De Opstanding en het Leven
„Jezus zeide tot haar: Ik ben de Opstanding en het Leven; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven". Johannes 11:25
Het Schriftwoord, waarover deze overdenking gaat, is, naar ge begrepen zult hebben, gekozen in verband met hét zo pas nog door de gemeente gevierde Opstandingsfeest. Nog klinkt ons vanuit de spelonk het woord in de oren: „Hij is hier niet, want Hij is opgestaan" . Het is in overeenstemming daarmee dat wij de heerlijke, uitspraak van de Heiland zelve overdenken : „Ik ben de Opstanding en het Leven ; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven".
Ook dit woord is gesproken bij een droeve plaats, bij een grafspelonk. De Heere Jezus heeft altijd de schoonste woorden gesproken, als Hij, gelijk hier, kwam te staan tegenover de diepste menselijke ellende. Onze ellende is Hem immers aanleiding geweest tot Zijn verlossend woord en werk. Dit is ook het geval in onze tekst. De schrikkelijkste vijand van het mensenleven, de dood, is binnengedrongen, en heeft een liefelijk gezin verwoest, een kostbaar leven meegevoerd, en de overigen in diepe smart achtergelaten. Want het is hier alles droefheid, wat ge in Bethanië opmerkt. En daaruit neemt Jezus nu aanleiding tot Zijn heerlijk levenswoord en werk. Ja, Hij heeft het zelfs 2o ver laten komen, dat Lazarus gestorven is, opdat Hij zich als de Levensvorst zou openbaren. Overal waar Jezus op aarde Zijn voetstap gezet heeft, glans het licht der genade tot op het kerkhof toe. Ge kunt het zien in de geschiedenis van Johannes 11. Jezus komt tot de beide zusters, die overgebleven warep, gelijk ook vele Joden tot haar gekomen waren om ze te vertroosten.
Christus brengt echter niet de banale troostwoorden der mensen.
Niemand troost bij het vers gedolven graf als Hij. Of is het geen hemelse troost, wanneer Hij betuigt: Ik ben de Opstanding en het Leven ? En om dit goed te verstaan, moet ge de, nadruk leggen op het tweede woordje , , ben". Jezus zegt hier namelijk niet wat Hij belooft, wat Hij schenkt, wat Hij waarborgt, al ligt dit alles er in opgesloten, maar Hij zegt, wat Hij is, n.l. de Opstanding en het Leven.
De ganse aarde staat onder de heerschappij des doods en de ganse, mensheid is aan de macht van de koning der: verschrikking onderworpen, want allen hebben gezondigd en ontvangen dus ook de bezoldiging der zonde, en zo liggen wij allen onder de schaduw van de ravenzwarte wolk des doods.
Maar midden in het dodenrijk staat er Eén, die leeft ! Eén die kan zeggen, dat Hij niet is wat de anderen zijn. Eén, die kan zeggen : „Ik bén de Opstanding en het Leven".
Zeker, ge hebt gelijk, als ge opmerkt, dat Hij toch ook dóód is geweest. Maar ge weet het toch ook van 't Paasfeest, dat Hij die dood volkomen overwonnen heeft, zijn kluisters afgeschud, zijn donkere kerker en majesteit verlaten om er later niet meer in terug te komen zoals de andere doden, die slechts voor een tijd opgewekt werden. Wat Christus in zichzelve heeft als de Middelaar Zijner gemeente, 't is het eeuwige, onvergankelijke leven : , , Ik bén de Opstanding en het Leven".
Jezus Christus is de grote : , , Ik ben" (ego eimi).
Hoor wat Hij tot de levenden zegt. Tot de hongerigen : , , Ik bén het brood des levens". Tot de dwalenden : „Ik bén de weg". Tot de weerloze schapen: „Ik bén de goede Herder". Maar hoor nu ook wat Hij tot de dode zegt : Ik bén de Opstanding en het Leven ; die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven".
Dat is de rijkdom van Jezus Christus.
