PSALMEN IN DE NACHT
En als zij de lofzang gezongen hadden, gingen zij uit naar de Olijfberg(Matth. 26:30).
In het boek Job wordt van God gezegd, dat Hij het is, die psalmen geeft in de nacht. En zie nu, God heeft ook aan Zijn Zoon psalmen gegeven in de donkere nacht van het lijden. Hij heeft dit gedaan langs de weg der gewoonte, zoals deze in de Joodse gemeente bestond. Het was immers de gewoonte om aan het einde van de Paasmaaltijd de lofzang te zingen : de psalmen 115 tot 118.
De Heere Jezus heeft bij Zijn laatste Pascha met Zijn discipelen aan dit gebruik willen vasthouden. We zouden denken dat Hij toch in die ogenblikken, zo vlak voor Hij de diepte van het lijden inging, allerminst in de stemming was om te zingen. En toch heeft Hij zich daaraan niet willen onttrekken. Hij heeft de psalmen gezongen en is er door getroost en gesterkt. Zijn Vader gaf Hem op dat moment psalmen in de nacht. En Hij deed het langs de weg van de goede gewoonte.
Mogen wij hieruit niet leren, dat het goed is om ons te schikken naar een goede gewoonte, ook in omstandigheden dat wij menen het niet te kunnen ? Hoe dikwijls heeft de Heere Zijn kinderen niet wonderlijk vertroost en gezegend in tijden van droefheid of doodsheid, als zij zelf meenden niet te kunnen zingen, maar toch, naar gewoonte, met de gemeente de psalmen des Heeren aanhieven ! Laten wij er dan op letten, hoe de Heere ons telkens weer langs de „weg der middelen", langs de gewone, ordelijke weg wil zegenen.
Wij weten, hoezeer de Heere Jezus de psalmen liefhad, hoe Hij daarbij leefde. Niet alleen in deze zin, dat Hij telkens Zijn gebed en smeking, Zijn lof en dank tot de Vader vertolkte door de woorden der psalmen, maar vooral ook zo, dat Hij wist hoe ook daar van Hem gesproken en geprofeteerd was. Immers ook in de rol van het psalmboek is van Hem geschreven, van Hem, de Messias, de Gezalfde des Heeren, van Hem de Lijdende Knecht en de Koning. Als de Heere Jezus dan ook de psalmwoorden op de lippen neemt, dan spreekt of zingt Hij de woorden, die Zijn Geest eertijds door de mond der dichters gesproken heeft.
En zie, het is juist ook om die reden, dat de gemeente van Christus de psalmen zo lief heeft. Niet alleen, omdat zij daardoor geheiligd zijn, doordat Christus zelf ze gezongen heeft, maar vooral ook omdat ze telkens weer zingen van haar Redder en Koning en van het heil, door Zijn werk haar toegebracht en dat in woorden door de Geest van Christus zelf gegeven. Daarom ook is het, dat allerlei andere geestelijke liederen en gezangen, hoe goed en schoon ze soms ook kunnen zijn, in rijkdom en diepte ver achterblijven bij de psalmen.
De Vader gaf Zijn Zoon psalmen in de nacht.
Toen Christus de lofzang zong, de psalmen 115 tot 118, zag Hij ook daarin het lijden weer voor zich, maar wist Hij het ook weer opnieuw, waar het om ging, om de ere van Gods Naam op deze aarde, om de verlossing van Zijn volk en wist Hij ook, hoe na het lijden de verhoging en de heerlijkheid volgt. Hoor, hoe Hij in de lijdensnacht Zijn nood aan de Heere geklaagd heeft:
„Ik lag gekneld in banden van de dood", en „Ik was benauwd, omringd door droefenissen".
Maar Christus mocht ook over het lijden en de dood heenzien en weten, hoe de Vader straks Zijn banden zou losmaken en Hem doen opstaan uit de dood. En Christus zong er van, hoe Zijn vijanden Hem omringden als bijen, hoe de Heere Hem hard zou kastijden, vanwege de schuld, die Hij op Zich had genomen ; maar ook, hoe de steen, door de bouwlieden verworpen, tot een hoofd des hoeks zou worden. En Hij hoorde het in diezelfde psalm, hoe er, omdat Hij ging lijden en sterven ter verzoening van de zonde, in de tenten der rechtvaardigen een stem des gejuichs en des heils zal zijn.
Zo heeft Christus, voordat Hij het duister van de nacht inging, met Zijn discipelen in de Paaszaal gezongen van de angst, de benauwdheid en het lijden, maar ook van uitredding, van vreugde en heerlijkheid na het lijden, voor Hem, maar dan ook voor al de Zijnen.
En zo is Hij getroost en gesterkt. En zo is Hij de nacht ingegaan.
Maar zie, omdat Christus zo, na de lofzang gezongen te, hebben, het lijden en de dood is ingegaan en de last van Gods eeuwige toorn tegen de zonde gedragen heeft en de zondeschuld van Zijn Kerk heeft weggedragen, geeft God de Heere weer aan mensen psalmen in de nacht, psalmen van hulp en heil. Hij geeft ze aan mensen, die met hun zondeschuld de toevlucht bij Hem zoeken, pleitend op Christus' volbrachte offer en zo Zijn vrede ontvangen.
Kent u zo deze psalm in de nacht ?
„De Heer' is mij tot hulp en sterkte Hij is mijn lied, mijn psalmgezang !"
De Heere kan ze geven, in slapeloze nachten, in tijden van ziekte en pijn, in ogenblikken van droefheid en strijd, ook in dagen van dankbaarheid en vreugde. Wat is Hij dan goed ! Wat is Hij goed, als Hij in de nacht, die wij door onze zonde over ons gehaald hebben en waar wij uit onszelf niet meer uitbreken kunnen, naar ons wil omzien.
Van ons mensen uit gezien, rest ons niet anders dan dat wij machteloos wegzinken in de nacht van eeuwige duisternis, waar geen lied meer gehoord wordt. Alleen doordat Christus de nacht des doods is ingegaan, en alleen als wij Hem ". als onze Borg en Middelaar in het waarachtig geloof ontvangen, is er bevrijding, komt er het lied in de nacht. Kent u Hem, Die na de lofzang gezongen te hebben, de nacht is ingegaan ? Ja ? Dan zingen we :
„'k Zal Zijn lof zelfs in de nacht zingen, daar ik Hem verwacht !"
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 18 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's