelijkheid", waarmede dr. Woelderink hem zulk een bijzondere dienst schijnt te bewijzen. Het wordt enigszins duidelijk uit de aanhalingen, welke prof. Haitjema vermeldt : , , dat wij aan het beginsel der Reformatie te, kort doen, als wij het sola fide beperken tot het stuk der rechtvaardiging, waarbij wij vergeten zouden, dat al het heil ons geschonken wordt in de belofte, ook de Geest der wedergeboorte en des geloofs", (a.w. blz. 9) en verder : , , Hier ligt de reden, waarom het mij gevaarlijk en onschriftuurlijk schijnt van het werk des Geestes te spreken als van een realisering of aanvankelijke realisering van Gods beloften", (a.w. blz. 18).

Het schijnt nog al duidelijk: Het sola fide, door het geloof alleen, geldt niet alleen ten aanzien van de rechtvaardigmaking, maar volgens dr. Woelderink ook b.v. van de heiligmaking. Dat staat er wel niet bij, maar valt toch ook onder al het heil, en het spreekt duidelijker. Ik beweer niet, dat ook de heiligmaking niet onder het sola fide valt, maar dat zou betekenen, dat heiligmaking alleen belofte blijft, gaat tegen de Catechismus in. Deze leert weliswaar, dat ook de allerheiligste in dit leven slechts een klein beginsel van deze nieuwe gehoorzaamheid heeft, maar dan toch een beginsel. De heiligmaking blijft dan niet alleen belofte, maar een klein beginsel in werkelijkheid.

Volgens dr. Woelderink — en prof. Haitjema schijnt het daarmede eens te, zijn — wordt ook de Geest der wedergeboorte slechts geschonken in de belofte.

De vervulling, dier beloften, die in Christus ja en amen zijn, zou dus als zodanig in de toekomst des Heeren liggen, en in dit leven geen werkelijkheid, zij het ook in beginsel, worden.

Sola fide, door het geloof alleen, zou echt reformatorisch dus betekenen, dat wij in dit leven niets zouden smaken van de werkelijkheid der vernieuwing in Christus : Wij zouden slechts kunnen geloven, dat wij in Christus zullen gerechtvaardigd worden, zullen geheiligd worden, zullen wedergeboren worden enz. enz., alles in de toekomst des Heeren.

Dat zou dus reformatorisch wezen.

Wij vragen, wie maakt zich nu schuldig aan , , systeem" ? Of is dit geen sola fide — „systeem", dat ons hier wordt voorgesteld en dat de Reformatoren niet gekend hebben ? Wat is dat voor een opvatting van geloof en van rechtvaardiging, welke zich met zoveel klem als Reformatorisch en Schriftuurlijk komt aandienen ?

Het hier bedoeld geloof schijnt een werkeloos geloof te zijn, een wissel op de toekomst, als een document zonder leven, waarvan men zich moet afvragen, of het wel zo heel veel verschil maakt, of men zulk geloof heeft, ja dan neen.

En als de Geest der wedergeboorte zo buiten ons wordt gezet en alleen maar in de belofte dan vragen wij hoe kan het geloof dan de beloften in Christus omhelzen ?

In ieder geval heeft Calvijn aangaande deze dingen wat anders geleerd en men kan toch moeilijk zeggen, dat zijn leer niet reformatorisch is. Men kan ook niet weerspreken, dat hij geen andere leermeester begeerde dan Gods Woord en Zijn Geest, die hij immers de inwendige Leermeester noemt!

Het zal daarom zijn nut hebben, bij Calvijn eens te onderzoeken, hoe hij over het geloof en over de wedergeboorte denkt. Of de wedergeboorte bij hem ook alleen maar belofte blijft.

Wij slaan daartoe het derde hoofdstuk van het derde boek van zijn „Onderwijzing in de Christelijke Religie" op.

Onmiddellijk moet ons de titel van dit hoofdstuk reeds treffen, n.l. „Dat wij door het geloof wedergeboren worden". Daarmede wordt , , wedergeboren worden" dus tot een werkzaamheid van het geloof gemaakt. Wedergeboorte blijft dus niet belofte !

En, hoezeer Calvijn hier werkingen en werkelijkheid des geloofs bedoelt, kan een ieder reeds uit de eerste zinsnede lezen, waarmede hij dit hoofdstuk begint:

, , Ofschoon wij reeds in zeker opzicht geleerd hebben, hoe het geloof Christus bezit en wij door het geloof Zijn goederen genieten, zou dit toch nog duister zijn, indien er niet aan toegevoegd werd een uitlegging van de werkingen, die we gevoelen. (Cursiveringen van mij, S.).

