DAT ZAL WAAR ZIJN!
PROF. Dr. J. SEVERIJN
Als prof. Haitjema de waarheid afmeet naar zijn persoonlijk inzicht, zal het wel waar zijn, dat wij in zo grote stukken als de Schriftbeschouwing en de wedergeboorte niet overeenstemmen.
Als de strijd tegen allerlei subjectivisme achter prof. Barth aan zó wordt gevoerd, is er bij deze héren geen sprake van zo iets als bevinding. Als het er op aankomt is er in de gedachtengang van deze heren ook geen plaats voor persoonlijk geloof. Immers als zij consequent zijn, moeten zij God ook nog tot subject van het geloof maken. Zo consequent zijn zij in geschrifte ook wel en het is ook zo moeilijk niet daarvoor bewijsplaatsen aan te voeren.
Uit de aard der zaak kunnen zij het ook niet eenzijdig volhouden, want, waar komt al die theologie vandaan, waarmede zij zoveel boeken volschrijven ? Theologie zult gij zeggen, dat is altegader menselijk. En de inhoud dan ? Geldt deze niet de dingen des geloofs ? Kan iemand theologie drijven zonder geloof ? En als God dan Subject van het geloof is ? Is Hij dan ook het subject van zulk een theologie ? Zo kunnen wij verder gaan met vragen.
De dialectische methode verschaft hun gelukkige uitkomst —• of uitkomst? — in ieder geval zij kunnen vanuit het éne gezichtspunt negeren, dat zij uit een ander gezichtspunt hebben gesteld.
Alleen maar beloften en geen werkelijkheid !
Dat is intussen een gemakkelijk criterium.
En het zal niemand verwonderen, dat prof. Haitjema die werkelijkheidstrek in mijn geschriften gemakkelijk kan terugvinden. Ik schaam mij daarvoor niet, ook niet voor het feit, dat hij dit standpunt reeds gedurende decenniën bij mij aantreft, (blz. 250). Zou hij nu heus menen, dat ik met de nieuwe methode zou meegaan, omdat zekere „men" dat doet ?
De Heilige Schrift naar de , , geopenbaardheid" getrokken ! Dat schijnt haast een misdrijf in de ogen van de theologen die daartegen zoveel bezwaar hebben, alsof men God in een boek van papier en inkt opgesloten had, over Hem of over Zijn Waarheid beschikte, en dergelijke grote woorden meer, alsof men zich wil aanmatigen de Heere God tegen Zichzelf in bescherming te nemen.
Waarlijk de distantie tussen de mens en God gaat niet verloren, als iemand zo heel eenvoudig als werkelijk het Woord verstaat : de geopenbaarde dingen zijn voor ons en onze kinderen en de verborgen dingen zijn voor God.
Ik acht het ook volstrekt niet in strijd met de verhevenheid Gods de Heilige Schrift als geopenbaarde waarheid Gods te ontvangen en zo ook het Woord van de Christus te verstaan : Ik heb hun Uw Woord gegeven (Joh. 17 : 14).
En wat het beschikken over Gods Waarheid aangaat, is het dan ook niet zo, dat God Zijn Woord geeft, opdat wij het ter harte nemen? En is het daarom ook niet zó, dat wij het juist daarom ook kunnen verwerpen ?
Wilt gij dat beschikken noemen over Gods Woord, het zij zo.
Wie het Woord verwerpt, verwerpt de God des Woords. En, hoe zouden wij God kunnen verwerpen, als Hij niet gesproken had, want hoe anders zouden wij God kunnen verwerpen dan door Zijn Woord te verachten ? (vgl. 1 Sam. 8:7).
Wij wedijveren met alle rechtgeaarde theologen om onszelf en anderen voor ogen te houden, zoals de Schrift ook zelve leert, dat God de Heere eeuwig verheven is boven het schepsel, maar hoe zouden wij daarvan iets verstaan, als Hij de tekenen van Zijn Majesteit en goddelijke heerlijkheid aan ons niet had getoond? •
Wat voor Godskennis zoude er op aarde worden gevonden, als dat niet het geval ware.
, , Neen", zal prof. Haitjema zeggen, , , het feit, dat God zich openbaart wordt niet geloochend. Maar mijn bezwaar gaat tegen de opvatting van , , geopenbaardheid". Vergissen wij ons niet dan wil prof. Haitjema ook een algemene openbaring niet ontkennen. Hoe hij dat met de theologie van prof. Barth verenigt vragen wij niet, maar Calvijn spreekt in dit verband zelfs van indruppelen. Mij dunkt Calvijn en Barth staan nog al tegenover elkaar.
En ik zie niet in, dat Calvijn de Schrift tegen zich vindt. Zij stelt duidelijk, dat de mens zal leven bij het woord, dat de mond Gods uitgaat. En Hij beroept zich op hetgeen daar staat geschreven. (Vgl. Matth. 4:4).
En wat die mensen aangaat, die, alleen maar willen weten van belofte en van geloof in de beloften ?