Hij heeft een Evangelie voor de levenden en de doden : Zijn genade eindigt niet waar anders alles eindigt, zij wordt niet begrensd door het diepe graf of de holle spelonk, maar dringt door tot in het dodenrijk, en de stervenden die in Hem ontslapen, nemen de klank van het Evangelie in de donkere vallei met zich mede : „Ik ben de Opstanding en het Leven".
Wanneer deze goede boodschap bij de geopende groeve over onze kerkhoven ruist, komt er vrede en grote stilte in het fel-bewogen hart. Dit woord is beter dan de hulde van bloemen en kransen, beter dan een sentimentele toespraak, die alles zegt en vermeldt wat de dode geweest is, maar die zwijgt als het graf, wat hij eenmaal zal zijn, wanneer de graven zich zullen openen.
Dit woord van Jezus doet ons hemels licht zien in het duistere graf, opstandingslicht, dat nimmer onder kan gaan, .... het spreekt, ja, van een eeuwige toekomst in glorie, waar het natuurlijke hart al fluisteren moet : , , Heere, hij riekt al !"
Vergeet ook niet, wat Jezus er bij zegt: , , Die in Mij gelooft, zal leven, al ware hij ook gestorven". De betekenis van dit woord springt in het oog. Jezus heeft zichzelve eerst voorgesteld als degene, die uit de doden zou opstaan en daardoor een bron van eeuwig leven zou worden. En thans gaat Hij voort met te getuigen, dat wie met Hem door de geloofsband verenigd is, zoals de rank in de wijnstok rust, uit Hem een eeuwig leven ontvangen zal. Een leven dat zelfs voor de dood onaantastbaar is. Een leven, dat voortduurt al wordt het lichaam in de groeve geschonden, want wie in Hem gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven.
De dood vernietigt veel, maar gelukkig niet alles ! Het leven, dat door de Heilige Geest langs de geleiddraad des geloofs in onze ziel geplant is, kan niet vergaan. Het bloeit in ons binnenste zolang wij deze wereld bewonen.
Het wordt wel heel vaak in zijn ontplooiing belemmerd door de macht van de zonde, die ons aankleeft. Het ontvouwt zich helaas niet zo vol en heerlijk als moest, en mogelijk was. Maar het houdt toch tot op het laatste ogenblik stand. En wanneer het sterfuur slaat, dan wordt het niet in het graf geblust, want het is een werk van de Heere Zelve. De levensvlam laait dan juist in volle kracht op, omdat de zonde haar niet meer ten onder kan houden, en zo wordt het duidelijk, hoe Jezus kan zeggen : , , Die in Mij gelooft, zal leven al ware hij ook gestorven".
Onze doden leven, indien zij in Christus geloofden. Christus noemt de doden in Hem ontslapen, levenden, 't Geloof moest ze óók zo noemen, 't moest steeds zó aan hen denken, wij zouden dan nooit meer treuren als degenen, die geen hope hebben, onze rouw zou er door getemperd, onze droefheid er door geheiligd worden.
Neen, ónze doden zijn niet weg. Wij hebben ze alleen uit het gezicht verloren : zij zijn de scherpe bocht van de dood, op de leverjsweg omgegaan, ^jci we zien ze niet meer, maar zij wandelen voort, steeds dieper de eeuwigheid in.
Doodsgedachten worden gedachten des levens door het geloof. En dit geloof worde uw deel nu gij vóór de grote bocht van de levensweg staat. Het leven, dat na de dood blijft, moet vóór de dood in uw ziel beginnen. Vraag daarom u zelve af, of Christus ook voor u reeds de Opstanding en het Leven is geworden ! Want het is : leven óf dood, opstanding óf val. Vreselijk zal uw einde zijn, als ge buiten Christus blijft voortleven en straks de grote bocht in uw levensweg, moet omgaan, zonder een Borg en Middelaar. Dan zal het voor u nooit meer Pasen worden.
Maar wie in de Zoon gelooft, heeft het eeuwige leven, doch wie de Zoon ongehoorzaam is, die. zal het leven niet zien, maar de toorn Gods blijft op hem.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's