, , Het zou nog duister zijn", zegt Calvijn, als dit laatste er niet aan zou worden toegevoegd, zo waarschuwt hij reeds tegen een dwaling, als wij in dit verband moeten aanmerken en bestrijden. Iemand zou toch het geloof als een Christus bezitten (dat zouden de aanhangers van de nieuwe theologie bij voorkeur zo al niet zeggen) en Zijn goederen genieten nog kunnen nemen, zonder de door Calvijn genoemde werkingen, als belofte !

Het is echter duidelijk, dat hij tegen een werkeloos geloof wil waarschuwen. En wat zullen wij hieraan nu nog toevoegen. Als wij door het geloof wedergeboren worden, zodat wij daarvan „de werkingen in ons gevoelen", is dat dan werkelijkheid, of alleen maar geloof in de belofte van wedergeboren te zullen worden ?

Ja enige regels verder geeft Calvijn rekenschap van het sola fide in de rechtvaardiging, waarbij degenen, die aan de reformatorische leer een andere leer willen onderschuiven, als met name genoemd worden. Hij schrijft:

„En het meest voor de hand zal voor ons liggen de overgang van het geloof naar de boetvaardigheid ; want wanneer we dit hoofdstuk goed kennen, zal des te beter blijken, hoe de mens alleen door het geloof en uit louter genade gerechtvaardigd wordt en toch van de genadige toerekening der gerechtigheid de daadwerkelijke heiligheid des levens (om haar zo te noemen) niet gescheiden wordt."

Dit laatste nu doen degenen, die het in deze met dr. Woelderink en prof. Haitjema eens zijn. Zij scheiden de daadwerkelijke heiligheid des levens van de genadige toerekening, omdat ze leren, dat al het heil ons geschonken wordt in de belofte en in dit leven, dus niet in de daadwerkelijkheid.

Om nog een plaats aan te voeren, wijzen wij op het zesde Hoofdstuk van ditzelfde boek. Ook hier spreekt weer de titel: Over het leven van de Christen.

, , Wij hebben gezegd", zo Calvijn, , , dat de bedoeling der wedergeboorte is, dat in het leven der gelovigen blijke een evenredigheid en overeenstemming tussen Gods gerechtigheid en hun gehoorzaamheid, en zij zo de aanneming bevestigen, waardoor zij tot kinderen zijn aangenomen.

En ofschoon die vernieuwing, door welke het beeld Gods in ons hersteld wordt, in Zijn wet vervat is, zal het toch, daar onze traagheid vele prikkels en ook hulpmiddelen nodig heeft, nuttig zijn uit verschillende plaatsen der Schrift bijeen te brengen de wijze, waarop wij ons leven moeten inrichten, opdat zij, wie de bekering ter harte gaat, in hun ijver niet afdwalen." (Cursivering van mij, S.).

In de tweede paragraaf zegt Calvijn o.m. : Het eerste is dit, dat de liefde tot de gerechtigheid, waartoe wij overigens van nature allerminst geneigd zijn, in onze harten worde ingedrupt en ingebracht ; het andere, dat ons een regel voorgeschreven zij, die ons in ons streven naar gerechtigheid niet doet afdwalen.

En iets verder o.a. : Dat wij, daar onze ziel en ons lichaam tot de hemelse on verderfelijkheid en de onverwelkelijke kroon bestemd zijn, er naarstig naar moeten streven, dat zij zuiver en ongeschonden tot de dag des Heeren bewaard worden. (1 Thess. 5 : 23).

Tegen het einde van dit hoofdstuk: „Laat ons dus niet ophouden het hierop aan te leggen, dat wij voortdurend iets vorderen op de weg des Heren, en niet de moed laten zinken vanwege de geringheid der vordering".

Dat is alles wel een beetje anders dan wat dr. Woelderink beweert, als hij het onschriftuurlijk noemt, van het werk des Geestes te spreken als van een realisering of aanvankelijke realisering van Gods beloften.

Maar Calvijn zegt: III. 3. 9. En deze vernieuwing wordt niet op één ogenblik, of dag, of jaar volbracht, maar door voortdurende, ja soms ook langzame voortgang doet God de verdorvenheid des vleses in Zijn uitverkorenen te niet.

Als dat nu niet reformatorisch, maar dopers is, dan houden wij het toch maar liever met deze „doperse" Calvijn dan met een voortzetting der reformatorische lijn naar het bestek Haitjema— Woelderink, dat welbeschouwd de leer van Calvijn zelf bestrijdt.

S.

Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen, vragen, informatie: contact.

Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing. Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this database. Terms of use.

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's

BELOFTE EN WERKELIJKHEID

Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1954

De Waarheidsvriend | 8 Pagina's