Is het nu nodig te weten, wat die beloften inhouden ? Er werd gesproken van rechtvaardiging en wedergeboorte, dus in de zin van inhoud der belofte.
Wij vragen, hoe kunnen zij dat weten ? Zij zeggen, dat God dat alles belooft, maar hoe hebben zij die kennis verkregen en hoe mogen zij over die kennis beschikken, zó zelfs, dat zij het air aannemen, alsof zij alleen de waarheid hebben ?
, Op een of andere manier moet het toch in hun hart of in hun brein hebben postgevat ?
, , Maar", zal prof. Haitjema opmerken, wij ontkennen niet, dat God zich openbaart, maar wij verwerpen iedere opvatting van de Schrift, die de gedachte vertolkt, dat die openbaring in de mens ingaat, gestalte aanneemt, en als zodanig als geopenbaarde Waarheid gelding zou hebben, gelijk ook de Heilige Schrift voor ons die geopenbaarde Waarheid in objectieve gestalte bewaart.
En die beloften dan ? Is dat geen ge openbaarde waarheid, of gaan zij daarop niet terug ?
Wij vragen, wat is dan de betekenis en het waarheidsgehalte van die beloften ?
En zo ja, wat doet gij dan anders dan, wat gij anderen verwijt ?
Wederom zal een leerling van K. Barth antwoorden, dat hij niet loochent, dat God zich openbaart, maar dat hij opkomt voor de actuele openbaring. Openbaring is alleen openbaring, als zij actueel is. Die openbaring in haar feitelijkheid is en blijft goddelijk onderscheiden van het menselijke.
Als die vorm en gestalte aanneemt van geopenbaardheid is het geen openbaring meer.
Wij zijn echter van oordeel, dat de Godsopenbaring, zoals die daar in de Heilige Schrift gegeven is, altijd werkzaam en dus actueel is bij een iegelijk, die daarmede in aanraking komt, ook als hij zich daarvan ganselijk niet bewust Is en van die werkzaamheid niet onmiddellijk blijkt, God heeft de tijd. Dat zij alleen door het geloof wordt verstaan, dank zij de werking van de Heilige Geest, is daarmede niet in strijd. En dat niemand straffeloos het Woord, dat in zijn leven tot hem kwam, verwerpt, daarvan houden wij ons vast overtuigd.
Hoe begrijpelijk de strijd van K. Barth en andere theologen tegen het subjectivisme in de theologie der 19e eeuw ook moge zijn, en hoezeer deze strijd waardering moet hebben van allen, die met hen tegen de subjectivistische theologie staan, is de transcenderende methode, die hier wordt nagevolgd toch met het wezen der religie niet in overeenstemming te brengen.
Met Calvijn, met onze belijdenis en de gereformeerde theologen wijzen wij iedere theologie van de hand, die het criterium der openbaring in de mens, in zijn geweten, of in enig menselijk vermogen wil leggen, maar dat doet niet van de feitelijkheid af, dat Gods Woord is als een zaad, dat naar het wpord des Heeren in de akker der wereld wordt gezaaid en vruchten voortbrengt. En de Heere is ook dé Heer van de oogst, die te Zijner tijd de vrucht komt opeisen.
Mij dunkt, dat de gelijkenis van de zaaier een actueel beeld geeft van het Woord Gods in de wereld. En wie zal ontkennen, dat de Heilige Schrift in die wereld werkt als orgaan van Godsopenbaring.
Dat kan men nu wel geen werkelijkheid, noemen, maar men wachte zich toch voor zelfmisleiding.
En dan nog een gewetensvraag : Is dat alles actuele openbaring, zoals deze transcenderende mannen dat verstaan, wat zij over beloften schrijven en over werkelijkheid bestrijden ? Of is dat eigenlijk maar , , zuivere veronderstelling van het beredenerend verstand" ?
Ik denk ook aan een geciteerde zinsnede van dr. Woelderink : „Het testimonium des Geestes is in het hart van Gods kinderen niet onderscheiden van het testimonium des Geestes in de Schrift".
Het testimonium des Geestes in het hart, is dat een getuigenis in het hart van Gods kind, dus een werkelijkheid ja of neen ?
Of dat naast de Schrift staat of boven haar, daarover gaat het niet in eerste aanleg, maar wij hebben er belang bij, of dat getuigenis in het hart van Gods kinderen is, zodat zij geloven, dat die Schrift van God is. Dat zulk een testimonium gepaard gaat aan de Schrift, de Schrift onmiddellijk betreft, ja, voor Gods kind van de Schrift uitgaat, is niet in twijfel, maar hierop komt het aan, dat de belijdenis bedoelt, dat de Heilige Geest in het mensenhart dat getuigenis geeft als een inwendige Leermeester, gelijk, de Heilige Geesf door Calvijn dikwijls wordt genoemd, dan wel of dat bestreden wordt.
Volgende keer over de wedergeboorte.
S.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's