Het Verbond
REFERAAT, gehouden op de Predikantencontio van de Gereformeerde Bond, op 8 September 1953 te Utrecht. Bijbels-Theologische Studie.
II
Zó kon het genadeverbond in de tijd met de gevallen mens worden opgericht. Daarin wil de Heere, Die getrouw is en Zichzelf gelijk blijft, weer in gemeenschap treden met de mens, — Zijn goedheid wordt nu genade, dat Hij dit nog wil. En weer komt Hij opnieuw met Zijn beloften en weer neemt Hij de mens, ook na de val, als verantwoordelijk schepsel. Weer stelt Hij Zijn eisen. Maar die liggen in Christus vervuld, zodat ook de beloften alleen in en door Christus hun volle vervulling hebben en Hij er eigenlijk alleen recht op heeft, terwijl de Heilige Geest daar is, om dat alles toe te passen. Neen, ook in het genadeverbond wordt de verantwoordelijkheid van de mens niet opgeheven, — de Schrift wijst daar gedurig op, — maar daarin wordt ook ten volle gerekend met en voorzien in het feit, wie de zondaar is - en hoe deze tegenover de beloften en eisen Gods staat van zichzelf. Maar toch zijn de uitvoering en vastheid van dit Verbond zeker, omdat het zijn ankers heeft in de eeuwigheid, in de eeuwige heilswil des Vaders, in het werk des Zoons en in de kracht des Heiligen Geestes.
De Gereformeerde Theologie, zo de leer des Verbonds behandelend, spant het snoer dus zeer wijd, neemt het veld zeer breed.
Heel de geschiedenis des heils en heel het zaligmakend werk van de Drieënige God en hoe dat volvoerd wordt, krijgen daarin een plaats. Heel de weg der verlossing vanaf het paradijs tot in het Nieuwe Jeruzalem vallen onder het gezichtspunt van het genadeverbond.
Ik denk hier, aan wat Bavinck schrijft in zijn dogmatiek : in het genadeverbond gaat het er om, hoe er weer gemeenschap tussen God en de mens tot stand komt, hoe er weer de ware religie mogelijk is, hoe er weer uitzicht voor de mens kan zijn. Doch Christus, de — op de klassieke verwachting der Kerk van „een verder leven (na de dood) van de gescheiden ziel in een geluk, waaraan het lichaam zijn deel (zal) krijgen op de laatste dag, bij de opstanding, tegenover hen, die de sfeer in Evanston bepalen en in het voetspoor van theologen van de laatste tijd (in ons land b.v. prof. Van der Leeuw) stellen, dat met de lichamelijke dood ook de ziel sterft en eerst in de jongste dag met het lichaam weer tot leven wordt gewekt. Een stelling, waartegen men zich o.a. ook onzerzijds destijds heeft gekeerd — bij monde van prof. Severijn en ds. Kievit Sr. — en die een onmiskenbare verschuiving teweegbrengt in de inhoud van de verkondiging van Christus als hoop der wereld. Zeer merkwaardig, dat dit blijkbaar ook in roomse kringen zo wordt aangevoeld.
Middelaar des Verbonds, is ook de Eerstgeborene uit de doden, onder alles de Eerste geworden, en het is des Vaders welbehagen, door Hem alle dingen met Zichzelf te verzoeiien, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.
Zo heeft het genadeverbond wereldwijde, kosmische perspectieven. Het is de aan de scheppingsordening zich aansluitende, in deze als teruggrijpende, en heel de schepping kwalitatief en intensief in zich opnemende organisatie van de nieuwe mensheid onder Christus. En zo wordt hier het uitzicht geopend op het herstel van wat de eerste mens niet alleen aan kennis en heiligheid en gerechtigheid, doch ook aan vrede, in brede, bijbelse zin, bezat, en óp de volkomen ontplooiing daarvan in de nieuwe hemel en op de nieuwe aarde, wanneer de Boze en de ongehoorzamen voorgoed zullen zijn buitengeworpen in de plaats van de buitenste duisternis.
Thans keren wij terug tot onze opmerking, dat wij, wat de Schrift ons verder openbaart van het genadeverbond, vooral in drie groepen kunnen onderscheiden, de Verbondssluiting met Abraham, het Verbond met Israël en het Nieuwe Verbond.
Wij zouden kunnen zeggen : waarom die onderscheiding ? Er is toch eigenlijk maar één genade verbond ? Doch ook hier geldt: God gaat met Zijn openbaring in de geschiedenis in, en Hij sluit Zich aan bij de tijden. Hij gaat Zijn weg door de geschiedenis en deelt Zijn openbaring successievelijk mee, maakt ze steeds rijker en voller, zodat ook de mensheid in kennis, bezit en genot daarvan een ontwikkeling doormaakt.
