DE NIEUWE WEG
Feuilleton
door J. W. Ooms
VIII.
De mensen hebben hun afkeer en hun nukken, maar de kinderen kennen slechts de argeloze nieuwsgierigheid en daarom bewegen zij zich gemakkelijker door het leven.... tot ook die kinderen ouder worden en in hun volwassenheid beginnen te spinnen aan het weefsel der vooroordelen.
De kinderen begrepen niet goed, waarom hun vader en moeder niets moesten hebben Van de nieuwe weg. Die nieuwe weg was toch mooi, daar hij ontzettend veel te zien gaf ! Het af- en aanrijden van de zandauto's, de kleine puffende graafmachine en het werk van de vreemde mensen was de moeite waard om te zien. Dat hadden de werklui dan toch mee, : ze hadden de kinderen op hun hand. Al deden de meeste boeren, of die wegwerkers niet bestonden, of ze in hun ogen nog minder waren dan mieren — de kinderen keken met grote verbaasde ogen naar die vreemde arbeid, naar het gezwoeg van de vrachtauto's door het drassig polderland.
De, kinderen hadden geen afkeer van de nieuwe weg, want zij kenden het verleden niet en zij zagen de toekomst niet. Ze zagen enkel de ongewone bedrijvigheid van het grote werk en dat hield hun aandacht gevangen. Ze wisten wel, dat ze uit de buurt van het vreemde werkvolk moesten blijven, dat had moeder wel honderd keer gezegd. Maar zomin de kinderen het verleden kenden, kenden zij de gevaren van het ogenblik. En nu was er een nieuw en machtig ding in het dorp gekomen. Het was een stoommachine, die onder heidens lawaai lange palen in de weke dariebodem dreef. Die stoommachine was in de ogen van de kinderen een vurig monster van geweld. Soms kwamen er vlammetjes uit de zwarte pijp, dan leek het een vuurspuwend dier, dat gecommandeerd werd door de man die de machine bediende.
Er was voor de stoommachine van de zijde, van de kinderen een geweldige belangstelling. Wat hielp het vermaan van moeder, om vooral niet in de buurt van dat roetbrakende ding te komen? En vader kon honderdmaal zeggen, dat het veel mooier was om te kijken naar koeien en varkens dan naar zo'n lawaaiig gevaarte, toch trok de puffende stoommachine de belangstelling van de kinderen.
Op een Zaterdagmorgen liet de machinist van de stoommachine onder daverend geweld het zware heiblok weer neervallen op de tussen de stelling geplaatste paal. De kinderen drongen rond het puffende en sputterende gevaarte. De werklui riepen, dat ze op een afstand moesten blijven en dat ze geen last veroorzaken moesten. Een ogenblik ging het troepje kinderen achteruit, maar weldra stond het weer dicht bij het zwarte grimmige monster. De man op de machine geleek een kapitein op een schip : hij stond in ongenaakbaarheid de handle's te hanteren, hij was een stuk van het monster geworden.
Ook opzichter Mienema hield zich bij de stoommachine op. Hij had het toezicht over het heiwerk, dat hier op deze plaats beslist nodig was, want de grond geleek hier een zinkput, er was geen vaste onderlaag die houvast gaf aan het ontworpen profiel van de verkeersweg.
Terwijl al het werkvolk in de buurt van de stoommachine was en alles zich concentreerde op het noodzakelijke heiwerk, gebeurde het verschrikkelijke ongeluk. Niemand had het zien komen, niemand had gewaarschuwd, zelfs de machinist op het zwarte gevaarte had klaarblijkelijk geen rekening gehouden met die verschrikkelijke mogelijkheid.
58
(Wordt vervolgd).
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 25 maart 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's