Als wij dan nu letten op het Verbond met Abraham, moeten wij wel even opmerken, dat de Schrift daar niet voor het eerst over een Verbond spreekt. Dat doet zij al eerder, bij Noach, vóór en na de zondvloed.
Na de val ligt de wereld onder het oordeel des doods, de ongerechtigheid werkt op ontzettende wijze door, wel waren daar ook de beloften van genade, gegeven en was er de werking van die genade, — Enos, Henoch !, — echter, die genade komt dan ook bijzonder openbaar in het Verbond met Noach. Daarbij is eveneens weer duidelijk, dat het initiatief geheel aan Gods kant ligt; verder zijn daar ook weer Zijn beloften én, Noach moet eerst in de ark gaan, terwijl wij in het begin van Genesis 9 bijzondere eisen en verplichtingen vinden in verband met het bloedvergieten en de voortplanting, en .... de eis van gehoorzaamheid, vanaf het paradijs geldend, geldt natuurlijk ook hier. Naast Noach en de zijnen wordt hier alle levende ziel van al het gedierte des velds genoemd als het geslacht, waaraan de Heere Zijn toezeggingen doet.
Dit Verbond heeft men in de Theologie altijd een aparte plaats gegeven. Die neemt het ook inderdaad in. Het staat zó tussen Genesis 3 : 15 en de oprichting van het Verbond met Abraham in. Bij deze oprichting van het Verbond met Abraham wordt duidelijk ) dat de genade, waar dit Verbond uit opkomt, verkiezende, scheidingmakende, genade is. Zij maakt scheiding tussen volk Gods en wereld, leidt het heilswerk Gods voort door een bijzondere bedding, hoewel zij het geheel van de mensheid niet loslaat, doch universele, wereldwijde en kosmische perspectieven heeft, — juist zo bereikt ze haar doel. Bij het Verbond met Noach zien wij dit nog niet. Dit heeft een algemeen karakter. Raakt de ganse mensheid en andere schepselen. Zo staat het niet op één lijn met het Verbond, met Abraham gesloten. Hoewel het er wel mee in verband staat. Het draagt dit en bereidt dit voor. Bavinck zegt er van : de vloek op de aarde wordt er door beperkt, de natuur aan banden gelegd, de verwoestende machten beteugeld, de geregelde wisseling der jaargetijden ingevoerd, heel de redeloze natuur aan ordinantiën onderworpen, en ook een bijzondere zorg voor het leven der mensen aan de dag gelegd. — Overheid, doodstraf ! — Zo zijn bestaan en leven der mensen weer verder mogelijk, uitbreiding en ontwikkeling der volkeren, kunsten en wetenschappen, een burgerlijke gerechtigheid, zodat de mensheid bewaard wordt voor de verdere openbaring van Gods bijzonder genadeverbond en voor de verwerkelijking van het heil des Heeren, waarin eenmaal alle volkeren der aarde delen zullen.
In de Schrift wordt grote betekenis gehecht aan de oprichting van het Verbond met Abraham.
Daarbij valt op bet merkwaardig gebeuren, in Genesis 15 vermeld : het gaan van God tussen de gekloofde dieren door. Voor Abraham droeg dit stellig het karakter van een Verbondssluiting, — zo heeft hij dat verstaan, — maar dan is het opmerkelijke daarbij dit, dat de Heere hier alleen tussen de stukken doorgaat. Zo valt hier alle nadruk op het feit, dat hét geheel van God uitgaat en de Heere, vooral hier iets doet, — Hij geeft een opzettelijke, nadrukkelijke garantie aan Abraham, Hij allereerst neemt een verplichting op Zich. En zo gaat hét hier vóór alles om de beloften, die Hij geeft. Abraham staat terzijde in grote, ontzetting, als toeschouwer, aanhoorder, ontvanger.
Deze tekst is geautomatiseerd gemaakt en kan nog fouten bevatten. Digibron werkt
voortdurend aan correctie. Klik voor het origineel door naar de pdf. Voor opmerkingen,
vragen, informatie: contact.
Op Digibron -en alle daarin opgenomen content- is het databankrecht van toepassing.
Gebruiksvoorwaarden. Data protection law applies to Digibron and the content of this
database. Terms of use.
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's
Bekijk de hele uitgave van donderdag 22 april 1954
De Waarheidsvriend | 8 Pagina's